University of Groningen Digital Archive
Not a member yet
80723 research outputs found
Sort by
Essays on International Capital Flows, Currency Crises and Exchange Rate Regimes
The linkages between international capital flows, currency crises and exchange rate regimes are relevant for global financial stability in an increasingly integrated world. Yanping Zhao contributes to the literature both methodologically and empirically.<br/><br/>First, Zhao shows that the factors driving hot money flows in China from 2000 to 2012 depend on the way hot money is measured. The expected exchange rate is a robust driver no matter which measure we use, while the interest rate is not significant. The significance of the stock market index, the real estate climate index and the VIX depends on the way in which we measure hot money flows.<br/><br/>Second, Zhao argues that sudden stops need not automatically translate into currency crashes. In order to reduce the probability of having sudden stops with currency crashes, an open trade sector, a balanced external sector and deeper financial markets are required. We suggest ways for maintaining financial stability under alternative exchange rate regimes. Economies with a hard peg should aim for balanced government budgets and open up their trade sector. Economies with other pegs should develop their financial sector and open up their trade sector, while economies with an intermediate regime should develop their financial sector.<br/><br/>Third, Zhao shows that it is particularly relevant to explore alternative early warning systems for different exchange rate regimes. In fixed exchange rate regimes, there is a marked deterioration in external indicators, such as deviations of the real exchange rate from trend and the growth of international reserves, before currency crises occur. Indicators that prove to be useful in anticipating crises in floating exchange rate regimes are credibility and monetary policy indicators, such as inflation and domestic credit growth. Both credibility and external economic indicators have predictive power for currency crises in intermediate exchange rate regimes.<br/><br/>Finally, Zhao finds that the unbiased forward exchange rate hypothesis does hold for China in Spring 2009, but not in other periods. In the Spring of 2009 the Chinese authorities returned to peg the Renminbi to the US dollar to overcome the turmoil of the global financial crisis. These results suggest that the forward market for the Renminbi is inefficient.
Onderzoek naar de koppeling tussen internationale kapitaalstromen, valutacrises en wisselkoersregimes<br/><br/>De koppeling tussen internationale kapitaalstromen, valutacrises en wisselkoersregimes is van belang voor de mondiale financi?le stabiliteit. Het promotieonderzoek van Yanping Zhao draagt daar, zowel methodologisch als empirisch, aan bij.<br/><br/>In haar proefschrift komen de volgende onderzoeksvragen aan bod:<br/><br/>(1) Is Chinees vluchtkapitaal gerelateerd aan ontwikkelingen in de vastgoed- en de aandelenmarkten, het renteverschil ten opzichte van de VS, de verwachte appreciatie van de wisselkoers en de Chicago Board Options Exchange Market Volatility Index (VIX)? Hangen deze relaties af van structurele hervormingen en nieuwe regelgeving en van de recente financi?le crisis? Worden de resultaten beïnvloed door de keuze van een bepaalde maatstaf van vluchtkapitaal?<br/><br/>(2) Welke factoren bepalen of een plotselinge ingrijpende vermindering van internationale kapitaalstromen wordt gevolgd door een valutacrisis of niet? Speelt de wisselkoers en met name het wisselkoersregime hierbij een rol?<br/><br/>(3) Zijn leidende indicatoren van valutacrises verschillend in verschillende wisselkoersstelsels? Zo ja, welke indicatoren zijn bruikbaar bij verschillende wisselkoersstelsels?<br/><br/>(4) Wat is de relatie tussen het toekomstige contante koers rendement van de renminbi en het agio op de termijnkoers? Geldt de 'unbiased forward rate' hypothese in China? Wat is de invloed van de recente financiële crisis op deze relatie?
I ‘like’ it. - Onderzoek naar het gebruik van Facebook-functies door digital natives.
