University of Groningen

University of Groningen Digital Archive
Not a member yet
    80723 research outputs found

    Movement and cognition

    No full text
    Het doel van dit proefschrift was om inzicht te krijgen in de grove motorische ontwikkeling en de mogelijke relaties tussen de grove motorische ontwikkeling en cognitieve ontwikkeling (executieve functies en schoolprestaties) van kinderen met leerproblemen in het speciaal basisonderwijs in de leeftijd van 7 tot en met 12 jaar. De drie hoofdvragen van het onderzoek waren: 1. Wat is het niveau van de grove motorische vaardigheden van kinderen met leerproblemen vergeleken met kinderen in het reguliere onderwijs en hoe ontwikkelen deze vaardigheden zich naarmate kinderen ouder worden? 2. Is er een relatie tussen grove motorische vaardigheden en cognitieve vaardigheden? 3. Wat is het effect van een motorische interventie op motorische vaardigheden en cognitieve vaardigheden? Op basis van de resultaten van het proefschrift kunnen we concluderen dat kinderen met leerproblemen in het speciaal basisonderwijs over het algemeen slechtere grove motorische vaardigheden hebben dan leeftijdgenootjes in het reguliere onderwijs. Verder is aangetoond dat de grove motorische vaardigheden van kinderen met leerproblemen ontwikkelen naarmate ze ouder worden, maar dat op 11-jarige leeftijd er nog steeds een achterstand is van tenminste 3 jaar ten opzichte van 11-jarige reguliere kinderen. Daarnaast is aangetoond dat grove motorische vaardigheden gerelateerd zijn aan cognitieve vaardigheden. Deze relatie lijkt een specifieke relatie in plaats van een algemene relatie te zijn. Tenslotte, is het balvaardigheidsprogramma een effectief programma om de balvaardigheden van kinderen met leerproblemen te verbeteren en lijkt het trainen van balvaardigheden positieve invloed te hebben op hun executieve functies, in het bijzonder op planningsvaardigheden en het probleemoplossend vermogen. The aim of this thesis was to examine the development of gross motor skills and the possible relationship between motor skills and cognitive performance (i.e. executive functioning and academic skills) in children with LD aged between 7 and 12 years. The three main questions addressed were: 1) What is the level of gross motor skill performance of children with LD compared to typically developing children and how do gross motor skills develop with age in children with LD? 2) Is there a relationship between gross motor skills and children’s cognitive performance? 3) What is the effect of a motor intervention on children’s gross motor skills and their cognitive performance? Based on the results of this thesis we concluded that children with learning disorders generally have inferior gross motor skill performance compared to their typically developing peers. Furthermore, children with learning disorders are able to develop their motor skills, however, to the end of the primary school years there is still a gap where children with learning disorders are at least 3 years behind their typically developing peers. Therefore, specific attention to motor skill training in these children appears to be necessary. Additionally, this thesis showed that there is a relationship between gross motor skills and cognitive performance and this relationship appears to be specific rather than general. Finally, the ball skill intervention is an effective instrument to improve the ball skills of children with learning disorders and practicing ball skills appears to influence executive functioning positively, specifically on problem solving.

    ChristenUnie en SGP: Europese verkiezingen 2014

    No full text

    SP: Verzorgingshuizen dicht en ouderen verplicht verhuizen?

    No full text

    Loss of proteostasis as a substrate for atrial fibrillation : Defining novel targets for therapy

