WODC Repository
Not a member yet
3500 research outputs found
Sort by
Comparative International Study on Professional Privilege (full text only available in Dutch)
Het doel van het onderzoek is om inzicht te bieden hoe Nederland en verschillende andere landen van de Raad van Europa (RvE) (Duitsland, Frankrijk, Zwitserland en Engeland en Wales) omgaan met de afweging tussen de belangen van vertrouwelijkheid, de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht enerzijds en de praktijk van handhaving, opsporing en vervolging anderzijds. Het onderzoek beoogt inspiratie en praktische handvatten te bieden. De onderzoeksvragen zijn: Hoe ziet het toepasselijke juridisch kader (zoals wetgeving, juridische beginselen, instructies, aanwijzingen, gedragsregels, toezicht op beroepsuitoefening, jurisprudentie) m.b.t. vertrouwelijke communicatie, geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht van advocaten, notarissen en/of vergelijkbare geheimhouders in een aantal andere RvE-landen eruit? Wat zijn de praktijkervaringen van betrokken partijen in de geanalyseerde RvE-landen met beroepen op het verschoningsrecht in het kader van handhaving, opsporing en vervolging? Hoe kunnen de gevonden verschillen tussen de landen onderling en in vergelijking met Nederland worden verklaard en gewaardeerd in het licht van het antwoord op de vraag hoe de afweging plaatsvindt tussen belangen van opsporing en vervolging enerzijds en het beginsel van vertrouwelijkheid anderzijds? Tot welke inspiratie en praktische handvatten leiden de uitkomsten van het onderzoek voor de afweging van genoemde belangen in wetgeving, beleid en in de praktijk in Nederland? INHOUD Inleiding Europees juridisch kader Nationaal kader Duitsland Zwitserland Frankrijk Het verschoninngsrecht in Engeland en Wales Rechtsvergelijking Slotbeschouwing en inspiratiepunte
Perspective of Dutch citizens on gambling: 2025 survey (full text only available in Dutch)
Onderzoek naar hoe Nederlanders van 16 jaar en ouder naar kansspelen en daaraan gelieerde thema’s kijken. De focus ligt zowel op het perspectief van spelers als op het perspectief van niet-spelers. Spelers worden verder onderverdeeld in spelers die zowel op een fysieke locatie als online spelen (online spelers) en zij die alleen deelnemen op fysieke locaties (niet-online spelers). Zodoende kan een vergelijking tussen verschillende groepen worden gemaakt en eventuele verschillen worden beschreven. De hoofdvraag van het onderzoek is: Welke perspectieven op kansspelen bestaan er onder spelers en niets-pelers, en welke ontwikkelingen hebben zich sinds de meting in 2024 voorgedaan? Op basis van de hoofdvraag zijn de volgende deelvragen opgesteld: Wat is de informatiebehoefte met betrekking tot de kansspelen? Daarbij gaat het zowel om de informatiebehoefte vanuit beleidsmatig opzicht, als vanuit relevante stakeholders. Welke perspectieven van spelers en niet-spelers bestaan er op deze thema’s? Welke ontwikkelingen in het perspectief op kansspelen hebben zich in het afgelopen jaar voorgedaan? INHOUD Inleiding Keuzes bij het gokken: frequentie, tijdstip, gezelschap en middelengebruik Redenen voor spelen Online kansspelen Problemen door gokken Houding ten aanzien van gokken en winstkans Perceptie van de risico’s van gokken Hulp en zorg RegelgevingThis investigation was to conduct a wide-ranging survey into the attitude of all Dutch citizens of 16 years and older towards gambling and related themes. The focus therefore is both on the perspective of players and on the perspective of non-players. The player group is further subdivided into players who play at a physical location and online (online players) and those who only participate at physical locations (non-online players). As a result, it is possible to draw a comparison between the two groups and describe the differences, if any. The main question that this study aims to answer is: What perspectives on gambling exist among players and non-players, and what developments have arisen since the 2024 survey
