WODC Repository
Not a member yet
3500 research outputs found
Sort by
Plan evaluation community justice in The Netherlands (full text only available in Dutch)
Dit rapport doet verslag van de resultaten van het eerste in een reeks van drie evaluatieonderzoeken naar wijkrechtspraak in Nederland, een initiatief waarmee de Rechtspraak in 2018 is gestart. Wijkrechtspraak is een laagdrempelige en kleinschalige vorm van rechtspraak in de wijk die erop is gericht een bijdrage te leveren aan de toegankelijkheid van de rechtspraak en de oplossing van (vaak meervoudige) problematiek van verdachten of rechtzoekenden in die wijk. De drie onderzoeken zijn erop gericht de ervaringen met deze vorm van rechtspraak te evalueren. Het gaat achtereenvolgens om een planevaluatie, een procesevaluatie en een effectevaluatie. In deze planevaluatie staat de vraag centraal welke beleidstheorie ten grondslag ligt aan de wijkrechtspraakplannen en of deze consistent is met inzichten verkregen uit wetenschappelijk onderzoek.Daartoe zijn de projectplannen geanalyseerd van de wijkrechtspraakprojecten in Eindhoven, Rotterdam, Amsterdam, Tilburg en Den Haag. Verder zijn interviews gehouden met projectgroepen en verantwoordelijke bestuurders en is de relevante wetenschappelijke literatuur in kaart gebracht. INHOUD Inleiding Algemene doelstellingen en werkwijze wijkrechtspraak Analyse beleidstheorie wijkrechtspraak Conclusies Wijkrechtbank Eindhoven Wijkrechtspraak op Zuid (Rotterdam) Buurtrechter Venserpolder (Amsterdam) Wijkrechtspraak Tilburg Wijkrechtspraak Den HaagThis report presents the results of the evaluation study on the plans underlying to community justice in The Netherlands. Community justice is a low-threshold and smaller-scale form of justice that aims to contribute to the accessibility of justice and the resolution of (often multiple) problems of defendants or litigants in that neighborhood. This evaluation aims to evaluate the plans for this form of justice. This plan evaluation will be succeeded by a process evaluation and an impact evaluation. This plan evaluation focuses on the question of what policy theory underlies the plans on neighborhood justice and whether they are consistent with insights gained from scientific research. To this end, the project plans of community justice projects in Eindhoven, Rotterdam, Amsterdam, Tilburg and The Hague were analyzed. Furthermore, interviews were held with project groups and responsible administrators, and the relevant scientific literature was analysed
Future-proofing and scope of disaster damage compensation act (full text only available in Dutch)
De hoofdvraag van het onderhavige onderzoek is of de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts) in zijn huidige vorm toekomstbestendig is met het oog op rampen die, mede onder invloed van extreem weer en klimaatverandering, ons land bedreigen en gelet op de verzekeringsmogelijkheden. De tweede hoofdvraag van dit onderzoek is of er goede redenen zijn om de Wts in de huidige vorm toepasbaar te laten zijn in Caribisch Nederland: op de eilanden Bonaire, Sint-Eustatius (Statia) en Saba (de BES). Beide hoofdvragen worden ontkennend beantwoord. Daarnaast worden concrete aanbevelingen gedaan ter versterking van de Wts en wordt aanbevolen om voor de BES een (maatwerk)regeling te creëren in plaats van de huidige Wts. INHOUD Aanleiding en onderzoeksvragen Doel, inhoud en begrenzing van de Wt Uitvoeringspraktijk en verwachtingen van burgers Klimaatrisico’s en verzekerbaarheid Verzekeringsmogelijkheden nu en in de toekomst Onverzekerbare en onverhaalbare rampschade in het buitenland De opvang van rampschade in Caribisch Nederland Aspecten van staatssteun Toekomstscenario’s voor de Wts Conclusies en aanbevelingenThe main question of the present study is whether the Wts (Wet tegemoetkoming schade bij rampen) in its current form is future-proof, also in case of disasters caused by extreme weather or climate change and considering the insurance possibilities. The second main question of this study is whether there are good reasons to make the current Wts applicable in the Caribbean Netherlands: the islands of Bonaire, St. Eustatius and Saba (the BES). Both questions are answered in the negative, but for the Caribbean Netherlands (the BES) it is recommended to create a special arrangement outside the Wts
Interim evaluation of the reflection period for boards of listed companies (full text only available in Dutch)