    No full text
    Boezemfibrilleren is de meest voorkomende en hardnekkige hartritmestoornis die gepaard gaat met een verhoogde kans op sterfte. De huidige behandelingen van boezemfibrilleren zijn niet effectief genoeg en kunnen het voortschrijden van boezemfibrilleren niet voorkomen. Om nieuwe behandelingen van boezemfibrilleren te ontwikkelen is het noodzakelijk te begrijpen welke processen in de hartspiercel bijdragen aan het ontstaan, het behoudt en de verergering van boezemfibrilleren. In dit proefschrift is onderzocht welke processen in de hartspiercel hieraan bijdragen, met daarbij een centrale rol voor het verlies van eiwit homeostase. Verlies van eiwit homeostase kan leiden tot veranderingen in de lokalisatie, de activiteit en/of de afbraak van eiwitten betrokken bij de normale hartfunctie en kan daarmee bijdragen aan het ontstaan van boezemfibrilleren. Daarnaast leidt boezemfibrilleren zelf tot een verder verlies van eiwit homeostase, wat uiteindelijk electrische en structurele veranderingen van de hartspiercel tot gevolg heeft, hetgeen weer leidt tot verergering van het boezemfibrilleren. Nieuwe therapeutische aangrijpingspunten gericht op het behoudt van de eiwit homeostase in de hartspiercel waren succesvol in het voorkomen van boezemfibrilleren in de gebruikte experimentele modellen. Het beschreven onderzoek laat zien dat remmers van HDAC6, RhoGTPase, ER stress en HSP inducerende middelen interessante kandidaten zijn voor de toekomstige behandeling van patiënten met boezemfibrilleren. Atrial fibrillation (AF) is the most common sustained clinical tachyarrhythmia associated with increased mortality and morbidity. Conventional treatment options against AF still lack efficacy and are ineffective in preventing the recurrence of AF. Understanding cellular processes involved in the initiation, maintenance and progression of AF are necessary for the development of new therapies for AF. In this thesis we investigated the cellular processes that contribute to AF, with a central role for the derailment of proteostasis. Derailment of proteostasis is defined as the loss of protein homeostasis, which is necessary for the maintenance of normal cardiac function. The derailment affects processes controlling the concentration, conformation, binding-interaction, kinetics, and location of individual proteins. In addition to contributing to AF induction, derailment of proteostasis is aggravated by AF itself, resulting in electrical and structural remodeling of the cardiomyocyte, subsequently leading to AF progression. New therapeutic intervention strategies aimed at preventing derailment of proteostasis were shown successful in preventing AF in our experimental models. Our data indicate that loss of proteostasis represents an important determinant of AF pathology and conservation of cardiac proteostasis. Inhibitors of HDAC6, RhoA-GTPase, ER stress and HSP inducing compounds as potential new therapeutic strategies for AF.

    Solving the Dutch High School Timetabling Problem using Linear Optimization

    No full text
    High School Timetabling (HSTT) is a research field that tries to solve the problem of making good timetables for high schools. Since this HSTT problem is very hard (NP-complete), it is not possible to solve the problem to optimality for every high school within a reasonable amount of time. During my master research the HSTT problem for the Netherlands was formulated as a Mixed Integer Linear Program (MILP), which was implemented in Delphi. Different decompositions which use this MILP in two or three phases were constructed and compared. An example of this is to apply the MILP in the first phase only to teachers, and use the corresponding solution in the second phase to fix the days during which teachers are allowed to teach. The general Linear Programming solvers CPLEX and Gurobi were used to solve the MILP’s.