Data collection and sharing for research into online gambling
Doel van dit onderzoek is om de behoefte aan spelersdata voor onafhankelijk onderzoek met maatschappelijk en/of wetenschappelijk doel op het gebied van speelgedrag bij kansspelen te inventariseren. De onderzoekers bekeken of momenteel in deze behoefte wordt voorzien en zo niet, wat daarvoor de belangrijkste technische, juridische en organisatorische knelpunten zijn. Op basis hiervan worden oplossingsrichtingen gevormd, waarmee op termijn in (een groter deel van) de behoefte zou kunnen worden voorzien.The aim of this study is to identify the demand for access to data at the player level, for independent research with a social and/or scientific purpose in the field of gambling behaviour. The researchers investigate whether this demand is currently being met and, where it is not, what the most important technical, legal and organisational obstacles are. Based on these findings, solution directions are developed, through which (a larger part of) the demand could be met in the long term
Comparative legal analysis of access to justice of interest organizations in public interest litigation
In recent years, in the Netherlands various interest organizations have initiated public interest litigation against companies and the government. A key feature of such proceedings is that the litigating organization itself brings a legal action to protect the rights and interests of others. These actions typically seek non-monetary remedies, such as a court order or a declaratory judgment of unlawful conduct. In this report, the term public interest litigation refers to legal proceedings with these characteristics. Since 1994, the Dutch Civil Code (DCC) has included a legal provision for such procedures, laid down in article 3:305a DCC. On January 1, 2020, the Act on Collective Damages Claims (Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie, WAMCA) came into force, allowing for the initiation of collective damages claims. With the entry into force of the WAMCA, article 3:305a DCC was also amended. A major change is the introduction of the representativeness requirement. The revised article 3:305a DCC stipulates that in assessing admissibility in both public interest litigation and collective damages claims, the court must assess whether the litigating interest organization is sufficiently representative, considering its constituency and the scope of the claims represented. In 2023, a majority of the Dutch House of Representatives requested the government to explore to what extent additional representativeness requirements should be imposed on interest organizations with an ideological purpose. The government promised the House that it would investigate how neighboring countries deal with public interest litigation and what (representativeness) requirements they impose on the admissibility of interest organizations in those cases. This report presents the findings of that research.De afgelopen jaren zijn door belangenorganisaties verschillende ideële algemeenbelangacties tegen bedrijven en de overheid ingesteld. Kenmerkend aan dit soort procedures is dat de procederende belangenorganisatie zelf een rechtsvordering instelt om de rechten en belangen van anderen te beschermen. Daarbij vraagt zij om niet-geldelijke remedies, zoals een rechterlijk bevel en/of een verklaring voor recht van onrechtmatig handelen. Sinds 1994 bevat het Burgerlijk Wetboek (BW) een wettelijke regeling voor deze procedure, neergelegd in artikel 3:305a BW. Op 1 januari 2020 is de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA) in werking getreden; daarmee is het instellen van een collectieve schadevergoedingsactie mogelijk gemaakt. Met de inwerkingtreding van de WAMCA is ook artikel 3:305a BW aangepast. Een belangrijke aanpassing is de introductie van het representativiteitsvereiste. Het vernieuwde artikel 3:305a BW