De aanleiding voor dit onderzoek is het verdwijnen van Hyves als sociaal netwerk in Nederland. Het verdwijnen van het enige Nederlandse sociale netwerk roept vragen op waar gebruikers behoefte aan hebben, en welke factoren meespelen in het gebruik van een sociaal netwerk. In dit onderzoek wordt er gekeken naar het gebruik van Facebook-functies door digital natives. De onderzochte Facebook-functies zijn functies die niet essentieel zijn voor het gebruik van Facebook, maar een aanvulling zijn op de gebruikerservaring van Facebook-gebruikers, Messenger, Groepen, Pagina’s en Evenementen. Digital natives zijn volgens Bennett (2008 p.775) “de generatie die opgroeit met digitale ontwikkelingen. Digital natives worden vanaf jonge leeftijd blootgesteld aan nieuwe technologie, en passen zich hierop aan in termen van media en technologiegebruik.”
Hierbij wordt gekeken of de variabelen ‘attitude’, ‘sociale norm’, ‘perceived usefulness’, ‘perceived ease of use’ en ‘gedragsintentie’ invloed hebben op de hoeveelheid functies die digital natives gebruiken. De onderzoeksvraag in dit onderzoek luidt als volgt:
“Van welke beschikbare functies op Facebook maken digital natives gebruik, en in welke mate spelen attitude, sociale omgeving, perceived usefulness, perceived ease of use en gedragsintentie hier een rol in?”
De literatuur beschrijft dat attitude (associaties rondom een object of dienst) en sociale norm (associaties van de directe omgeving met betrekking tot een object of dienst) (in Azjen, 1991) een positieve invloed hebben op gedrag. Als een gebruiker een positieve attitude en/of een positieve sociale norm heeft met betrekking tot een bepaalde functie, is het waarschijnlijker dat een gebruiker een functie gebruikt. Ditzelfde geldt voor perceived usefulness (in welke mate een functie nuttig is) en perceived ease of use (in welke mate een functie makkelijk te gebruiken is). Beide variabelen hebben volgens het Technology Acceptance Model van Ventakesh & Davis (2000) een positieve invloed op het gebruiken van functies. Zowel de theorie van Azjen (1991) als het model van Venkatesh & Davis (2000) geven aan dat gedragsintentie ook een positieve invloed heeft op het te vertonen gedrag (in dit geval het gebruiken van Facebook-functies).
Met behulp van een vragenlijst op Qualtrics.com werden digital natives gevraagd naar hun attitude, sociale norm, perceived usefulness, perceived ease of use en hun gedragsintentie.
Daarnaast werd algemeen gebruik van Facebook in kaart gebracht, net als de demografische gegevens van de respondenten. De doelgerichte steekproef is getrokken op basis van beschikbaarheid, met de kans op een sneeuwbaleffect voor de verspreiding van de vragenlijst. De verspreiding vond plaats via de Facebook tijdlijn, Facebook Groepen, Twitter en E-mail. Via Twitter en Facebook was het mogelijk om de oproep te delen door de ‘retweet’ mogelijkheid van Twitter en de ‘deel’ (‘share’) knop van Facebook.
Er deden 136 respondenten mee, waarvan 85 de vragenlijst volledig hebben ingevuld. Alleen deze respondenten zijn meegenomen in de analyse en resultaten. De resultaten bleken erg scheef verdeeld te zijn, in de steekproef bevonden zich veel vrouwen, relatief hoog opgeleid en 90% van de respondenten bleek drie of vier van de onderzochte functies te gebruiken. Dit had in de analyse en conclusie sterke effecten, want hierdoor waren een aantal statistische toetsen niet of beperkt mogelijk.
Het antwoord op de onderzoeksvraag is sterk beïnvloed door de scheef verdeelde steekproef; er is geen duidend antwoord te geven. Door de niet-intentionele scheef verdeelde steekproef is het niet mogelijk om statistisch aan te tonen hoeveel invloed de variabelen attitude, sociale omgeving, perceived usefulness, perceived ease of use en gedragsintentie hebben op het daadwerkelijk gebruik van Facebook-functies. Attitude en Perceived usefulness lijken de sterkste invloed (beiden zijn significant) te hebben op de gedragsintentie, en gedragsintentie heeft marginaal significant invloed op het aantal functies dat digital natives gebruiken. De variabelen sociale norm en perceived ease of use gaven zwak positieve effecten, maar deze waren in geen enkele analyse significant.
