WODC Repository
Not a member yet
3500 research outputs found
Sort by
Rijden onder invloed van drugs deel 2: onderzoek naar de werkprocessen en speekseltester, condities rondom opslag en transport van bloed en informatieopslag
With effect from 1 July 2017, Article 8 of the Road Traffic Act has been expanded with paragraph 5 to better tackle driving under the influence of drugs – or as we call here: drugged driving. This can contribute to increasing road safety. The amendment to the law provides, among other things, for a set of instruments with which the police and the judicial authorities can more easily determine the use of drugs. The police are thus authorized to test road users for drug use by means of a saliva drug tester and by examining the psychomotor functions and eye and speech functions (by means of a psychomotor test or PMT).The research has the following threefold problem definition (main questions) that are subsequently elaborated into research questions:How is the drug testing process going?What requirements should be set for the storage and transport of blood taken as part of a drug test, so that the degradation in the quantities of substances does not lead to the result being wrongly below the limits of the tested drugs?What information is needed for the evaluation of the law in five years and is this information collected and stored in current practice?Per 1 juli 2017 is artikel 8 van de Wegenverkeerswet uitgebreid met lid 5 om het rijden onder invloed van drugs beter aan te pakken. Dit kan bijdragen aan het vergroten van de verkeersveiligheid. De wetswijziging voorziet onder andere in een instrumentarium waarmee politie en justitie het gebruik van drugs eenvoudiger kunnen vaststellen. Daarmee is de politie bevoegd om verkeersdeelnemers te testen op drugsgebruik door middel van een speekseltester en door onderzoek van de psychomotorische functies en oog- en spraakfuncties (middels een psychomotorische test oftewel PMT). 1 Bij een positieve uitslag op de speekseltester of PMT volgt een bloedonderzoek. Als op basis van het bloedonderzoek de concentratie drugs boven de bij AMvB vastgestelde grenswaarde blijkt te liggen of bij gecombineerd gebruik van drugs of van één of meer drugs en alcohol boven de daarvoor vastgestelde grenswaarde uitkomt, is er sprake van een strafbaar feit. Het onderzoek kent de volgende drieledige probleemstelling (hoofdvragen) die vervolgens zijn uitgewerkt in onderzoeksvragen: Hoe verloopt het proces van het testen op drugs in het verkeer? Welke eisen dienen aan opslag en transport van bloed, afgenomen in het kader van een drugstest, te worden gesteld opdat de afbraak in de hoeveelheden stoffen er niet toe leidt dat de uitslag onterecht beneden de grenswaarden van de geteste drugs komen te liggen? Welke informatie is voor de evaluatie van de wet over vijf jaar nodig en wordt deze informatie in de huidige praktijk verzameld en opgeslagen? INHOUD: 1. Inleiding 2. Procesbeschrijving 3. Politie 4. NFI (& andere geaccrediteerde laboratoria) 5. OM 6. Opslag en transport van bloed 7. Benodigde gegevens wetsevaluatie 8. Conclusie
Heeft een aparte afdeling voor weigerende verdachten zin?