bepaalt onder meer dat de rechter bij de ontvankelijkheidsbeoordeling in een ideële algemeenbelangactie en collectieve schadevergoedingsactie beoordeelt of de procederende belangenorganisatie voldoende representatief is, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen. In 2023 heeft de meerderheid van de Tweede Kamer de regering verzocht om te verkennen in hoeverre voor belangenorganisaties met een ideëel doel op grond van artikel 3:305a BW nadere vereisten met het oog op de representativiteit gesteld moeten worden. Aan de Kamer is in dat verband toegezegd dat onderzocht wordt hoe ons omringende landen omgaan met ideële algemeenbelangacties en welke (representativiteits)eisen zij stellen aan deze organisaties. Dit rapport vormt de verslaglegging van dat onderzoek. Het onderzoek bestaat uit drie delen. Allereerst is de achtergrond en uitwerking van het representativiteitsvereiste in de Nederlandse wet en rechtspraak onderzocht. Eveneens is gekeken naar de Nederlandse literatuur over het representativiteitsvereiste. Ten tweede is de betekenis van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het Verdrag van Aarhus voor het representativiteitsvereiste onderzocht. Ten derde is de ontvankelijkheidsbeoordeling in algemeenbelangacties tegen de overheid in België, Duitsland, Engeland & Wales, Frankrijk, Noorwegen en Zweden onderzocht. INHOUD Introductie Nederlandse context: artikel 3:305a BW Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens & het Verdrag van Aarhus Bevoegdheden van belangenorganisaties in de onderzochte jurisdicties Systematiek van de ontvankelijkheidsbeoordeling Representativiteit bij de ontvankelijkheidsbeoordeling Conclusie De link bij 'Externe Link' gaat naar het rapport dat november 2025 over de WAMCA verschenen is, Vijf jaar WAMCA - Evaluatie Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (2020-2025) (projectnr 3520A)
Een eerste verkenning
Belangrijke punten uit deze factsheet Oekraïense vluchtelingen mogen zich vrij vestigen in Nederland. Het merendeel van de groep woont in de gemeentelijke opvanglocaties (GOL’s). Zij zijn goed in beeld bij hulpverleners en gemeenten. Deze factsheet schetst een eerste beeld van de mensen die buiten de opvanglocaties wonen. 10% van de Oekraïense vluchtelingen woont in een eigen huur- of koopwoning (vaak samen met een partner). Deze groep doet het in economisch opzicht goed. Zij hebben vaak een baan, en werken op een hoger beroepsniveau dan andere Oekraïners. 6% woont bij familie of vrienden. Dit zijn vaak oudere Oekraïners, regelmatig al gepensioneerd. Zij werken minder vaak en hebben ook minder sociale contacten in Nederland. 4% woont in een woning beschikbaar gesteld door de werkgever. Van deze groep werkt logischerwijs vrijwel iedereen, vaak in praktische banen. Oekraïners die bij familie/vrienden of bij de werkgever wonen, zijn daar meestal direct bij aankomst in Nederland gaan wonen. Oekraïners die zelfstandig wonen hebben die stap vaak pas later gemaakt. De hulpbehoefte van mensen die buiten de GOL wonen, is lager dan bij mensen die in de GOL wonen. De mentale gezondheid is vergelijkbaar. Uit deze eerste verkenning komen geen signalen naar voren dat deze groepen onvoldoende toegang hebben tot ondersteuning. Mogelijk kan dit anders zijn voor Oekraïners die later aankwamen en noodgedwongen buiten de GOL wonen
What moves them - Research into explanatory factors of nuisance and criminal behaviour of COA residents (full text only available in Dutch)