Een verklaring voor deze scheef verdeelde steekproef is hoogstwaarschijnlijk de doelgerichte steekproef (uit het netwerk van de onderzoeker) die ervoor gezorgd heeft dat de spreiding laag lag. Hoewel dit niet de intentie was, hebben toch meer hoog opgeleide vrouwen die veel Facebook functies gebruiken meegedaan aan dit onderzoek. De aanbeveling na dit onderzoek is dan ook om dit onderzoek te herhalen met als uitgangspunt een normaal verdeelde groep respondenten. De methode bleek voldoende valide en betrouwbaar, maar in dit onderzoek is er geen voldoende statistisch onderbouwd antwoord te geven op de onderzoeksvraag. Met deze inzichten kan dit onderzoek herhaald worden om een goed beeld te kunnen schetsen van het Facebook-functiegebruik door digital natives.
Op zoek naar een sluitende verklaring waarom Molkwerum vrijwel van de kaart verdween De langetermijngevolgen van een sociaal-economische transitie op het landschap en de samenleving van Molkwerum (Zuidwest-Friesland) tussen 1700 en 1900
Telkens wanneer zich een crisis voordoet, kan men zich afvragen in hoeverre het een unieke situatie betreft of dat de processen overeenkomsten en verschillen vertonen met ontwikkelingen in het verleden. Ook deze scriptie is geïnspireerd door de huidige sociaal-economische ontwikkelingen van crisis en krimp. Door de geschiedenis als spiegel te gebruiken kan gereflecteerd worden op de huidige situatie en wellicht aan de waan van de dag ontsnapt worden. Een goede leidraad daarbij is: in hoeverre waren samenlevingen in het verleden in staat een crisis of negatieve ontwikkeling het hoofd te bieden?
Verklaringen over het succes of het falen van samenlevingen zijn al decennia een thema binnen de geschiedschrijving. Binnen de historische geografie komt dit onderwerp vooral tot uiting in het thema van de verdwenen dorpen. Zij vormt een van de meest krachtige metaforen op het snijvlak tussen sociaal-economische geschiedenis en geografie. Dit thema staat ook in deze scriptie centraal.
Maar juist doordat het op een snijvlak van verschillende disciplines ligt, is er binnen de historiografie een grote hoeveelheid theorieën ontwikkeld. Tradities die eerder lijken te divergeren dan te convergeren. Voorbeelden van theorieën die uitspraken doen over de effecten van neergang op het landschap of het verdwijnen van samenlevingen, dorpen en landschappen zijn onder andere: het Wüstungen-onderzoek van Wilhelm Abel, studies naar veerkracht op lokaal niveau, ineenstorting van complexe samenlevingsvormen, de wereldsysteem-benadering van de ‘political ecology’, de de-urbanisatie als nieuw interpretatiekader voor de achttiende eeuw in de Republiek en de meer economische modellen naar regionale verschillen in groei- en krimpgebieden: de cumulative causation-theorie van de Zweedse econoom Gunnar.
Hoewel vrijwel alle theorieën erkennen dat bepaalde aspecten bij het verdwijnen van dorpen relevant zijn, lijken de raakvlakken tussen de diverse theorieën beperkt. Het is hierdoor ook erg moeilijk geworden om een evenwichtig belang aan de verscheidenen factoren toe te kennen. In het bijzonder gaat deze constatering op voor de volgende drie tegenstellingen: het belang van interne versus externe factoren, de duiding van de capaciteit van een gemeenschap om met een negatieve ontwikkeling om te gaan als veerkracht of ineenstorting en de wijze waarop de geografische en de maatschappelijke processen op elkaar inwerkten. Overeenstemming lijkt er slechts te bestaan over het feit dat al deze factoren van invloed kunnen zijn en dat er bij dorpsverdwijningen zeer complexe processen spelen.