The present study involves the process- and effect evaluation of a special ward for defendants who refuse to participate in pre-trial forensic psychiatric evaluation in the Pieter Baan Centre (PBC). The PBC is a detention center in the Netherlands in which defendants accused of committing a serious crime are examined for possible mental disorders related to the crime. The aim of the study was to contribute to the solutions of the problem of defendants refusing pre-trial evaluation.Het onderhavige onderzoek betreft de proces- en effectevaluatie van een speciale afdeling in het Pieter Baan Centrum (PBC) voor weigerende verdachten in het Pro Justitia (PJ-)onderzoek. Het beoogt daarmee een bijdrage te leveren aan de oplossing voor de problematiek van de weigerende verdachten. De doelstelling van het onderzoek is drieledig en luidt: Het vaststellen van de effectiviteit van de speciale afdeling voor weigerende verdachten, Unit 3, die voor de duur van een jaar in het PBC is opgericht. De effectiviteit wordt met name vastgesteld aan de hand van de onderzoeksopbrengst, de mate waarin de PJ-vragen zijn beantwoord. Voor het huidige onderzoek is de onderzoeksopbrengst geoperationaliseerd als de hoeveelheid bruikbare informatie in de beantwoorde vragen en/of de hoeveelheid beantwoorde vragen in de PJ-rapportage. Het bepalen van de factoren die mogelijk samenhangen (positief dan wel negatief) met de onderzoeksopbrengst van de speciale afdeling voor weigerende verdachten. Het analyseren van de manier waarop eventuele succesfactoren kunnen worden geïntegreerd in het reguliere observatieproces van het PBC. INHOUD: 1. Inleiding 2. Procesevaluatie 3. Effecten Unit 3 4. Slothoofdstu
Patronen en determinanten van vervolgmigratie en remigratie onder asielmigranten, cohort 1995-1999
Sinds 2014 heeft Nederland opnieuw te maken met een substantiële instroom van asielzoekers, van wie een belangrijk deel in aanmerking is gekomen voor een verblijfsvergunning. Een belangrijke vraag die zich momenteel voordoet, is hoe de positie van de nieuwe vergunninghouders zich de komende jaren zal ontwikkelen. Een van de vragen die daarbij gesteld kunnen worden, is in hoeverre zij zich blijvend in Nederland zullen vestigen.De volgende onderzoeksvragen staan in dit rapport centraal: Hoe groot was het aandeel emigranten tot en met 31 december 2015 onder vergunninghouders met een asielachtergrond uit het cohort 1995-1999 en wat voor type emigratie betrof het (remigratie dan wel vervolgmigratie)? Op welke achtergrondkenmerken verschillen de vergunninghouders die emigreerden (uitgesplitst naar type emigratie) van de vergunninghouders die eind 2015 nog, of weer, in Nederland woonden? Welke achtergrondkenmerken van de vergunninghouders zijn voorspellers van emigratie uit Nederland in de vorm van remigratie, vervolgmigratie en administratieve verwijdering met onbekende bestemming
Rapportage in het kader van de vijfde ronde van de Monitor Georganiseerde Criminaliteit
This report is the result of the most recent, fifth data sweep of the Monitor (pre-vious reports: Kleemans et al., 1998, 2002; Van de Bunt and Kleemans, 2007; Kruisbergen et al., 2012). To enable us to explore specific themes in more depth, we have chosen to write three separate sub reports. The first sub report was published in October 2017 and focused on the judicial processes regarding organised crime cases, in particular the punishments requested and imposed (Van Wingerde and Van de Bunt, 2017). The second sub report was published in 2018 and related to the use of ICT (information and communication technology) by organised crime offenders (Kruisbergen et al., 2018). The third sub report focuses on the offenders themselves. It explores the following topics: the criminal careers of organised crime offenders, how the interconnectedness with their environment enables them to protect their criminal activities, and investigative action towards offenders. Organised crime can only have a harmful impact if offenders manage to defy law enforcement activities. This may take the form of offenders avoiding the attention of the criminal investigative services for long periods of time, but it might also involve offenders who, despite previous prison sentences, for example, continue to pursue their criminal activities. Moreover, the fact that offenders are facilitated by, or at least not significantly hindered by, their environment, plays an important role in the ability of offenders to defy law enforcement activities.Dit