University of Groningen Digital Archive
Not a member yet
    80723 research outputs found

    Jaarverslag 2013

    No full text

    Improved characterization techniques for branched polysaccharides

    No full text
    Polymeren zijn moleculen, die bestaan uit vele herhalende eenheden - die monomeren. Zetmeel (amylose en amylopectine) en glycogeen zijn natuurlijke polymeren, en ze zijn overal om ons heen. Wij eten en gebruiken ze op een dagelijkse basis, maar we begrijpen ze helemaal niet. Hoewel zijn deze suikers eenvoudig vandaan ze zijn gemaakt (de herhalende eenheid is glucose), zijn ze moeilijk te karakteriseren. Als er een kleine verandering in de structuur is, kunnen polymeren eigenschappen sterk veranderen. Bijvoorbeeld, een amylose molecule bestaat uit vele glucose-eenheden, die zijn via α-(1,4) bindingen verbonden. Ze creëren een lange lineaire keten, dat onoplosbaar in water is. Amylopectine vertegenwoordigt een lange amylose keten met veel kortere ketens (takken), die met α-(1,6) bindingen verbonden zijn. Het is oplosbaar in water. Om zoveel mogelijk over de structuur en de relatie tussen moleculaire structuur en fysische eigenschappen te begrijpen, zullen wij dergelijke polysachariden te maken. Als je probeert om deze polymeren via de traditionele organische chemie te synthetiseren, is het erg moeilijk en tijdrovend. Maar als we natuur koperen en enzymen gebruiken wie katalysatoren bij de synthese, de reactie zeer eenvoudig is. Enzymen katalyseren specifieke dingen, zoals de vorming van α-(1,4) of α-(1,6) bindingen voor synthetische amylose en amylopectine analogen respectievelijk. Deze proefschrift concentreert zich op de enzymatische synthese van deze analogen en hun nauwkeurige karakterisatie met verschillende technieken. Verzamelde informatie worden gebruikt voor het ontrafelen van de delen van synthese mechanisme en kan in de toekomst voor beter begrip van natuurlijke polysachariden worden gebruikt. Polymers are molecules, which consist of many repeating units (monomers). Starch and glycogen are natural polymers, and they are all around us. We use them on a daily basis but we do not understand them completely. Even though these sugars are simple concerning what they are made of (the repeating unit is glucose), they are hard to characterize. If there is a slight change in structure, polymers’ properties can vary a lot. For instance, a molecule of amylose consists of many glucose units that are connected via α-(1,4) linkages creating a long linear chain, which is insoluble in water. Whereas amylopectin actually represents a long amylose chain with many shorter chains (branches) connected to it with α-(1,6) linkages, and it is soluble in water. In order to try to understand as much as possible about their structure and the relationship between molecular structure and the physical properties, the first steps are to create such polysaccharides. If you try to synthesize them via traditional organic chemistry, it is very hard and time consuming. Nevertheless if we copy nature and use enzymes as catalysts, the reaction is very easy. Enzymes catalyze specific things, like the formation of α-(1,4) or α-(1,6) linkages for synthetic amylose and amylopectin analogs respectively. This thesis concentrates on the enzymatic synthesis of these analogs and their meticulous characterization with various techniques. Gathered information are used for unraveling parts of the synthesis mechanism and can be used in future for improved characterization and apprehension of natural polysaccharides.