Het is binnen het onderzoek naar verdwenen nederzettingen ongebruikelijk om slechts een single casestudy te doen. Toch is hier voor dit onderzoek voor gekozen. Met name om aan de genoemde complexiteit recht te doen. Door het proces van neergang zeer gedetailleerd, en vanuit verschillende dimensies te volgen is het mogelijk om de zeggingskracht van de verscheidene theorieën te toetsen.
De criteria die bij de keuze van de casestudy een rol speelden kwamen direct voort uit de bovengenoemde tegenstellingen. Ten eerste was het een vereiste dat er zowel in geografisch als maatschappelijk opzicht een gedetailleerde reconstructie mogelijk zou zijn. Een tweede wens hierbij was dat zowel de interne processen achterhaald konden worden, als de externe relaties van de nederzetting te bepalen. Tenslotte moest het mogelijk zijn om een uitspraak te doen over de uitkomst van het proces van neergang als veerkracht of als ineenstorting. Als winnaar uit dit keuzeproces is het Friese dorpje Molkwerum gekomen.
Voorafgaand aan de achttiende-eeuwse neergang werd de Molkwerumse gemeenschap gekenmerkt door een dubbel-evenwicht. Enerzijds was er sprake van een sociaal-economische evenwicht gekenmerkt door een dominante, grootschalige internationale scheepvaart enerzijds en een kleinschalige, op de zelfvoorziening gerichte veeteelt, anderzijds. De veeteelt verbond dit sociaal-economische evenwicht met dat van een sociaalecologisch evenwicht: de relatie tussen de collectieve beheerwijze en de kenmerken van het landschap. Hoewel deze plek tot op heden nog bestaat, kende het een zeer grote neergang in de achttiende eeuw. Door de beschikbaarheid van de hoeveelheid gegevens was het mogelijk om de verscheidene processen per dimensie gedetailleerd te volgen. De vraag die bij de analyse van de casestudy centraal staat is:
Welke samenhangende veranderingen in landschapsopbouw, economie en samenleving traden tussen 1700 en 1900 op in het Friese dorp Molkwerum? Welke factoren en processen waren daarbij bepalend? En in hoeverre biedt de bestaande theorievorming over crisis, neergang en veerkracht een sluitende verklaring voor de toenmalige ontwikkelingen in dit studiegebied?
Bij de beantwoording van deze centrale probleemstelling is aandacht voor een groot aantal dimensies van de Molkwerumse samenleving. Ten eerste de ontwikkelingen van het landschap, de dorpskern en de wijzigingen die gebouwen ondergingen. Ten tweede de veranderingen in de bevolkingssamenstelling en de bezitsverhoudingen.
Tenslotte is er aandacht voor de sociaal-economische gevolgen van de neergang. Dit laatste is uitgesplitst in de processen die de landbouw onderging en de andere aspecten van de economie, waaronder de scheepvaart en de verzorgende ambachten.
De aanleiding voor de neergang in Molkwerum was het opdrogen van de internationale scheepvaart. Dit proces verstoorde het dubbelevenwicht: doordat het belang van de scheepvaart afnam, nam het relatieve belang van de landbouw toe. Dit uitte zich onder andere doordat de veeteelt grootschaliger werd en zich ging richten op de commerciële zuivelproductie. Hierdoor kwam op diens beurt ook het collectieve beheer onder druk te staan. Uiteindelijk zou dit dan ook worden opgeheven en vervangen worden door particulier grondbezit.
Het blijkt dat er in Molkwerum gedurende de achttiende eeuw veel verschillende processen gelijktijdig optraden. Deze processen zijn te kenmerken als: enclosing, privatisering, bevolkingskrimp, schaalvergroting, sloop en de verbetering van de bemaling. De transitie die Molkwerum in haar geheel onderging, kan het best worden omschreven met de term: ‘ruralisatie’. Daarmee wordt een proces bedoeld dat als tegenhanger fungeert van urbanisatie: de transitie van een samenleving die gekenmerkt werd door urbane trekken naar een maatschappij die zich volledig richtte op de landbouw. In dit geval de veeteelt.