In deze tussentijdse evaluatie staan de volgende onderzoeksvragen centraal: Wat is het beoogde doel van de Wet bedenktijd, en op welke wijze dient dat doel te worden bereikt met welke waarborgen? Hoe vaak, op welke wijze en waarom is de wet toegepast en is er samenloop met andere beschermingsconstructies geweest? Gaat er een preventieve werking van de wet uit? Zo ja, hoe, zo nee, waarom niet? In hoeverre kan de (preventieve) werking van de Wet bedenktijd worden gerelateerd aan het Nederlandse investerings- en vestigingsklimaat? INHOUD Inleiding Beoogde doelen en werking van de Wet bedenktijd; Deel I Toepassing van de bedenktijd in de praktijk en samenloop met andere beschermingsconstructie; Deel I De preventieve werking van de bedenktijd; Deel I Het Nederlandse investerings- en vestigingsklimaat; Deel II Conclusie
Scope, potentials, and directions
Een efficiënte en effectieve data-governance/-management vereist onder andere kennis over de geschiedenis van data (hierna data lineage) en de herkomst van data (hierna data provenance). Data lineage verwijst naar het proces van traceren van de datastroom in de tijd, d.w.z. tijdens de levenscyclus/het traject van de data. Met metadata wordt een duidelijke beschrijving gegeven van de herkomst van de data, de datatransformaties langs het datatraject en de bestemming(en) van de data. Een soortgelijk geval van data lineage is data provenance, d.w.z. het bijhouden van de herkomst (de oorsprong) van data en de historische veranderingen ervan. Het doel van het onderzoek is erachter te komen hoe data lineage-technologie kan bijdragen aan data-governance en databeheer binnen het Nederlandse rechtsstelsel. Om dit doel te bereiken, moeten de voordelen van data lineage-technologie en de toepassingsmogelijkheden (en uitdagingen) binnen het Nederlandse rechtsstelsel worden onderzocht. Centraal staan de volgende onderzoeksvragen: Wat is data lineage? Om deze vraag te beantwoorden, zullen we ook de context (of het data-ecosysteem) waarin data lineage wordt gebruikt, beschrijven. Aan welke doelstellingen kan data lineage bijdragen? Bij het beantwoorden van deze onderzoeksvraag gaan we in op de potentiële voordelen van data lineage. Hoe kunnen data lineage-tools worden ingezet? Om antwoord te vinden op deze vraag, gaan we dieper in op de gebruikelijke manieren waarop data lineage wordt ingezet, en de uitdagingen die daarbij spelen. Wat zijn de mogelijkheden (en beperkingen) van bestaande data lineage-tools? Om deze vraag te beantwoorden, schetsen we een kader voor het specificeren van de relevante data lineage-mogelijkheden. Voor een beperkt aantal bestaande data lineage-tools schetsen we twee toepassingsmogelijkheden die van belang zijn voor dit onderzoek. INHOUD Introduction Data lineage Application areas of data lineage Data lineage architecture Data lineage deployment Data lineage tools Conclusio
Research into tasks and performance of National Expert Group Special Sexual Offence Cases (full text only available in Dutch)
In dit rapport beschrijven we een onderzoek naar de taken en taakuitvoering van de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ). De LEBZ brengt advies uit aan officieren van justitie bij bijzondere zedenzaken, zoals zaken met aspecten van hervonden herinneringen, of zaken die zich meer dan acht jaar geleden zouden hebben voorgedaan. De aanleiding van dit onderzoek is discussie over de werkwijze van de LEBZ in de politiek, media en wetenschap. Onder andere therapeuten/behandelaren en (vermeende) slachtoffers van zedenmisbruik zijn ontevreden over de betrouwbaarheid en objectiviteit van de politie en LEBZ, en geven aan hierin geen vertrouwen meer te hebben. Op verzoek van de Tweede Kamer is onderzoek gevraagd naar de doelstellingen, werkwijze en resultaten van de LEBZ. INHOUD Inleiding, onderzoeksvragen en aanpak Huidige situatie en ontstaansgeschiedenis Beoogde doelen en taken Samenstelling en taakuitvoering Controle taakuitvoering Ervaringen met en meningen over LEBZ ConclusiesThis report contains the description of a research into the tasks and performance of the National Expert Group Special Sexual Offence Cases (Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken; LEBZ). The LEBZ advises public prosecutors in special sexual offence cases, such as cases with aspects of recovered memories, or cases alleged to have occurred more than eight years ago. The motivation for this research is the discussion about the working methods of the LEBZ in politics, media and science. Among others, therapists and (alleged) victims of sexual abuse are dissatisfied with the reliability and objectivity of the police and LEBZ, and indicate that they no longer have confidence in them. The Dutch House of Representatives has requested an investigation into the objectives, working methods and results of the LEBZ
Images of violence: A mixed-method study into violence and aggression against journalists (full text only available in English)