    The growth of an Austrasian identity

    No full text
    In de 6e en 7e eeuw was het koninkrijk der Franken opgedeeld in drie deelrijken die werden geregeerd door de Merovingische dynastie: Neustrië in het westen, Bourgondië in het zuidoosten en Austrasië in het noordoosten (Het zuiden van Francia was tussen deze drie koninkrijken verdeeld). Deze studie behandelt ontwikkelingen in en kenmerken van Austrasië en concludeert dat zich tussen 600 en 800 een specifieke Austrasische identiteit ontwikkelde die vervolgens de Karolingische periode sterk beïnvloedde. De kenmerken van Austrasië worden via drie benaderingen geanalyseerd: koningschap, de Austrasische omgang met het sacrale en de relatie tussen aristocraten en koningen. De analyse steunt vooral op narratieve bronnen, waar onder de Kroniek van Fredegarius (c. 660), de Annales Mettenses Priores (c. 805) en diverse heiligenlevens (Vitae Amandi I en II, Vita Arnulfi e.a.). Inzake koningschap volgt de studie de ontwikkeling van het concept van koningschap als een “ambt”, welke wordt geïllustreerd door Fredegarius’ waardering voor een degelijk Austrasisch koningschap, gedragen door aristocratische raadgevers. De Austrasische omgang met het sacrale – die bijdroeg aan een koningschap gericht op orthodoxie en correctheid – wordt gekenmerkt bij de constructie van een missionaire ideologie die een belangrijk element werd van de zelfperceptie van de Austrasiërs. Analyse van de relatie tussen Austrasische aristocraten en hun koningen toont de groeiende invloed van aristocraten op Austrasische koningen, die in de tijd waarin de macht overging van de Merovingers op de Karolingers het Frankisch koningschap hielp vormen. Deze ontwikkelingen betreffende koningschap, het sacrale en de positie van de aristocratie tonen hoe Austrasische koningen en hun aristocratische raadgevers, evenals Austrasische heiligen en kloosters bijdroegen aan de formatie van een Austrasische “Kulturraum”. In the 6th and 7th centuries the kingdom of the Franks was divided in three sub-kingdoms, ruled by the Merovingian dynasty: Neustria (West), Burgundy (Southeast) and Austrasia (Northeast). This study addresses developments in and characteristics of Austrasia, concluding that a specific Austrasian identity developed between 600 and 800, which later deeply influenced the Carolingian period. The characteristics of Austrasia are analyzed through three approaches: kingship, the way Austrasians dealt with the sacred, and the relationship between aristocrats and kings. The analysis uses mainly narrative sources, among which are the Chronicle of Fredegar (c. 660), the Annales Mettenses Priores (c. 805) and several saints’ Lives (Vitae Amandi I and II, Vita Arnulfi, others). Concerning kingship, the study traces the development of the concept of kingship as an “office”, which is illustrated by Fredegar’s approval of a decent Austrasian kingship, carried by aristocratic counselors. The Austrasian way of dealing with the sacred – while contributing to a kingship concerned with orthodoxy and correctness – is characterized by the construction of a missionary ideology which became an important element of the Austrasians’ self-perception. Analysis of the relationship between Austrasian aristocrats and their kings shows the growing influence of aristocrats on Austrasian kings, which at the time when power was passing from the Merovingians to the Carolingians helped form Frankish kingship. These developments regarding kingship, the sacred and the position of the aristocracy show how Austrasian kings and their aristocratic counselors, as well as Austrasian saints and monasteries, contributed to the formation of an Austrasian "Kulturraum”.

    Satisficing en optimizing in telefonische en face-to-face survey interviews

    No full text
    In dit onderzoek is het verschil tussen telefonische en face-to-face interviews onderzocht met betrekking tot satisficing en optimizing, waarbij de rol van de interviewer belangrijk is. De data die in dit onderzoek zijn gebruikt, zijn afkomstig van Nederlandse respondenten van de European Social Survey (ESS). Dit is een vragenlijst die via verschillende modi wordt afgenomen: face-to-face, telefonisch en via het web. De rol van de interviewer die belangrijk is in de hoofdvraag, is de reden dat er in dit onderzoek is gekozen voor face-to-face en telefonische interviews. Bij deze twee modi is zowel een respondent als een interviewer aanwezig, waardoor de verbale interactie tussen de interviewer en respondent nauwkeurig bestudeerd kan worden. Allereerst is een kwalitatieve analyse uitgevoerd om het gedrag van de respondent en interviewer in kaart te brengen. Aan de hand van de bevindingen uit de kwalitatieve analyse is het codeerschema voor de kwantitatieve analyse opgesteld. Vervolgens zijn in de kwantitatieve analyse drie hypotheses getoetst. De eerste hypothese was dat telefonische respondenten meer satisficing gedrag vertonen dan face-to-face respondenten. Hier is voor alle drie categorieën van satisficing geen significant verschil gevonden. De tweede hypothese was dat een interviewer vaker afwijkt van de vragenlijst in face-to-face interviews dan in telefonische interviews. Dit bleek wel significant. De laatste hypothese was dat respondenten vaker optimizing gedrag vertonen in face-to-face interviews dan in telefonische interviews. Hier waren geen significante verschillen te zien. Ten slotte is getoetst of het gedrag van de interviewer invloed heeft op het satisficing gedrag van de respondent. Hier is alleen een significant verschil gevonden voor don’t know antwoorden. De verschillen voor non-differentiation en acquiescence waren niet significant. Al met al heeft het onderzoek uitgewezen dat voor de interviewer geldt, dat hij aandacht moet besteden aan het combineren van rapport en de standaardisatie van de vragenlijst. Het is belangrijk dat interviewers de vraag zo voorlezen dat er absoluut geen interpretatie verschillen kunnen ontstaan, maar mee lachen met de respondent of kort in gaan op een uiting van een respondent moet geaccepteerd worden om zo de band tussen de respondent en interviewer te versterken.