rapport is het resultaat van de meest recente, vijfde ronde van de monitor georganiseerde criminaliteit. Om dieper op bepaalde thema’s in te kunnen gaan, is ervoor gekozen om de vijfde ronde uit te laten monden in drie afzonderlijke deelrapporten. In oktober 2017 is het eerste deelrapport verschenen (Van Wingerde & Van de Bunt, 2017). Dat rapport richtte zich op de strafrechtelijke afhandeling van georganiseerde criminaliteit, met name de geëiste en opgelegde straffen. Het tweede deelrapport verscheen in 2018 en behandelde het gebruik van ICT (informatie- en communicatietechnologie) door dadergroepen in de georganiseerde criminaliteit (Kruisbergen e.a., 2018). In het derde deelrapport staan daders centraal. Het behandelt de volgende onderwerpen: de criminele carrière van daders in de georganiseerde criminaliteit; hoe de verwevenheid van daders met hun omgeving hen in staat stelt hun criminele activiteiten af te schermen; en de opsporing van de daders. Georganiseerde criminaliteit kan haar schadelijke werking alleen maar hebben wanneer daders de aanpak in zekere zin weten te trotseren. Dat ‘trotseren’ kan bestaan uit het langdurig buiten beeld blijven van de opsporing, maar het betreft ook daders die ondanks intensieve aandacht van justitie en politie doorgaan met criminele activiteiten. Het ‘trotseren’ wordt bovendien mogelijk gemaakt doordat de omgeving van daders hen faciliteert of op zijn minst niet te veel hindert. INHOUD: 1. Inleiding 2. Criminele carrières in de georganiseerde criminaliteit 3. De afscherming van daders en hun criminele activiteiten 4. Opsporing van georganiseerde criminaliteit 5. Slotbeschouwin
Effectiviteit van de ISD-maatregel - 2e replicatie
In the Netherlands, it has been possible since October 2004 to issue a custodial order for high frequent frequent offenders, referred to in Dutch as an ISD-maatregel (i.e. ‘institution for high frequent offenders’). This measure is intended for adult high frequent offenders, typically of more minor crimes, for whom the standard penalties such as brief custodial sentences have proven ineffective. The Research and Documentation Centre (WODC) has twice previously evaluated the ‘ISD-maatregel’ in terms of their effectiveness on recidivism (in terms of reconviction) following release and the incarceration effect (also known as the incapacitation effect). This study involves the replication of a number of extensions on the previous impact studies (see: links). Research topics include the recidivism of new cohorts leaving custody in 2011-2014, while methodological innovations have been implemented to combat potential bias in the estimates and the correlation between forensic care and recidivism will be assessed. Also considered was whether it is possible to determine the impact of an ‘ISD-maatregel’ for high frequent offenders on rehabilitation aspects.Sinds oktober 2004 kan in Nederland aan veelplegers de maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders, kortweg de ISD-maatregel, worden opgelegd. De maatregel is bedoeld voor zeer actieve volwassen veelplegers (ZAVP) van veelal lichtere misdrijven bij wie het opleggen van standaardstraffen zoals de korte vrijheidsstraf geen zin blijken te hebben. Het WODC heeft de maatregel tweemaal eerder geëvalueerd in termen van effectiviteit op recidive na uitstroom en het insluitingseffect (ook wel het incapacitatie-effect genoemd) (zie links bij: Meer informatie).Dit onderzoek omvat een replicatie van en een aantal uitbreidingen op de voorgaande effectonderzoeken. Onder andere wordt de recidive van nieuwe cohorten uitgestroomd in de periode 2011 tot en met 2014 onderzocht, zijn er methodologische vernieuwingen doorgevoerd om mogelijke vertekeningen in de schattingen tegen te gaan en is de samenhang van forensische zorg met recidive geschat. Ook is bekeken of het effect van ISD op resocialisatiekenmerken kan worden bepaald. In dit onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: In hoeverre is de ISD-maatregel effectief in het reduceren van recidiveprevalentie en -frequentie onder de uitstromers in de periode 2007 tot en met 2014? Wat is het incapacitatie-effect van de ISD-maatregel in termen van strafzaken voor verblijven geëindigd in de periode 2007 tot en met 2016 en zijn er verschillen over de tijd? Welke verschillen zijn er in recidive tussen uitstromers voor en uitstromers na 2009-2010?Verschilt het effect op recidive naar kenmerken van de ISD’ers uitgestroomd in de periode 2011 tot en met 2014? Is het mogelijk de samenhang van de ISD-maatregel met resocialisatiekenmerken, zoals werk, inkomen, en schulden te onderzoeken? Recidiveren ISD’ers die forensische zorg hebben gehad minder dan ISD’ers die geen forensische zorg hebben gehad