    Gods Woord gemeengoed

    No full text
    Gods Woord gemeengoed geeft een sociale geschiedenis van de Delftse Bijbel (1477) tot ongeveer 1550. Als eerste gedrukte bijbel in de Nederlandse taal en als een van de vroegste Nederlandstalige gedrukte boeken heeft de Delftse Bijbel in de loop van de geschiedenis veel aandacht gehad van verzamelaars en onderzoekers, en is deze bekend komen te staan als een cultuurhistorisch fenomeen. Er is zelfs geopperd dat deze bijbel heeft bijgedragen aan de Nederlandse (religieuze) identiteit. Veel vragen met betrekking tot de Delftse Bijbel zijn echter nog onvoldoende beantwoord of zijn zelfs nooit eerder gesteld, zoals die naar de vroege receptie van dit boek. In zijn proefschrift benadrukt Mart van Duijn de nauwe verbondenheid die er bestond tussen de Delftse Bijbel en de samenleving waarin deze ontstond en voor het eerst werd ontvangen. Door achtereenvolgens in te gaan op de inhoud, de vorm en de receptie van deze bijbel wordt een geschiedenis geschreven die gekenmerkt wordt door samenwerking, flexibiliteit, individualiteit en onafhankelijkheid. Dit is een beeld dat ingaat tegen de algemene opvatting dat de Bijbel in de middeleeuwen was voorbehouden aan de geestelijkheid en dat volkstalige Bijbels zelfs niet bestonden. Al ver voor Maarten Luther in de jaren 1520 met zijn vertaling de Bijbel zogezegd bevrijdde voor het grote publiek, werden door drukkers zoals die van de Delftse Bijbel al stappen in die richting gezet. Gods Woord gemeengoed gives a social history of the Delft Bible (1477) up to about 1550. As the first Bible printed in Dutch and as one of the earliest Dutch printed books, the Delft Bible, in the course of history, has had a lot of attention from collectors and researchers, and became known as a cultural and historical phenomenon. There has even been suggested that this Bible has helped shape Dutch (religious) identity. However, many questions concerning the Delft Bible are still inadequately answered or have never even been asked, such as to the early reception of this book. In his dissertation Mart van Duijn emphasizes the close relationship that existed between the Delft Bible and the society in which it originated and was first received. By successively going into the content, form and reception of this Bible a history is given that is characterized by cooperation, flexibility, individuality and independence. This is an image that contradicts the general view that in the Middle Ages the Bible was reserved for the clergy and that vernacular Bibles never even existed. Long before Martin Luther in the 1520s supposedly freed the Bible for the general public with his translation, printers like those of the Delft Bible already made steps in that direction.

    Copper-Catalyzed Synthesis of Allenyl Acetates via SN2’ displacement.

    No full text
    De begeleider en/of auteur heeft geen toestemming gegeven tot het openbaar maken van de scriptie. The supervisor and/or the author did not authorize public publication of the thesis.

    Inflammatory bowel disease

    No full text
    Inflammatoire darm ziekten (IBD) zoals de ziekte van Crohn (CD) en colitis ulcerosa (CU) zijn deels erfelijk en deels omgevingsbepaalde ziekten en worden gekenmerkt door een chronisch recidiverende ontsteking van de darm. Waarschijnlijk zijn een verstoorde immuunreactie op normale darmflora samen met een verminderde darmwand integriteit onderliggend aan deze soms zeer ernstige en hardnekkige ziekte. Meer inzicht in de pathogenese is derhalve essentieel. Door het DNA te screenen op risico gebieden, zijn er tot op heden 163 gebieden gevonden geassocieerd met een verhoogd ziekte risico. Hiermee kan 15-25% van de totale erfelijkheid verklaard worden. In dit proefschrift worden een aantal potentiële bronnen van de ontbrekende erfelijkheid onderzocht. Er zouden meer risico gebieden kunnen zijn voor IBD. Wij analyseerden een aantal strategisch gekozen gebieden en vonden twee nieuwe risico gebieden voor IBD, en we vonden een omgekeerde associatie voor een specifiek gen voor CD en CU. Verder kan er mogelijk meer van de erfelijkheid verklaard worden met bekende risico gebieden. Mogelijk heeft dezelfde genetisch code een ander effect op ziekte risico als deze van vader of moeder wordt geërfd. Wij testten de overlappende IBD risico gebieden en vonden hier weinig aanwijzingen voor. Daarnaast werd onderzocht wat de effecten van de hoeveelheid risico gebieden is op cel niveau in afweer cellen. Deze relatie hebben wij niet kunnen vinden, wel vonden we een verschil tussen gezonde mensen en patiënten. Wij hebben bijgedragen aan de identificatie van nieuwe risico gebieden op het DNA voor inflammatoire darmziekten en potentiële bronnen voor de ontbrekende erfelijkheid onderzocht. Inflammatory bowel diseases (IBD) such as Crohn's disease (CD) and ulcerative colitis (UC) are partially heritable and partially environmentally determined diseases and are characterized by a chronically relapsing inflammation of the gut. Probably an aberrant immune response to commensal microflora of the bowel together with a diminished integrity of the wall is culprit to this serious disease. More insight in the pathogenesis is essential. By screening DNA for risk areas, there are up until now 163 of such areas associated to increased disease risk, with which we can explain 15-25% of the heritability. In this thesis we investigate a number of potential sources of this hidden heritability. There might be more risk areas for IBD. We analyzed a number of strategically selected areas and identified two new risk areas for IBD, in another study we found altered risk for a UC and CD gene. Further, more of the heritability might be explained with the known risk areas. Potentially the same genetic code has a different effect to disease risk when inherited from the father or the mother. We tested the overlapping IBD risk areas and found limited evidence for such effects. Further we investigated what the effects of a number of risk areas is on a cellular level in immune cells. We could not find this relation, however we found a difference between healthy individuals and patients. We contributed to the identification of new risk areas on the DNA for IBD and investigated other potential sources for the hidden heritability.