    Anti EU(ro) Partij: Europese verkiezingen 2014

    No full text

    PvdD: Europese verkiezingen 2014

    No full text

    The effects of social comparison information on cancer survivors' quality of life

    No full text
    Kankerpatiënten vergelijken zich regelmatig met andere kankerpatiënten, meestal om zichzelf beter te voelen of om iets van de ander te leren. Dat doen ze ook in de vaak onzekere periode nadat de ziekenhuisbehandeling is afgerond. Om kankerpatiënten te ondersteunen is het mogelijk om hen dergelijke sociale vergelijkingen aan te bieden in interventies. In dit onderzoek zijn enkele sociale vergelijkingsinterventies ontwikkeld en is in drie veldexperimenten gekeken wat de effecten ervan waren op de kwaliteit van leven van kankerpatiënten. Het bleek dat de effecten van die sociale vergelijkingsinterventies verschilden onder kankerpatiënten: Bij sommige patiënten verbeterde de kwaliteit van leven terwijl deze bij anderen achteruit ging. Dit hing samen met verschillen in sociale vergelijkingsgevoeligheid en de eigen waargenomen gezondheid. In vervolgonderzoek werd rekening gehouden met deze individuele verschillen tussen kankerpatiënten; de interventie gaf hun nu sociale vergelijkingsinformatie die specifiek voor hen was ontworpen. Nu bleken er twee andere individuele verschillen van invloed op de effecten van de sociale vergelijkingsinterventie: verschillen tussen patiënten wat betreft hun huidige ervaren levensbedreiging en hun toekomstig gezondheidsperspectief. Bij psychosociale programma’s voor kankerpatiënten waarbij patiënten geconfronteerd worden met informatie van of over medepatiënten, zoals in lotgenotencontactgroepen, is het daarom belangrijk dat rekening gehouden wordt met individuele verschillen: Misschien moet het sommige patiënten afgeraden worden om mee te doen in dergelijke programma’s omdat het hun kwaliteit van leven kan verlagen. De inzichten uit de drie veldexperimenten kunnen bijdragen aan het ontwikkelen van effectievere psychosociale interventies, die geen negatieve effecten hebben. Cancer patients often compare themselves with other cancer patients, usually to make themselves feel better or to learn from the comparison target. They also do this in the often uncertain period after completion of the hospital treatment. In order to support cancer patients, it is possible to provide them with social comparison information in interventions. In this study, social comparison interventions were developed and in three field experiments the effects were examined on the quality of life of cancer patients. The conclusion was that the effects of the social comparison interventions were rather different for cancer patients: In some patients, the quality of life improved while it declined in others. This was due to differences in social comparison sensitivity and patients perceived health status. In a follow-up study the individual differences between cancer patients were taken into account; in this intervention patients received social comparison information that was specifically designed for them. Two other individual differences appeared to influence the effects of the social comparison intervention now: the differences between patients with regard to their current experienced life-threat and their future health perspective. In psychosocial programs for cancer patients it is therefore important to take individual differences patients into account when confronting them with information from, or about fellow patients, such as in peer support groups. Probably some patients should be advised not to participate in such programs because their quality of life may decrease. The insights from the three field experiments can contribute to the development of effective psychosocial interventions, which have no adverse effects.

    D66: Gemeenteraadsverkiezingen 2014, Den Haag

    No full text

    1,394

    full texts

    80,723

    metadata records
    Updated in last 30 days.
    University of Groningen Digital Archive
    Access Repository Dashboard
    Do you manage Open Research Online? Become a CORE Member to access insider analytics, issue reports and manage access to outputs from your repository in the CORE Repository Dashboard! 👇