Snelheid, roodlichtnegatie, alcohol en afleiding
The main question of the research is: What is the effect on compliance with traffic regulations by motorists and motorcyclists of the various enforcement actions which take place within the national priorities? This provided the following research questions:To what extent are motorists and motorcyclists familiar with locations of enforcement actions?Is compliance higher on routes or at locations where enforcement measures are in place compared to those routes or locations without such measures?Does having had a warning or a penalty imposed following a traffic violation influence compliant behaviour in motorists and motorcyclists?Does compliance differ according to whether a road-user is caught by means of a mobile speed trap, speed check zone, speed camera or being pulled over?Which future developments could have consequences for enforcement actions and compliance of motorists and motorcyclists?De hoofdvraag van het onderzoek is: Wat is het effect van de diverse handhavingsactiviteiten die onder de landelijke prioriteiten vallen op de naleving van verkeersregels door automobilisten en motorrijders? De volgende onderzoeksvragen zijn hieruit gedestilleerd: In welke mate zijn automobilisten en motorrijders bekend met plekken waar gehandhaafd wordt? Is de naleving hoger op trajecten/plekken waar handhavingsmiddelen actief zijn vergeleken met trajecten/plekken waar zij niet actief zijn? Heeft het verkrijgen van een waarschuwing of sanctie na het begaan van een overtreding invloed op de naleving van automobilisten en motorrijders? Verschilt de naleving wanneer een weggebruiker betrapt wordt bij een mobiele radarset, trajectcontrole, flitspaal of staandehouding? Welke toekomstige ontwikkelingen zouden gevolgen kunnen hebben voor handhaving en de naleving van automobilisten en motorrijders? INHOUD: 1. Inleiding 2. Interviews 3. Literatuurscan 4. Praktijkonderzoek 5. Naleving, motieven en kennis over handhavingsinspanningen 6. Het effect van sancties op de naleving 7. Conclusie
Evaluatie pilot multidisciplinaire advisering slachtofferschap mensenhandel
We present the main findings of the research into the pilot project of the multidisciplinary committee advising on the victimhood of human trafficking. This process evaluation aimed to investigate the extent to which the committee could assess the plausibility of victimhood of human trafficking and whether the committee’s expert opinion would be of added value to the victim and other parties involved.Teneinde de erkenning van slachtoffers van mensenhandel meer los te koppelen van het strafproces, is op 1 januari 2018 een pilot gestart, uitgevoerd door het Schadefonds Geweldsmisdrijven (SGM), waarbij een onafhankelijke multidisciplinaire commissie mensenhandel een deskundigenbericht uitbrengt over de aannemelijkheid van slachtofferschap van mensenhandel. Het doel van de pilot is om na te gaan of de commissie daadwerkelijk de aannemelijkheid van slachtofferschap kan beoordelen en wat de toegevoegde waarde is van het deskundigenbericht voor betrokkenen (slachtoffers en derden). Parallel aan de uitvoering van de pilot dient een procesevaluatie te worden uitgevoerd ten behoeve van nadere gedachtenvorming over voortzetting van de pilot. INHOUD: 1. Inleiding 2. Opzet pilot en procedure 3. Aanvragen en ervaringen met de procedure 4. Inhoud en waarde deskundigenberichten 5. Samenvatting en conclusie 7. Summar
Een studie naar de samenhang tussen kennis, gelegenheid, motivatie en online gedrag van Nederlanders
Knowledge about how citizens behave online and how they (might) defend themselves against online crime is scarce. To date, it is unknown in which ways Dutch citizens behave online and how they protect themselves against online crime, in part because how people say they behave online is not always the same as how people actually behave online. However, such knowledge is indispensable as empirical support for interventions aimed at influencing behaviour. It is necessary to gain greater insight into the ways in which Dutch citizens behave online and which factors are related to their behaviour. The aim of this research is therefore to discover how Dutch citizens behave online and to explain their online behaviour based