Om de onderliggende factoren van overlast en criminaliteit buiten COA-opvanglocaties beter in beeld te krijgen en oplossingsrichtingen te kunnen bieden van doorontwikkeling van de aanpak van het probleem zijn verschillende onderzoeksvragen geformuleerd. Deze onderzoeksvragen zijn in drie clusters onderverdeeld. Cluster 1: Vragen rondom de factoren van overlast en criminaliteit van COA-bewoners Welke factoren liggen ten grondslag aan verschillende vormen van overlast en crimineel gedrag van COA-bewoners? Hoe ervaren en duiden COA-bewoners die verantwoordelijk worden gehouden voor overlast en/of crimineel gedrag hun eigen handelen, de omstandigheden waarin dit gedrag plaatsvond, en de reacties daarop? Cluster 2: Kenmerkende verschillen tussen overlastgevende/criminele COA-bewoners en COA-bewoners die geen overlast/criminaliteit plegen In welk(e) opzicht(en) verschilt de groep COA-bewoners die crimineel gedrag en overlast veroorzaken van andere groepen COA-bewoners? Waaruit bestaat eventuele multiproblematiek onder COA-bewoners die overlast creëren en/of crimineel gedrag vertonen en in hoeverre onderscheidt zich dit van de multiproblematiek van niet-overlastgevende COA-bewoners? Wat zijn, voor de groep COA-bewoners die crimineel gedrag vertonen, de afwegingen geweest om asiel aan te vragen en in hoeverre onderscheidt zich dit van de drijfveren van niet-overlastgevende COA-bewoners? Welk procedureel pad hebben overlastgevende en/of criminele COA-bewoners afgelegd? Cluster 3: Kwalitatieve evaluatie van de aanpak van overlast en criminaliteit Waaruit bestaat de aanpak van overlast en criminaliteit buiten de COA-opvanglocaties en welke organisaties zijn hierbij betrokken? Hoe wordt de bestaande aanpak ervaren door betrokken partijen? Welke eventuele knelpunten komen zij tegen en hoe zouden deze kunnen worden opgelost? In hoeverre sluit de aanpak van overlast en criminaliteit aan bij de vastgestelde factoren en drijfveren van de overlastgevende en criminele COA-bewoners? Wat kan op basis van de onderzoeksresultaten worden gezegd over mogelijk effectieve (preventieve en repressieve) maatregelen om overlast en criminaliteit onder COA-bewoners terug te dringen? INHOUD Inleiding Methoden van onderzoek Literatuuronderzoek Geconstateerde problematiek Landelijke factoren Lokale factoren Individuele factoren De aanpak van overlast en criminaliteit Conclusie en reflecti
5e herziene versie
Dit memorandum bespreekt de methodiek voor het meten van recidive, zoals ontwikkeld en toegepast door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum. Het document is een herziene versie van Memorandum 2011-3, getiteld ‘De WODC-Recidivemonitor’ (Wartna et al., 2011). INHOUD Inleiding Gegevensbronnen recidiveonderzoek WODC Verwerken brondata tot recidivebestand Definities van recidive Toepassing van recidivemehtodiek in WODC-onderzoe
Research into target groups for multi-parenthood and multi-person authority in the Netherlands (full text only available in Dutch)
Lang niet alle kinderen groeien meer op in een traditioneel tweeoudergezin. Door scheidingen ontstaan bijvoorbeeld gezinnen met stiefkinderen en -ouders. Ook kiezen sommige ouders er bewust voor om kinderen te krijgen en op te voeden met meer dan twee volwassenen. In 2016 heeft de Staatscommissie Herijking Ouderschap geadviseerd om te komen tot een wettelijke regeling voor meerouderschap en meerpersoonsgezag. Voordat overgegaan kan worden tot nieuwe wetgeving omtrent meerouderschap en meerpersoonsgezag is eerst meer inzicht nodig in de (potentiële) doelgroep voor deze eventuele wetgeving. Dit is enerzijds van belang om inzicht te krijgen in de uitvoeringsconsequenties (de juridische complexiteit); hoe groter en diverser de groep hoe groter de implicaties voor de uitvoering. Anderzijds geeft inzicht in de omvang en diversiteit van de doelgroep ook aan hoe groot de groep is die tegen problemen aanloopt en geeft het inzicht of dat afdoende afgedekt wordt met eventuele nieuwe wetgeving. De onderzoekers brengen in dit rapport de potentiële doelgroep voor wetgeving over meerouderschap en meerpersoonsgezag in beeld. Onderzoeksvragen Welke potentiële doelgroepen kunnen worden onderscheiden voor een wettelijk regeling voor meerouderschap en meerpersoonsgezag? Wat is de omvang van de potentiële doelgroepen die kunnen worden onderscheiden? Welk deel van de potentiële doelgroep had voor conceptie al het plan om het kind in een meeroudergezin te laten