    Verantwoorde zorg altijd kunnen verantwoorden

    No full text
    Inleiding Een hulpmiddel om zorg van goede kwaliteit te leveren en extern te kunnen toetsen biedt certificering. De afdeling KNO bereidt zich voor op de certificering voor een kwaliteitsmanagementsysteem. Enerzijds is de KNO afdeling betrokken bij een UMCG breed geïnitieerde steekproef waarbij het zorgtraject Hoofd-Hals-Oncologie (HHO), dat onderdeel uitmaakt van de afdeling KNO, langs de meetlat van ISO 9001:2008, NTA 8009:2011 en ISO 27001 wordt gelegd. Anderzijds heeft het UMCG een certificeringstraject in gang gezet voor de jaren 2013 en 2014 waarbij de afdeling als zodanig aan de voornoemde kwaliteitsnormen getoetst gaat worden. De eerste stap op weg naar een kwaliteits- en veiligheidssysteem is het uitvoeren van een nulmeting. Met het uitvoeren van de nulmeting kan worden nagegaan hoe de patiëntenzorg wordt vastgelegd op de afdeling en of de KNO afdeling risico’s loopt welke, indien deze risico’s onvoldoende worden beheerst, kunnen leiden tot (onbedoelde) schade aan de patiënt waarvoor de hulpverlener aansprakelijk gesteld kan worden. Ook door een recente calamiteit medio juli 2013 is dit onderwerp actueel omdat naar aanleiding hiervan onder andere aanpassing van de protocollering is aanbevolen. In dit onderzoek staat de vraag centraal welke aanbevelingen ter verbetering van de vastlegging van de patiëntenzorg op de KNO afdeling kunnen worden gedaan ter voorkoming van aansprakelijkheid van de hulpverlener voor (onbedoelde) schade uit dien hoofde? Methode De gegevens zijn verzameld door documenten, rechtsbronnen en literatuuronderzoek. De gegevens zijn geanalyseerd door inhoudsanalyse. Resultaten Uit het onderzoek vloeit voort dat verbeterpunten zijn om het huidige document voor protocolbeheer vollediger te maken, te heroverwegen of met de meest gebruikte protocollen de juiste prioriteiten worden gesteld, in het standaard protocol vastleggen dat afwijkingen van protocollen door hulpverleners genoteerd moet worden evenals het gebruikte protocol. Conclusie Aanbevelingen zijn om het huidige document voor protocolbeheer vollediger te maken, te heroverwegen of met de meest gebruikte protocollen de juiste prioriteiten worden gesteld, in het standaard protocol vastleggen dat afwijkingen van protocollen door hulpverleners genoteerd moet worden evenals het gebruikte protocol. Relevante beperkingen van het onderzoek zijn dat het onderwerp op een juridische wijze is ingestoken. Het is de vraag of hiermee het gewenste effect wordt bereikt. Daarnaast is er geen dossieronderzoek gedaan en zijn er geen interviews gehouden of enquêtes uitgevoerd. De inhoud van deze scriptie is vertrouwelijk. Wilt u de volledige scriptie inzien, dan kunt u een verzoek mailen aan: [email protected]

    1,394

    full texts

    80,723

    metadata records
    Updated in last 30 days.
    University of Groningen Digital Archive
    Access Repository Dashboard
    Do you manage Open Research Online? Become a CORE Member to access insider analytics, issue reports and manage access to outputs from your repository in the CORE Repository Dashboard! 👇