Het onderzoek bestaat uit drie onderzoeksvragen: het in kaart brengen van de aard en omvang van het geweld tegen journalisten (onderzoeksvraag 1), het verschaffen van informatie over de kenmerken van daders en slachtoffers van het geweld (onderzoeksvraag 2) en het inventariseren en voorstellen van beleidsinterventies om geweld tegen te gaan, meer in het bijzonder de vraag of het zinvol is het taakstrafverbod uit te breiden (onderzoeksvraag 3). Elke onderzoeksvraag is vervolgens onderverdeeld in een aantal deelvragen. 1. Wat zijn de aard en omvang van ervaren en waargenomen geweld tegen journalisten in Nederland en in hoeverre is dit in de afgelopen tien jaar veranderd? Welke cijfers zijn bekend over de omvang en ontwikkeling van geweld tegen journalisten en hoe betrouwbaar en valide zijn deze cijfers? Wat zijn overeenkomsten en verschillen met trends in geweld onder andere beroepsgroepen (met name functionarissen met een publieke taak)? Wat zijn de aard en ontwikkeling van (gepercipieerd en geregistreerd) geweld tegen journalisten in de afgelopen tien jaar? Hoe kunnen ontwikkelingen in de aard en omvang van het (gepercipieerde en geregistreerde) geweld tegen journalisten worden verklaard? Welke invloed hebben de verschillende vormen van (gepercipieerd en geregistreerd) geweld op slachtoffers en op het journalistieke werk? In hoeverre is de berichtgeving over geweld tegen journalisten in de media de afgelopen tien jaar veranderd? 2.Welke daders en slachtoffers kunnen er ten aanzien van de verschillende vormen van geweld tegen journalisten worden onderscheiden? Wat zijn, in algemene zin, de achtergrondkenmerken van daders en slachtoffers die betrokken zijn bij de verschillende categorieën geweld tegen journalisten? Welke motieven kunnen aan de verschillende dadertypen worden toegeschreven? 3. Welke beleidsinterventies zouden effectief kunnen zijn in het terugdringen van of het optreden tegen geweld tegen journalisten en in hoeverre kan het zinvol zijn om in dit kader het taakstrafverbod uit te breiden? Welke beleidsinterventies zijn mogelijk effectief voor het terugdringen van geweld tegen journalisten of zijn anderszins gepast? Zijn er in de literatuur voorbeelden bekend van succesvolle interventies uit andere (EU-)landen? Wat kan uit de analyse van geweldsincidenten en daderkenmerken worden geconcludeerd over mogelijk effectieve beleidsinterventies? Welke meerwaarde zouden de beleidsinterventies, in het bijzonder verdere uitbreiding van het taakstrafverbod, in dit opzicht kunnen hebben? Op welke manier kunnen de begrippen ‘journalist’ en ‘journalistiek’ worden gedefinieerd en afgebakend ten behoeve van wet- en regelgeving? De toegenomen zorgen over geweld en agressie tegen journalisten kunnen niet los worden gezien van bredere maatschappelijke ontwikkelingen die de aard van de journalistiek en de positie van de journalistiek binnen de maatschappij hebben veranderd. Twee belangrijke ontwikkelingen, die op verschillende punten terugkomen, zijn: 1. Opkomst van online journalistiek en sociale media, 2. Tanend vertrouwen in gezagsdragers en de overheid. INHOUD Inleiding Beelden uit bestaand nationaal en internationaal onderzoek Het geregistreerde beeld van geweld tegen journalisten Online geweld in beeld - het diffuse karakter van online haat in de Twittertijdlijnen van journalisten Een beeld van het gepercipieerde en ervaren geweld tegen journalisten Geweld binnen vier contexten Beleid en maatregelen tegen geweld ConclusiesOver the past few years, a large number of journalists have been treated violently or aggressively in different ways. This problem is not just a recent occurrence. In a democratic state under the rule of law, free news gathering is of crucial importance and journalists should be able to do their work in freedom and safety. However, this is called into question when journalists experience an increased threat of violence against their profession. It is for this reason that violence against journalists has been a focus of the United Nations (UN) and the European Union (EU) for some time. In the Netherlands, violence and aggression against journalists has also recently become an area of concern. The study consists of three research questions. What are the nature and extent of perceived and experienced violence against journalists in the Netherlands and to what extent has this changed over the past ten years? Which offenders and victims can be differentiated with regard to the various types of violence against journalists? Which policy interventions could be effective in reducing or combatting violence against journalists and to what extent could it be useful to extend the community service ban in this context
