Web-based Archive of RIVM Publications
Not a member yet
15852 research outputs found
Sort by
Comparison for the effects of different components of temperature variability on mortality: A multi-country time-series study
Overall, the mortality risk due to each interquartile range [IQR] increase was higher for intra-day TV than for inter-day TV. The risk increased by 0.59% (95% confidence interval [CI]: 0.53, 0.65) for all-cause mortality, 0.64% (95% CI: 0.56, 0.73) for cardiovascular mortality, and 0.65% (95% CI: 0.49, 0.80) for respiratory mortality per IQR increase in intra-day TV0-7 (0.9 °C). An IQR increase in inter-day TV0-7 (1.6 °C) was associated with 0.22% (95% CI: 0.18, 0.26) increase in all-cause mortality, 0.44% (95% CI: 0.37, 0.50) increase in cardiovascular mortality, and 0.31% (95% CI: 0.21, 0.41) increase in respiratory mortality. The proportion of all-cause deaths attributable to intra-day TV0-7 and inter-day TV0-7 was 1.45% and 0.35%, respectively. The mortality risks varied by lag interval, climate area, season, and climate type
Programme-Based Approach to Measuring Aircraft Noise (PAMV) Validation of Doc.29 model for Schiphol
In Nederland zijn alle normen over vliegtuiggeluid gebaseerd op berekeningen. Omwonenden willen dat de overheid meer gebruikmaakt van metingen, omdat zij die meer vertrouwen. Dit vertrouwen kan worden vergroot door met metingen te controleren of de rekenmodellen kloppen (valideren). Om te kijken hoe zo'n systeem ingericht kan worden, zijn in dit onderzoek de uitkomsten van berekeningen en metingen van vliegtuiggeluid rond Schiphol vergeleken. Bij een hoge geluidbelasting blijken de berekeningen en metingen vrij goed overeen te komen. De geluidbelasting is het geluidniveau van vliegtuigen keer het aantal overvliegende vluchten. De geluidbelasting in Lden is de gemiddelde geluidbelasting over een jaar gewogen over een periode van 24 uur. Bij een hoge geluidbelasting bleek het verschil tussen meten en rekenen per meetpost minder dan 2 decibel Lden. Dat maakt de berekeningen voor een hoge geluidbelasting betrouwbaar. De Lden is een geluidmaat voor de jaargemiddelde geluidbelasting. Het geeft in principe een waarde voor de gewogen jaargemiddelde etmaal belasting. Bij lage geluidbelasting is het verschil tussen meten en rekenen groter. Dat komt onder andere omdat er weinig betrouwbare meetdata van lage geluidniveaus zijn. De meetpunten rond Schiphol meten veel vluchten met een laag geluidniveau namelijk niet. Hierdoor wordt een flink aantal vliegbewegingen met een laag geluid niet geregistreerd. Dit geldt bijvoorbeeld voor plaatsen die verder weg van Schiphol liggen. In dit onderzoek zijn de berekeningen gedaan met het zogeheten Doc.29-rekenmodel. De resultaten van de metingen zijn verzameld via meetposten van Schiphol (het NOMOS-meetnetwerk). Van alle meetposten van dit netwerk is gekeken welke geschikt zijn voor de validatie. Hiervoor zijn criteria gebruikt die eerder zijn bepaald voor de nationale meetstrategie PAMV (Programmatische Aanpak Meten Vliegtuiggeluid). Meer onderzoek is nodig om de oorzaken van de gevonden verschillen te verklaren. Aanbevolen wordt te onderzoeken welk effect de beperkte meetdata van lage geluidniveaus heeft op de resultaten. Ook adviseren we uit te zoeken hoe deze geluidniveaus beter kunnen worden gemeten. Een consortium van het RIVM, het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR) en adviesbureau To70 heeft dit onderzoek gedaan. Aanleiding was een aanbeveling uit 2019 om de kwaliteit van de berekeningen van vliegtuiggeluid te beoordelen. Met de uitkomsten van dit onderzoek is ook de eerste stap gezet om een validatieprogramma op te zetten dat lange tijd en structureel de rekenresultaten met metingen controleert.In the Netherlands, all aircraft noise limit values are based on modelling. Those who live near airports would like the government to make more use of measurements, because they have more confidence in them. This confidence can be enhanced by conducting measurements to verify the models used (validation). In order to investigate what such a validation system could look like, researchers have compared the results of modelling and measurements of aircraft noise near Amsterdam Airport Schiphol. For high noise exposures, the modelling and the measurements were reasonably consistent. The noise exposure (Lden) is the annually averaged weighted noise level of aircraft. For high noise exposures, the difference between the results of measurements and modelling was less than 2 dB Lden per measurement location. This means that modelling is reliable for high noise exposures. For low