12165 research outputs found
Sort by
The syntactic analysis of the Dutch absentive construction
This squib discusses Dutch absentive constructions like Jan is vissen ‘Jan is off fishing’. The literature on this construction so far has mainly paid attention to the meaning of the construction. This paper focuses on the syntactic analysis; two competing approaches will be compared according to which the verb zijn is, respectively, a copular verb and an auxiliary verb. It will be shown that the latter
approach is the correct one.
Feather mass and winter moult extent are heritable but not associated with fitness-related traits in a long-distance migratory bird
In birds, the allocation of resources to plumage production may have important fitness consequences. However, we have only a limited understanding of how plumage traits respond to natural selection, making it difficult to predict how variation in plumage traits may contribute to the adaptation of birds to environmental change. In this study, we collected plumage-related data in a pedigreed population of a long-distance migratory bird (the Pied Flycatcher Ficedula hypoleuca) to estimate the heritability of two plumage traits: feather mass (as a proxy of feather quality) and the extent of winter moult. We further explored whether these plumage features were associated with some fitness-related traits. Variation in plumage characteristics could be explained by differences in sex, age and year, which indicates a high degree of plasticity in these traits. After controlling for these effects, however, feather mass and winter moult extent were highly repeatable (r = 0.58–0.82) and heritable (h2 = 0.59–0.65), suggesting that additive genetic variation accounts for a significant proportion of the residual phenotypic variation of plumage traits in this population. Although the studied characteristics showed evolutionary potential, we did not find any relationship between plumage features and fitness-related traits like spring arrival date, egg-laying date, mating success or mating-time. We conclude that current selection on feather mass and moult extent, if existing, is weak, and that these moult-related traits are currently of minor importance for the adaptation of our study population to global warming.
Population change in Europe: turning challenges into opportunities
Population dynamics are a major driver of social change. European countries exhibit a wide variety of demographic trends and patterns which reflect their social, economic and cultural diversity and history. Increasing longevity and sustained low fertility spur rapid aging. Living longer, healthier and with smaller families also brings opportunities.Europe’s population is also becoming more diverse which may promote economic growth but can also strain social cohesion and deplete human resources in countries of emigration. Population growth has slowed down across Europe and population decline is becoming a reality for an increasing number of countries and regions. In addition, the declining potential workforce brings challenges to labour markets and economic growth. Emerging new demographic realities inEuropeare described. Demographic trends are shown to not play out the same everywhere. This rich demographic diversity needs to be taken into account by policymakers. The paper explores how to make the best use of the rich potential embodied in Europe’s population and proposes investing in people is a viable way to turn population challenges into opportunities and to break new ground in promoting a society for all generations and genders.
Lange termijn populatiedynamiek van de Blauwe Kiekendief op de Wadden: inzichten uit een geintegreerd populatiemodel.
De Blauwe Kiekendief Circus cyaneus is in Nederland als broedvogel bekend vanaf de tweede helft van de 19e eeuw (Schlegel 1852). Op de Waddeneilanden wordt pas sinds 1940 gebroed. De eerste vestiging vond plaats op Ameland en in 1946 werd Terschelling bezet (Brouwer & van Oordt 1940, Tanis 1963). Vanuit deze twee eilanden zijn vermoedelijk de andere Nederlandse (en Duitse) Waddeneilanden gekoloniseerd: Schiermonnikoog in 1954, Vlieland in 1970, Texel in 1978 en Rottum in 1991 (Bijlsma et al. 2001). Vanaf de jaren zeventig namen de aantallen in het Waddengebied sterk toe, om in de eerste helft van de jaren negentig een maximum te bereiken van ruim 100 broedparen. Daarna ging het echter snel weer bergafwaarts met de populatie, via ongeveer 70 paren rond de eeuwwisseling naar 46 in 2006. In 2012 resteerden nog maar 11 paren op de eilanden, en bleef Ameland alweer voor het vierde jaar op rij van broedende Blauwe Kiekendieven verstoken. De populatie op de Duitse Waddeneilanden vergaat het nauwelijks beter: de aantallen zijn sinds het maximum in 1997 bijna gehalveerd, van 55 naar ruim 30 broedparen in 2009 (Schroder et al. 2010). Als oorzaken van de afname zijn in de loop der jaren zowel afnemend broedsucces (van der Wal et al. 1999, Bijlsma et al. 2001, Bijlsma 2009) als lagere overleving (Lof 2000, Klaassen et al. 2006) genoemd, maar de achterliggende gegevensreeksen waren fragmentarisch of zijn inmiddels gedateerd.