on factors that have emerged from the literature, in order to take an initial step towards developing interventions that make Dutch citizens safer online. The main question of this report is: How safely do Dutch citizens behave online and how can this be explained?Kennis over hoe burgers zich online gedragen en hoe zij zich (kunnen) weren tegen online criminaliteit is schaars. Het is tot op heden onbekend hoe Nederlanders zich online gedragen en beschermen tegen online criminaliteit, onder andere omdat hoe mensen zeggen zich online te gedragen niet altijd hetzelfde is als hoe mensen zich daadwerkelijk online gedragen. Voor het empirisch onderbouwen van eventuele interventies op gedrag is dergelijke kennis echter onontbeerlijk. Het is daarom noodzakelijk om meer inzicht te krijgen in de wijze waarop Nederlanders zich online gedragen en welke factoren hiermee samenhangen. Het doel van dit onderzoek is dan ook om in kaart te brengen hoe veilig Nederlanders zich online gedragen en dit te verklaren aan de hand van uit de literatuur naar voren gekomen factoren. Hiermee kan een eerste aanzet worden gegeven om interventies te ontwikkelen om Nederlanders zich online veiliger te laten gedragen. De hoofdvraag van dit rapport is: “Hoe veilig gedragen Nederlanders zich online en hoe kan dit worden verklaard?” INHOUD: 1. Inleiding 2. Onderzoeksvragen en -methoden 3. Literatuurstudie naar cybergedrag 4. Naar een meetinstrument om cybergedrag te meten 5. Resultaten 6. Discussi
Ontwikkeling van een vragenlijst voor de bevolking van 16 jaar en ouder
The Justice Ministry’s Scientific Research and Documentation Centre (WODC) asked Rutgers to develop the module for the section on sexual violence. This is a set of questions that can measure as validly as possible the nature and extent of online and offline victimization of sexual intimidation and sexual violence among the population of 16 years and older.Het WODC heeft Rutgers gevraagd om de module te ontwikkelen voor het deel over seksueel geweld: een set vragen waarmee eens in de twee jaar de aard en omvang van online en offline slachtofferschap van seksuele intimidatie en geweld onder de bevolking van 16 jaar en ouder kan worden gemeten. In dit rapport volgt een gedetailleerd verslag van het ontwikkelproces van deze module. De probleemstelling is als volgt geformuleerd: Hoe kunnen aard en omvang van (online en offline) slachtofferschap van seksuele intimidatie en geweld onder de 16 bevolking zo valide mogelijk worden gemeten? De te ontwikkelen module moet ervaringen met verschillende vormen van grensoverschrijding en de context hiervan uitvragen en passen bij de in de andere module (huiselijk geweld) voorgestelde methodiek
Achtergronden van positieverschillen tussen Syrische statushouders
Syriërs zijn getalsmatig de grootste groep statushouders die de afgelopen jaren in Nederland zijn komen wonen. Hun leven staat in het teken van het opbouwen van een nieuw bestaan in Nederland. Met dit rapport wordt inzicht geboden in de vroege integratie van Syriërs. Zes onderwerpen staan centraal: gezinshereniging en verhuisgedrag, intenties om in Nederland te blijven, psychische gezondheid, zorggebruik, diversiteit in participatie en sociaal-culturele posities. Er wordt ingegaan op de factoren die verschillen kunnen verklaren binnen de Syrische groep en kenmerkend zijn voor statushouders die nog maar kort in Nederland verblijven: het leven vóór de migratie, ervaringen gedurende de vlucht, de verblijfsperiode in de opvang en de periode daarna. CONTENT: 1. Inleiding - E. Miltenburg, J. Dagevos en W. Huijnk (SCP) 2. Dynamiek in de demografie van Syrische statushouders - N. Boot en Z. Driessen (CBS) 3. Verblijfsintenties van Syrische statushouders n Nederland - S. Noyon en M. Maliepaard (WODC) 4. Inzicht in psychische ongezondheid - A. Wijga (RIVM), M. Maliepaard (WODC), W. Huijnk (SCP) en E. Uiters (RIVM) (m.m.v. E. Bloemen, arts, adviseur/trainer bij Pharos) 5. Zorggebruik in beeld - W. Huijnk (SCP), E. Uiters (RIVM) en A. Wijga (RIVM) 6. Variatie in participatie - E. Miltenburg en J. Dagevos (SCP) 7. Een sociaal-culturele typologie van Syrische statushouders - R. Damen en W. Huijnk (SCP). Lees het persbericht van het SCP met de belangrijkste conclusies van dit onderzoek of lees het volledige rapport 'Opnieuw beginnen; achtergronden van positieverschillen tussen Syrische statushouders' op de website van het SCP. Zie link: Syriërs in Nederland: een studie over de eerste jaren van hun leven in Nederland (2018