noise exposures, the difference between the results of measurements and modelling was more pronounced. One of the reasons for this is the lack of reliable low noise level measurement data. This is because the measurement locations near Schiphol do not measure many of the flights that produce low noise levels. As a consequence, a great many flights that produce low noise levels are not registered. This is the case, for example, for many measurement locations further away from Schiphol. For this research, the Doc.29 model was used for modelling. The measurement results were gathered from Schiphol measurement locations (the NOMOS measurement network). All measurement locations that form part of this network were assessed for their suitability for validation, using criteria drawn up earlier for the Programme-Based Approach to Measuring Aircraft Noise (Programmatische Aanpak Meten Vliegtuiggeluid, PAMV) measurement strategy. The researchers noted that further research is needed to explain the reasons for the differences. One of their recommendations is to study the effect of the lack of low noise level measurement data on the results. A second recommendation is to investigate how the measurement of low noise levels could be improved. This research was carried out by a consortium made up of RIVM, the National Aerospace Laboratory (NLR) and the consultancy To70. It was prompted by a recommendation from 2019 to review the quality of aircraft noise modelling. The results of this research are the first step towards setting up a validation programme that uses measurements to verify modelling results consistently and for the long term
Programme-Based Approach to Measuring Aircraft Noise (PAMV). Area of application of aircraft noise measurements and modelling
In Nederland zijn alle normen over vliegtuiggeluid gebaseerd op berekeningen. Metingen van vliegtuiggeluid zijn vooral informatief. Maar burgers hebben meer vertrouwen in metingen en willen dat de overheid ze meer gebruikt. Alleen kunnen metingen worden verstoord waardoor ze beperkingen hebben. Ook zijn ze verder weg van het vliegveld minder betrouwbaar. Daarom is onderzocht tot welke afstand van een vliegveld en geluidbelasting de metingen én berekeningen betrouwbaar zijn; in jargon heet dat het toepassingsbereik. Dit is gedaan door te bepalen tot welke hoogte van het geluid het toepassingsbereik betrouwbaar is. Uit het onderzoek bleek dat de geluidbelasting beter aangeeft welke hoeveelheid geluid te horen is dan de afstand tot het vliegveld. Daarom is het toepassingsbereik uiteindelijk in geluidbelasting bepaald. Voor berekeningen is het geluid berekend dat vliegtuigen een jaar lang gemiddeld rond Schiphol produceren. Hieruit blijkt dat het rekenmodel betrouwbare resultaten geeft bij een hoge geluidbelasting, tot ongeveer 50 decibel Lden. De geluidbelasting is het geluidniveau van vliegtuigen keer het aantal overvliegende vluchten. De geluidbelasting in Lden is de gemiddelde geluidbelasting over een jaar gewogen over een periode van 24 uur. Voor lage geluidniveaus is niet duidelijk hoe betrouwbaar de berekende resultaten zijn. Er zijn namelijk niet genoeg metingen van lage geluidniveaus om de berekeningen mee te kunnen vergelijken. Voor metingen is een toepassingsbereik bepaald van 40 tot 45 decibel Lden. Het toepassingsbereik kan niet preciezer worden bepaald omdat er weinig gegevens over lage geluidniveaus zijn. De analyse van de metingen is gedaan voor twee luchthavens: Schiphol en Eindhoven Airport. Een van de aanbevelingen is te onderzoeken welk effect de beperkte meetdata van lage geluidniveaus heeft op de resultaten. Ook wordt geadviseerd uit te zoeken hoe deze geluidniveaus beter kunnen worden gemeten. Een consortium van het RIVM, het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR) en adviesbureau To70 heeft dit onderzoek gedaan. Zij deden dat voor de Programmatische Aanpak Meten Vliegtuiggeluid (PAMV), in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW).In the Netherlands, all aircraft noise limit values are based on modelling. Aircraft noise measurements mainly serve an informative purpose. However, citizens have more confidence in measurements and would like the government to make more use of them. The disadvantage of measurements is that they can be distorted, in which case their benefits are limited. Also, the further away from the airport they are conducted, the less reliable they become. For this reason, researchers have investigated up to which distance from an airport or which noise exposure level the measurements and modelling are both reliable. The technical term for this is ‘area