Sciensano Publications Repository
Not a member yet
11597 research outputs found
Sort by
Patient-reported indicator surveys (PaRIS): Inzichten van België
Het PaRIS-project (Patient-Reported Indicator Surveys), geleid door de OESO, verzamelt patiëntgerichte uitkomsten en ervaringen van mensen van 45 jaar en ouder met chronische aandoeningen. Het is de eerste internationale enquête in zijn soort, met indicatoren uit 19 landen. België voerde zijn hoofdonderzoek uit tussen maart 2023 en januari 2024. In totaal werden 4687 patiëntvragenlijsten geanalyseerd, wat resulteerde in een participatiegraad van 33,4% voor België. De vragenlijsten werden online (59,7%) en op papier (40,3%) ingevuld. De bevindingen richten zich op respondenten met minstens één chronische aandoening (n = 3503).
Door patiënten gerapporteerde gezondheidsuitkomsten (PROMs):
• Bijna driekwart (72,2%) van de respondenten rapporteerde een goede algemene gezondheid. Naarmate het aantal chronische aandoeningen toenam, daalde de gezondheidsperceptie – vooral bij mensen met een lager opleidings- of inkomensniveau.
• Meer dan zeven op de tien (71,9%) respondenten rapporteerden een positief welzijn. Dit was hoger bij mensen zonder chronische aandoeningen en daalde bij toenemende aandoeningen, vooral bij vrouwen en mensen met een lager inkomen.
• Iets meer dan twee derde (69,7%) van de steekproef gaf aan een goede fysieke gezondheid te hebben. Deze daalde bij een toename van chronische aandoeningen, waarbij vrouwen iets lagere scores rapporteerden. Een hoger opleidings- en inkomensniveau hing samen met een betere fysieke gezondheid, ongeacht het aantal aandoeningen.
• Meer dan vier op de vijf (82,7%) respondenten rapporteerden een goede mentale gezondheid. Hogere opleiding en inkomen waren gekoppeld aan betere uitkomsten, maar de mentale gezondheid daalde met het aantal chronische aandoeningen, vooral bij vrouwen.
• Een goed sociaal functioneren werd gerapporteerd door 85,9% van de respondenten. Dit daalde naarmate het aantal chronische aandoeningen toenam, vooral bij vrouwen en mensen met een lager opleidings- of inkomensniveau. Hoger opgeleiden en mensen met een hoger inkomen rapporteerden juist beter sociaal functioneren, zeker bij twee of meer chronische aandoeningen.
Door patiënten gerapporteerde ervaringen (PREMs):
• Meer dan 95% van de respondenten rapporteerde een goede kwaliteit van medische zorg te ervaren, met minimale verschillen tussen groepen op basis van chronische aandoeningen of sociaal-demografische kenmerken. Dit percentage is een van de hoogste onder de deelnemende landen en significant hoger dan het OESO-gemiddelde van 87% (op basis van één vergelijkend interval).
• Bijna twee derde (63,1%) voelde zich zelfverzekerd in het beheren van hun eigen gezondheid, al nam dit vertrouwen af bij een toenemend aantal chronische aandoeningen.
• Zeven op de tien (69,5%) waren het mee eens of volledig mee eens met de stelling dat het gezondheidszorgsysteem betrouwbaar is. Hoewel het algehele vertrouwen hoog was, waren er kleine verschillen: mannen en mensen met een hoger opleidings- of inkomensniveau rapporteerden over het algemeen meer vertrouwen.
• Iets meer dan twee derde (67,7%) rapporteerde een goede ervaren zorgcoördinatie. Er was een kleine maar consistente toename in de gerapporteerde zorgcoördinatie zichtbaar naarmate de leeftijd toenam. Persoonsgerichte zorg werd zeer goed beoordeeld: 92,7% gaf aan vertrouwen te hebben in de persoonlijke aard van hun zorg, ongeacht het aantal chronische aandoeningen – een significant hoger percentage dan het OESO-gemiddelde van 85% (op basis van één vergelijkend interval).
Algemene gezondheidsuitkomsten en ervaringen
• Algemene gezondheid, welzijn en fysieke gezondheid waren nauw verbonden met PREMs. Verbeteringen in PREMs, met name in ervaren kwaliteit van zorg en persoonsgerichte zorg, gingen gepaard met aanzienlijke verbeteringen in deze gezondheidsuitkomsten.