Victim Support Monitor 2022 (3rd measurement) (full text only available in Dutch)
Sinds het begin van deze eeuw is veel verbeterd in de positie van slachtoffers in het strafproces. Slachtoffers kregen meer rechten, en organisaties die betrokken zijn bij de justitiële slachtofferondersteuning hebben ingezet op verbetering van de kwaliteit van aangeboden diensten en bejegening. Om de kwaliteit van de justitiële slachtofferondersteuning vanuit het perspectief van slachtoffers te monitoren, is de Slachtoffermonitor ontwikkeld. De Slachtoffermonitor is een periodiek onderzoek om de ervaringen van slachtoffers met de justitiële slachtofferondersteuning te meten. De eerste meting is uitgevoerd in 2012, de tweede in 2016. Dit rapport beschrijft het onderzoek en resultaten van de derde meting. De doelgroep bestaat uit slachtoffers en naasten of nabestaanden van delicten die in contact zijn gekomen met de justitiële slachtofferondersteuning door de politie, het Openbaar Ministerie (hierna: OM), de rechtspraak, Slachtofferhulp Nederland (hierna: Slachtofferhulp), het Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: Schadefonds) of het Slachtoffer Informatiepunt Schadevergoedingsmaatregelen (hierna: SIS), onderdeel van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). Doel- en vraagstelling: De Slachtoffermonitor heeft als doel de kwaliteit van de justitiële slachtofferondersteuning, zoals ervaren door slachtoffers die met justitiële keteninstanties in aanraking komen, te monitoren. In dit onderzoek staan de volgende vragen centraal: Wat is anno 2022 de kwaliteit van de justitiële slachtofferondersteuning, zoals bezien door slachtoffers? Is de kwaliteitsbeoordeling met betrekking tot de politie, het OM, de rechtspraak, Slachtofferhulp, het Schadefonds of het SIS veranderd ten opzichte van de vorige metingen in 2012 en 2016?INHOUD Inleiding Onderzoeksmethode Politie Openbaar Ministerie Rechtspraak Slachtofferhulp Nederland Schadefonds Geweldsmisdrijven Slachtoffer Informatiepunt Schadevergoedingsmaatregelen Trends slotbeschouwingThe aim of the Victim Monitor is to monitor the quality of judicial victim support as experienced by victims who come into contact with judicial organisations. The following questions are central in this research: How do victims assess the quality of judicial victim support in 2022? Has the quality assessment with regard to the police, the CPS, the judiciary, Victim Support, the Compensation Fund or the SIS changed compared to the previous measurements of 2012 and 2016
Administrative bodies in appeal - Experiences from five administrative bodies and six appeal courts (full text only available in Dutch)
Het deelprogramma burgergerichte overheid wil bestuursorganen stimuleren en ondersteunen om het aantal door het bestuursorgaan ingestelde hoger beroepsprocedures terug te dringen en zo burgervriendelijk mogelijk te procederen. Het deelprogramma wil hiermee het vertrouwen tussen burger en overheid vergroten. Hiervoor is meer inzicht nodig in de beweegredenen achter het instellen van hoger beroep en de bejegening door rechtscolleges en bestuursorganen in de fase van hoger beroep. In deze rapportage wordt verslag gedaan van een kwalitatief onderzoek waarin dit is onderzocht. De volgende vragen staan centraal: Waarom gaan de bestuursorganen in hoger beroep, en hoe ziet het besluitvormingsproces om hoger beroep in te stellen eruit? Hoe worden burgers door de appelcolleges en de bestuursorganen geïnformeerd en begeleid in de fase van hoger beroep? En hoe zit dit bij een pro forma hoger beroep? Welke (interne) regels zijn daarbij van toepassing? Verschilt de informatie en begeleiding bij appelcolleges in zaken waarbij een bestuursorgaan appelleert van zaken waarin de burger hoger beroep heeft ingesteld? Is dit verschil geformaliseerd? Wijkt de uitvoeringspraktijk af van het formeel gevoerde beleid, en zo ja, in hoeverre? Worden er stappen gezet door het betreffende bestuursorgaan in de bezwaarprocedure om een besluit geaccepteerd te krijgen en/of overeenstemming te bereiken en zo ja welke?December 2022 is een factsheet van dit project gepubliceerd (Factsheet 2022-05). De link is te vinden onder "Externe link". INHOUD Inleiding Achtergronden bij het onderzoek Instellen van hoger beroep Bejegening tijdens hoger beroep Geschiltraject voorafgaand aan hoger beroep ConclusieEvery year, administrative bodies take a large number of decisions in various societal areas affecting the quality of life of citizens and the prosperity of society as a whole. These decisions, however, may turn out unfavorably for individual citizens. Such deci-sions can then be challenged, in most cases in three successive steps: the objection procedure, the appeal procedure at a district court, and the appeal procedure at a higher court (higher appeal). The objection and appeal procedure are generally initiated by the citizen. A higher appeal, on the other hand, can also be initiated by the administrative body. Little is known about the motives behind higher appeals by administrative bodies. Nor is it clear how administrative bodies and higher appeal courts deal with citizens in this phase of the dispute. The present study aims to gain more insight into this