of application’. They did so by determining the noise level up to which the area of application was reliable. Their investigation showed that noise exposure is a better way to express the area of application than the distance from the airport. As a consequence, the area of application is expressed in terms of noise exposure. For the purpose of modelling, researchers modelled the average noise level produced by aircraft taking off from and landing at Amsterdam Airport Schiphol over the course of one year. This showed that modelling yields reliable results for high noise exposures up to around 50 dB Lden. The noise exposure (Lden) is the annually averaged, weighted noise level produced by aircraft. For low noise levels, the reliability of the modelled results is unclear. This is because not enough low noise level measurements have been conducted to compare the modelled results with. For the purpose of measurements, an area of application was determined of 40–45 dB Lden. A narrower area of application could not be determined due to the lack of data on low noise levels. The researchers performed a measurement analysis for two airports: Amsterdam Airport Schiphol and Eindhoven Airport. One of their recommendations is to study the effect of the lack of low noise level measurement data on the results. A second recommendation is to investigate how the measurement of low noise levels could be improved. This research was carried out by a consortium made up of RIVM, the National Aerospace Laboratory (NLR) and the consultancy To70. They did so on behalf of the Ministry of Infrastructure and Water Management for the Programme-Based Approach to Measuring Aircraft Noise (Programmatische Aanpak Meten Vliegtuiggeluid, PAMV)
X-Ray and Radio Monitoring of the Neutron Star Low-mass X-Ray Binary 1A 1744-361: Quasiperiodic Oscillations, Transient Ejections, and a Disk Atmosphere
IZA submonitor. Towards more hybrid healthcare: baseline measurement
Eind 2022 hebben 14 partijen het Integraal Zorgakkoord (IZA) ondertekend om de zorg goed, toegankelijk en betaalbaar te houden. De partijen hebben hierin onder andere afgesproken om waar dat kan meer digitale zorg en ondersteuning aan te bieden. Dit noemen we hybride zorg: zowel fysiek als digitaal. Voor het IZA houdt het RIVM tot 2027 bij of hybride zorg de werkdruk van zorgverleners verlicht en welk deel van het aanbod aan zorg en ondersteuning geschikt is voor hybride zorg. Ook kijkt het RIVM of hybride zorg gemakkelijk te gebruiken is en hoeveel van het geschikte aanbod al digitaal is. In deze nulmeting heeft het RIVM nu in kaart gebracht hoe hybride zorg er in aanloop naar 2024 voor stond in Nederland. 45 procent van de werknemers in de zorg vindt de werkdruk (veel) te hoog (CBS). Vooral verpleegkundigen denken dat digitale zorg en ondersteuning de werkdruk kan verminderen. Volgens huisartsen verhoogt digitale zorg de werkdruk juist, met uitzondering van telemonitoring. Daarmee kunnen ze op afstand de gezondheid van patiënten in de gaten houden. Artsen die in een ziekenhuis werken zijn verdeeld over digitale zorg: ongeveer de helft vindt dat het voor meer werkdruk zorgt, en de andere helft juist voor minder of is neutraal. Artsen vinden dat bijvoorbeeld een instructievideo voor patiënten, of hen voorafgaand aan een bezoek een digitale vragenlijst laten invullen, de werkdruk verlaagt. Falende techniek en (structurele) financiering vinden voor digitale zorg, verhogen de werkdruk. In het IZA is afgesproken dat ongeveer 70 procent van het zorgaanbod eind 2026 hybride is, en dat ongeveer 50 procent van de zorggebruikers dan hybride zorg krijgt. De meeste zorgverleners denken nu dat maximaal 50 procent van het zorgaanbod hybride kan worden gemaakt. Zowel zorgverleners als zorggebruikers vinden digitale zorg redelijk gemakkelijk te gebruiken. Wel zijn er grote verschillen te zien tussen de verschillende opleidings- en leeftijdsgroepen binnen zorggebruikers. Mensen met een praktische opleiding en ouderen maken nu minder gebruik van digitale zorg. Het is nu nog niet te bepalen welk deel van het zorg- en ondersteuningsaanbod al hybride is, omdat hier nog geen gegevens over verzameld zijn. Het RIVM gaat hier in 2024 gegevens over verzamelen en zal daarover in 2025 rapporteren.In late 2022, 14 parties signed the Comprehensive Care Agreement (IZA) to keep healthcare effective, accessible and affordable. In the IZA, the parties agreed, among other things, to offer more digital healthcare and support where this is possible. This combination of physical and digital healthcare is known as hybrid healthcare. Until 2027, as part of the IZA RIVM