opgroeien? Wat zijn de kenmerken van deze potentiële doelgroepen? (demografisch, moment ontstaan meeroudergezin en andere kenmerken die relevant kunnen zijn voor de wettelijke regeling) Welke knelpunten worden op dit moment ervaren door de potentiële doelgroepen en hun omgeving? Welk deel van de potentiële doelgroep heeft voor conceptie al afspraken op papier gemaakt? Welk deel van de potentiële doelgroepen verwacht mogelijk gebruik te maken van een wettelijke regeling als deze wordt geïntroduceerd? INHOUD Inleiding Doelgroepen en populatiegrootte Opvoeding en ouderschap/gezag Wensen voor wettelijke regelingMany children no longer grow up in a traditional two-parent family. For example, divorces create families with stepchildren and stepparents. There are also parents who consciously choose to have and raise children with more than two adults. Currently, the Dutch law still assumes a maximum of two parents and two people with parental authority over a child. The Dutch Government Commission for Reassessment of Parenthood has recommended offering the possibility of granting legal parenthood and parental authority to a maximum of four parents1. The WODC has asked Ipsos I&O to conduct research into the potential target group for legislation on multi-parenthood and multi-person authority in the Netherlands. In this chapter, we present the most important research results and conclusions of this study based on the research questions
Psychological violence in criminal law - An exploratory study of the criminal law approach to psychological violence (full text only available in Dutch)
De strafrechtelijke aanpak van psychisch geweld krijgt steeds meer aandacht in de Nederlandse politiek en samenleving. Zo wordt een wetsvoorstel voor aparte strafbaarstelling van psychisch geweld voorbereid. Dit onderzoek richt zich nog altijd primair op het huidige verloop van de strafrechtelijke aanpak van psychisch geweld, maar het toekomstscenario waarin sprake is van een aparte strafbaarstelling, is ook meegenomen in het onderzoek. Centrale vraag van dit onderzoek: Hoe verloopt de strafrechtelijke aanpak van psychisch geweld? INHOUD Inleiding Het juridisch kader Het begrip ‘psychisch geweld’ Verloop van psychisch geweldzaken Kennis en middelen Aparte strafbaarstelling Conclusies en aanbevelinge
Obligation to appear in court: Framework for evaluation (full text only available in Dutch)
Het Nederlandse strafrecht kent in principe geen verplichting voor verdachten om tijdens rechtszittingen te verschijnen. Dit is anders voor minderjarige verdachten en hun ouders, alsmede voor getuigen, waarvoor in Nederland in principe wel wordt uitgegaan van een verplichting tot verschijnen. Over de vraag of het voor bepaalde ernstige feiten niet aangewezen zou zijn om een verschijningsplicht voor verdachten in te voeren is sinds de jaren 1990 af en aan discussie gevoerd in het parlement. Dit veranderde in 2017 toen de verschijningsplicht opgenomen werd in het regeerakkoord. De verplichting werd onderdeel van het voorstel voor de Wet Uitbreiding Slachtofferrechten (WUS), dat in 2018 het licht zag. De evaluatie is gesplitst in twee fasen. Om te beginnen dient er een evaluatiekader worden opgesteld. Dit rapport gaat in op die eerste fase, het evaluatiekader. Onderzoeksvragen Welke zogeheten werkzame bestanddelen worden verondersteld in de verschijningsplicht (reconstructie van de beleidslogica) en welke indicatoren kunnen op basis hiervan worden onderscheiden? Zijn er indicatoren die niet samengesteld kunnen worden uit bestaande registratiedata, maar die gezien de beleidslogica wel onmisbaar zijn voor de evaluatie, en zo ja, welke? Op welke wijze kunnen (in 2026) plausibele uitspraken worden gedaan over de doeltreffendheid en de effecten van de verschijningsplicht? INHOUD Algemene inleiding Het debat rond de verschijningsplicht De beleidslogica achter de verschijningsplicht Indicatoren en informatiebronnen Onderzoeksdesign Slotbeschouwin