Door de aanleiding van de neergang te benoemen is echter nog niet verklaard waarom deze gemeenschap eigenlijk zo kwetsbaar was. De kwetsbaarheid zat hem in een aantal aspecten: een sterke eenzijdige oriëntatie van de economie en dus afhankelijkheid van de internationale scheepvaart, een drassig buitengebied, een sterke mate van versnippering van het landbezit en een collectief landbeheersysteem dat ongeschikt was voor commerciële zuivelproductie.
Verschillende inwoners van Molkwerum toonden gedurende de transitie een andere mate van veerkracht. Dit kwam niet per definitie ten goede van de gehele gemeenschap. Het belangrijkste voorbeeld hiervan waren die schippers of renteniers die veel financiële middelen hadden. Zij konden bij economische neergang het dorp makkelijk verlaten. Dit was anders voor zij die achterbleven: tot 1800 werd Molkwerum als erg armzalig gezien.
Elk van de bovengenoemde theorieën levert een belangrijk inzicht voor een deelverklaring van wat zich in Molkwerum afspeelde. Aan de ander kant blijkt geen enkele theorie zelfstandig in staat om een afdoende verklaring te bieden. Op basis van die constatering worden drie aanbevelingen gedaan. Ten eerste wat betreft het tegengestelde gewicht dat in theorieën aan interne en externe factoren gegeven wordt. Het is raadzaam om een klassiek geschiedtheoretisch onderscheid te benadrukken, namelijk het verschil tussen ‘aanleiding’ en ‘oorzaak’. In de casestudy blijkt namelijk dat de aanleiding voor de sociaal-economische neergang extern lag, maar de oorzaak voor de kwetsbaarheid van deze gemeenschap voor deze neergang intern gezocht moeten worden.
Een tweede aanbeveling is dat het proces zoals zich dat bij een neergang ontplooit niet eenzijdig moet worden beschouwd als ineenstorting of veerkracht. Beide processen kunnen zoals in Molkwerum, samengaan. Een complicatie daarbij is dat het proces vanuit verschillende groepen een heel ander effect kan hebben: wat voor de ene groep een teken van veerkracht is, is dat niet automatisch voor een andere groep of de gemeenschap in het geheel. Het is dus beter om de overkoepelende processen als transitie te beschouwen en binnen die transitie te kijken voor welke groepen bepaalde processen voor- of nadelen boden. Wel leidt dit tot een probleem bij vervolgonderzoek naar verdwenen nederzettingen. De vraag is namelijk in hoeverre men nog van de (dis)continuïteit van een nederzetting of regio kan spreken in de zin van ‘veerkracht’ of ‘ineenstorting’ wanneer dit slechts op een lager schaalniveau beoordeeld kan worden. Met andere woorden: is de nederzetting het juiste schaalniveau om deze thematiek te bestuderen?
Tenslotte wordt in de casestudy aangetoond dat er voorafgaand aan de transitie sprake was van een ‘dubbel evenwicht’. Enerzijds een sociaaleconomische evenwicht tussen dominante scheepvaart en ondergeschikte, kleinschalige, veeteelt ten behoeve van de zelfvoorziening. Anderzijds een sociaalecologisch evenwicht tussen een collectief beheer en de kenmerken van het landschap. De veeteeltvorm was daarbij de verbindende factor tussen deze twee evenwichten. Doordat in het ene evenwicht een wijziging optrad (neergang in de scheepvaart), werd via de schaalvergroting in de veeteelt ook een verandering in het andere evenwicht veroorzaakt (het verlaten van het collectieve beheer). Dit model blijkt een geschikte benadering te vormen voor een evenwichtige analyse van de geschiedenis van landschappen en regio’s. Dit model doet namelijk zowel recht aan de wijze waarop de samenleving via een sociaaleconomische evenwicht verbonden is met de buitenwereld, als via het sociaalecologisch evenwicht tussen die gemeenschap met haar directe en concrete omgeving. Hoewel de concrete invulling van dit ‘dubbel evenwicht’ per gebied zal verschillen.