will monitor whether hybrid healthcare eases the workload of healthcare providers and what proportion of the healthcare and support provided, is suitable for hybrid healthcare. RIVM will also look at whether hybrid healthcare is easy to use and how much of the healthcare that can be provided digitally is already digital. In this baseline measurement, RIVM has now identified the state of hybrid healthcare in the Netherlands leading up to 2024. According to 45% of employees in healthcare, the workload is (far) too high. Nurses in particular think digital healthcare and support can reduce their workload. General physicians (GPs), on the other hand, say that digital healthcare actually increases the workload, with the exception of telemonitoring. Telemonitoring enables GPs to remotely monitor their patients' health. Doctors working in hospitals are divided on digital healthcare: about half of them think it increases their workload, while the other half feel it decreases it, or are neutral. According to doctors, tools like instructional videos for patients, for example, or online questionnaires for patients to be filled in before a visit, help to reduce their workload. But failing technology and raising long-term funding for digital healthcare increase it. Within the IZA, the parties have agreed that about 70% of healthcare provision should be hybrid by the end of 2026, with about 50% of healthcare users receiving hybrid healthcare by then. Most healthcare providers currently think that no more than 50% of the healthcare provided can be made hybrid. Both healthcare providers and healthcare users find digital healthcare fairly easy to use. However, among healthcare users there are large differences between the various education and age groups. Use of digital healthcare among people with a practical training background and the elderly is relatively low. It is currently impossible to determine what part of the healthcare and support provided is already hybrid, as no data on this subject has yet been collected. RIVM will start collecting the relevant data in 2024 and will report on its findings in 2025
Prevalence of human respiratory pathogens and associated mucosal cytokine levels in young children and adults: a cross-sectional observational study in the Netherlands during the winter of 2012/2013
Effects of a multicomponent communication training to involve older people in decisions to DEPRESCRIBE cardiometabolic medication in primary care (CO-DEPRESCRIBE): protocol for a cluster randomized controlled trial with embedded process and economic evaluation
Health literacy during the COVID-19 pandemic During the COVID-19 pandemic, the Dutch government
Tijdens de coronapandemie informeerde de Nederlandse overheid inwoners over maatregelen om de verspreiding van het virus tegen te gaan. Voorbeelden zijn een mondkapje dragen, je laten vaccineren, afstand houden en handen wassen. Deze informatie was voor iedereen hetzelfde (one size fits all) en werd aangeboden via informatiebronnen van de overheid. Denk aan persconferenties en de website van het RIVM. Om deze informatie te vinden, te begrijpen, te beoordelen en te gebruiken voor het nemen van beslissingen, hebben mensen zogeheten gezondheidsvaardigheden nodig. In Nederland heeft 25 tot 30 procent van de inwoners daar moeite mee. Het RIVM onderzocht daarom hoe overheidsbeleid en de communicatie erover beter kunnen worden afgestemd op gezondheidsvaardigheden. Ook is in kaart gebracht hoe deze vaardigheden kunnen worden verbeterd. Het is belangrijk dat beleidsmakers weten dat een one size fits all-beleid niet iedereen bereikt. Door meer in gesprek te gaan met inwoners kan beleid beter aansluiten bij veel verschillende doelgroepen. Ook is het belangrijk inwoners bij de ontwikkeling van de communicatie over beleid te betrekken omdat deze interactief, persoonlijk en respectvol moet zijn. Ook moet informatie via kanalen worden gegeven die mensen gebruiken en vertrouwen. Ook zonder pandemie is het belangrijk om met de opgebouwde netwerken en tussenpersonen te blijven samenwerken. Bijvoorbeeld over andere onderwerpen zoals leefstijl. Bij een nieuwe gezondheidscrisis kunnen deze contacten dan makkelijker worden ingezet. Om meer grip te krijgen op het leven tijdens een pandemie helpt het als mensen betere gezondheidsvaardigheden hebben. Een manier hiervoor is mensen te leren herkennen wat betrouwbare informatie is. Daardoor zullen zij beter weten wanneer ze te maken hebben met misinformatie. Om gezondheidsvaardigheden blijvend te verbeteren, zou dit een vast onderdeel moeten zijn in het (basis)onderwijs en op het werk. Dit onderzoek