De Blauwe Kiekendief staat op de Nederlandse Rode Lijst (van Beusekom et al. 2005). De leefgebieden in de duinen van Texel, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog zijn beschermd krachtens de Natuurbeschermingswet, want ze zijn mede op grond van de aantallen broedende Blauwe Kiekendieven aangewezen als Natura 2000-gebied (Sovon & CBs 2005). Vogelbescherming Nederland heeft de Blauwe Kiekendief opgenomen in achtereenvolgens de soortbeschermingsplannen voor moerasvogels (t/m 2004) en duin- en kustvogels. Tegen deze achtergrond is in 2004 gestart met een uitgebreid onderzoek om de oorzaken van de achteruitgang op de Waddeneilanden te achterhalen en om beschermingsmaatregelen te kunnen formuleren (Klaassen et al. 2006, de Boer & Klaassen 2007). De belangrijkste pijlers van het onderzoek zijn voedselecologie (voedselkeuze, prooiaanbod, foerageerhabitat) en demografie (broedsucces, overleving, dispersie). In dit artikel worden de beschikbare demografische gegevens op een rij gezet en geanalyseerd met behulp van een populatiemodel, om zo inzicht te krijgen in welke demografische parameters het verloop van de aantallen hebben bepaald. Hierbij gebruiken we ook de beschikbare aantals-, reproductie- en ringgegevens uit de periode voor 2004. Daartoe zijn diverse historische gegevens opgespoord en in een database ingevoerd.
Traditioneel bestaan diagnoses van de demografische mechanismen van populatieveranderingen uit afzonderlijke analyses van populatieomvang, reproductie en overleving. Met de geschatte waarden voor de demografische parameters wordt dan in een tweede stap een matrix-populatiemodel opgesteld. De door dit model voorspelde populatietrend wordt vervolgens vergeleken met de waargenomen trend. Op basis hiervan wordt beoordeeld of alle relevante demografische parameters in het model zijn opgenomen en welke het beste correleren met de waargenomen populatieveranderingen: wordt een populatieafname veroorzaakt door afnemend reproductiesucces, als gevolg van problemen in het broedgebied, of zit de crux juist in een toegenomen sterfte in het wintergebied? Recent is een nieuw type modellen beschikbaar gekomen, waarmee alle beschikbare gegevens tegelijkertijd worden geanalyseerd: de zogenaamde geintegreerde populatiemodellen (ipm's; Schaub & Abadi 2011). Hierbij worden nadrukkelijk ook de tellingen zelf meegenomen, omdat ook veranderingen in de populatieomvang informatie bevatten over de onderliggende demografische processen. Door ook die informatie te gebruiken kunnen de demografische parameters nauwkeuriger worden geschat. Hierdoor kunnen veranderingen en verbanden met omgevingsvariabelen zoals habitat of weersomstandigheden soms eerder worden opgespoord. Andere voordelen van ipm's ten opzichte van de traditionele aanpak zijn dat de onzekerheden rondom (metingen aan) populatieparameters op een nettere manier worden verdisconteerd in de resultaten en dat goed kan worden omgegaan met ontbrekende waarden in de dataset. Vaak kunnen zelfs populatieparameters waarvan in het veld niet gericht gegevens zijn verzameld toch worden geschat. Zo kunnen naast reproductie en overleving in principe ook emigratie en immigratie worden gekwantificeerd, processen die tot dusverre in de meeste studies buiten beschouwing bleven, onder de aanname dat de populatie 'gesloten' is en er geen uitwisseling met andere populaties plaatsvindt (Besbeas et al. 2002, Schaub & Amadi 2011).
In dit artikel worden de resultaten gepresenteerd van een eerste versie van een ipm voor de Blauwe Kiekendief op de Nederlandse Waddeneilanden. Het heeft betrekking op de periode 1970-2012. De resultaten hebben een enigszins voorlopig karakter, omdat het model in de nabije toekomst verder zal worden gespecificeerd en uitgebreid.