• Patiënten met hoge bloeddruk rapporteerden doorgaans betere uitkomsten en ervaringen, terwijl patiënten met Alzheimer/dementie en depressie het slechtst scoorden op de belangrijkste indicatoren.
• Digitale gezondheidsvaardigheden blijven een punt van zorg. Slechts 8% van de patiënten met chronische aandoeningen voelde zich zeker bij het gebruik van online gezondheidsinformatie. Digitale hulpmiddelen van huisartsen werden zelden gebruikt: slechts vier patiënten meldden een videoconsult, en slechts 58,3% vonden de website gemakkelijk bruikbaar – vooral bij mensen met een lagere opleiding.
• De algehele gezondheidsuitkomsten waren vergelijkbaar tussen patiënten met en zonder zorgplan, al rapporteerden patiënten zonder zorgplan een betere algemene gezondheid en fysieke gezondheid. Patiënten met zorgplannen ervoeren een hogere mate van persoonsgerichte zorg, wat wijst op een meer individuele en holistische zorgervaring.
• Financiële problemen hingen samen met slechtere fysieke en mentale gezondheid, lager welzijn en minder vertrouwen in het gezondheidzorgsysteem. Ondanks dit suggereren hoge beoordelingen van ervaren kwaliteit en persoonsgerichte zorg dat zorgdiensten effectief inspelen op de behoeften van financieel kwetsbare groepen.
Inzichten in de eerstelijnszorg
• Alle deelnemende eerstelijnspraktijken konden elektronische medische dossiers uitwisselen, die ook consequent beschikbaar waren tijdens consultaties.
• Ondersteuning voor zelfmanagement werd voornamelijk mondeling geboden (85,5%), met extra informatie via folders, online materialen en doelgerichte initiatieven.
• Minder dan de helft (47,5%) van de praktijken was goed voorbereid op effectieve zorgcoördinatie. België bleef ook achter in de betrokkenheid van niet-artsen bij de chronische zorg: bij patiënten met twee of meer chronische aandoeningen lag de betrokkenheid op 46,3%, ver onder het OESO-gemiddelde van 83%.</p
Gezondheidsenquête 2023-2024: Contacten met beoefenaars van niet-conventionele geneeswijzen
Informal caregiving and mental health: results from the Belgian health interview survey 2013 and 2018
Background
Due to a globally ageing population, the demand for informal caregivers is increasing. This study investigates the socio-demographic profile of informal caregivers in Belgium and assesses the relationship between informal care (intensity and care recipients) and mental health, considering potential moderators like education, age, and gender.
Methods
Using population-based data from the 2013 and 2018 waves of the Belgian Health Interview Survey (N = 14,661), we conducted multivariate (multinomial/ordinal) logistic and linear regression analyses to examine the socio-demographic profile of informal caregivers and their psychological distress, measured through the General Health Questionnaire (GHQ-12).
Results
The prevalence of informal caregiving increased from 10.0% in 2013 to 13.0% in 2018. Informal caregivers were predominantly female, middle-aged, and often had no paid job. High-intensity caregivers (over 20 h/week) experienced significantly higher psychological distress compared to non-caregivers, whereas lower-intensity caregivers did not. Additionally, while gender, age, and education were significant predictors of who becomes a caregiver, they did not moderate the relationship between caregiving and mental health.
Conclusions
Our findings suggest that the stress of caregiving is more directly related to the nature and intensity of the caregiving tasks themselves rather than the demographic characteristics of the caregivers. Interventions aimed at reducing the adverse effects of caregiving might need to be universally applicable to all caregivers, focusing on reducing the intrinsic burdens of caregiving tasks rather than targeting demographic subgroups.</p
Epidemiologische surveillance van hepatitis B en C in België. Toestand op 31 december 2023.
Policy brief: La nécessité d'un plan d'action régional pour la prévention du suicide en Wallonie
Le suicide est une problématique majeure pour la société et la santé publique, avec des répercussions importantes sur les individus, leurs
proches et la collectivité. Selon les données transversales de la cohorte Belge Santé et Bien-être (BELHEALTH), 13 % des personnes résidant en Wallonie ont déclaré avoir eu des pensées suicidaires au cours de l’année écoulée. Cette situation nécessite une attention urgente et la mise en place d’un plan d’action régional pour la prévention du suicide. Ce dernier doit être axé sur des interventions universelles, sélectives et ciblées, sur base de données probantes.</p