is gedaan om beter voorbereid te zijn op een eventuele volgende pandemie. Het RIVM heeft professionals geïnterviewd die het beleid voor de coronapandemie hebben helpen ontwikkelen en uitvoeren. In de literatuur is gezocht naar onderzoeken over gezondheidsvaardigheden, gedragsmaatregelen en misinformatie.During the COVID-19 pandemic, the Dutch government provided residents with information on measures to prevent the spread of the virus. Examples included wearing a face mask, getting vaccinated, social distancing and hand washing. This information was the same for everyone (‘one size fits all’) and was provided through official sources of information, such as press conferences and the RIVM website. To find this information and to understand it, assess it and use it to make decisions, people need so called ‘health literacy skills’. In the Netherlands, 25 to 30 per cent of residents struggle with these skills. For this reason, RIVM has investigated how government policies and communication about them could be better tailored to different levels of health literacy. It also identified ways in which health literacy could be improved. It is important for policymakers to understand that a one-size-fits-all policy will not work for everyone. More interaction with residents improves the suitability of policies for different target groups. It is important to involve residents in developing communication around policies, because this has to be interactive, personal and respectful. Furthermore, information must be provided through channels that people use and trust. Even after the pandemic, it is important to continue working with the networks and intermediaries that have been established. This work could also cover other topics, such as lifestyle. It will then be easier to use these contacts when a new health crisis arises. It would be useful for people to have better health literacy, as this will help them to cope better with life during a pandemic. One way of improving health literacy is to teach people to recognise reliable information. That way, when they come across misinformation, they will recognise better. To continue to improve health literacy, it should become a permanent part of the school curriculum and should also be taught in the workplace. This research was carried out to ensure better preparedness for a future pandemic. RIVM interviewed professionals who helped to develop and implement policies for the COVID-19 pandemic. It also conducted a literature review to find studies on health literacy, behavioural measures and misinformation
The risks of PFAS (including F-gases) emissions – summary of the substantiation of the REACH restriction proposal
Veel per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS) zijn schadelijk voor mens en milieu en kunnen door de industrie worden uitgestoten. Vijf Europese landen, waaronder Nederland, hebben in 2023 een voorstel ingediend om Europees de productie, handel en het gebruik van deze stoffen zoveel mogelijk te beperken. Dit heet het PFAS restrictiedossier voor de Europese stoffenwetgeving REACH. Hiervoor is onder andere een technisch wetenschappelijke beoordeling gemaakt van de risico’s van deze stoffen voor mens en milieu.
De risicobeoordeling is in het Engels geschreven. Het RIVM heeft daar nu een Nederlandse samenvatting van gemaakt. Dit is gedaan om de verzamelde kennis in het restrictiedossier beter toegankelijk te maken, bijvoorbeeld voor vergunningverlening. Het voorstel richt zich op de hele groep van PFAS om te voorkomen dat de ene PFAS door een andere wordt vervangen. Onder deze groep vallen ook een aantal gefluoreerde gassen die bijdragen aan klimaatverandering: F-gassen.
Dit document vat onder andere de gevaarlijke eigenschappen van PFAS samen, evenals de schadelijke effecten als mens en milieu blootstaan aan deze stoffen. Een belangrijke eigenschap van PFAS is dat ze niet of nauwelijks afbreken in mens en milieu (persistent). Verder kunnen de stoffen schadelijk zijn voor de gezondheid van de mens: ze kunnen onder andere invloed hebben op de hormoonhuishouding, het immuunsysteem en op verschillende organen, zoals de lever. Het restrictievoorstel geeft ook genoeg wetenschappelijke informatie om de PFAS als één groep te beschouwen. Dat betekent dat niet voor elke PFAS een aparte risicobeoordeling nodig is.
De wetenschappelijke informatie in het voorstel maakt volgens de vijf landen het belang duidelijk om ervoor te zorgen dat de blootstelling aan PFAS niet groter wordt. Want met elke uitstoot groeit de hoeveelheid PFAS in het milieu, wat uiteindelijk zorgt voor onomkeerbare schade voor mens en milieu