A study on ideological assessment procedures and possibilities for supervision, contra-expertise and appeal (full text only available in Dutch)
In dit onderzoek wordt gekeken naar de totstandkoming en kwaliteit van, het toezicht op, en beroepsmogelijkheden tegen ideologische duidingen in de volgende vier ketens: de persoonsgerichte aanpak (PGA), de detentieketen, de strafrechtketen en de jeugdbeschermingsketen. Om inzicht te krijgen in de duidingspraktijk binnen de vier ketens, zijn onderzoeksvragen opgesteld verdeeld in vier thema’s: Beschrijving: In welke situaties is ideologische duiding belangrijk en hoe verloopt het proces waarbinnen ideologische duidingen tot stand komen? Kwaliteit van duidingen: In hoeverre wordt de kwaliteit van ideologische duidingen getoetst aan bepaalde criteria? Toezicht op duidingsprocedures: Hoe is het toezicht op de inzet en kwaliteit van ideologische duidingen binnen de verschillende ketens georganiseerd? Beroepsmogelijkheden en contra-expertise: Welke beroepsmogelijkheden zijn er tegen de totstandkoming en consequenties van ideologische duidingen?INHOUD Introductie Wetenschappelijk kader Onderzoeksmethode Resultaten SlothoofdstukIn the Netherlands, assessments of extremist ideologies take on a central role in both preventive and repressive contexts. In four domains, including the preventive person-centered approach (Persoonsgerichte aanpak; PGA), the prison system, the criminal law system, and the child protection system, professionals have been conducting ideological assessments in the context of preventing and countering radicalization and extremism. These “ideological assessments”1 can include risk assessments to determine the risk of violent extremism, but also take the shape of interpreting signals, or assessing expressions. Usually, signaling can be done by a wide range of professionals, while assessments are carried out by qualified experts. Such assessments are used for various purposes depending on whether they are made in, for example, a preventive context, or during criminal prosecution. As these assessments can have far-reaching consequences for individual lives, careers and families, it is pivotal that they are accurate, and that assessment procedures are being dealt with carefully. To date, however, it remains largely unclear why and how ideological assessments are conducted, by whom, and whether there are possibilities for contra-expertise and appeal. The present study aims to fill these knowledge gaps
Juvenile crime monitor 2023 - Juvenile suspects of offenses; developments until 2023 (full text only available in Dutch)
In dit deelrapport beschrijven we de ontwikkeling van het aantal minderjarigen (12 tot 18 jaar) en jongvolwassenen (18 tot 23 jaar) dat door de politie werd geregistreerd als verdachte van een misdrijf in de periode 2010 tot en met 2022. Cijfers voor het jaar 2023 zullen in 2024 beschikbaar komen. Omdat in dit rapport alleen trends staan over geregistreerde criminaliteit, moet de lezer rekening houden met verschillende registratie-effecten die los kunnen staan van werkelijke ontwikkelingen in de criminaliteit. De hier beschreven ontwikkelingen hebben immers betrekking op een selectie van de populatie jeugdigen dat delicten pleegt. Inhoud Inleiding Geregistreerde jeugdige verdachten DiscussieSince 2010, the number of minors registered by the police as suspects of crimes has more than halved in 2022. The decline in the share of suspects among youths in the 2010s appears to have stabilised in the most recent years until 2023. There are however some fluctuations in the trends when broken down by different population groups and backgrounds. Notably, the number of girls in the suspect registrations has increased in 2022, as well as the number of juvenile suspects of property crimes (mainly shoplifting) and drug and weapon offenses. These latter types of offenses constitutes a small share of the total number of crimes among juvenile suspects. The COVID-19 measures in 2020 and 2021 have had a dampening effect on the number of juveniles coming into contact with the police. To what extent there is still an expected effect in 2022 and later remains unknown and needs further examination