Web-based Archive of RIVM Publications
Not a member yet
15852 research outputs found
Sort by
Monitor Unintended Pregnancy: Overview 2023
Wanneer vrouwen onbedoeld zwanger worden, kan dat een ingrijpende en emotionele gebeurtenis zijn. Het komt niet alleen bij tieners voor, maar ook op andere leeftijden. Het ministerie van VWS(Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) wil met integraal beleid helpen om onbedoelde zwangerschappen te voorkómen en ervoor zorgen dat vrouwen die onbedoeld zwanger zijn en hun partner/verwekker beter begeleid worden. Ook wil VWS meer aandacht voor personen in een kwetsbare situatie, zoals mensen met psychische problemen, een laag inkomen of een verslaving. Voor hen is de kans groter dat een onbedoelde zwangerschap grote gevolgen heeft, bovenop bestaande zorgen. Met de monitor Onbedoelde Zwangerschappen verzamelt het RIVM hiervoor cijfers. Dit is het cijferoverzicht 2023, waarin we de meest recente cijfers presenteren (veelal uit 2022). Voor het eerst zijn nu cijfers bekend over onbedoelde zwangerschappen. In de eerdere cijferoverzichten 2020, 2021 en 2022 werden als alternatief cijfers over ongeplande zwangerschappen gepresenteerd. Een onbedoelde zwangerschap is ontstaan zonder dat dit de wens of planning was. Toch kan zij (in de loop van de zwangerschap) wel gewenst zijn. Net als in het cijferoverzicht 2022 hadden op basis van huisartsenregistraties 3,3 op de 1.000 vrouwen in 2022 een ongewenste zwangerschap. Het aantal tienermoeders is ongeveer hetzelfde als een jaar eerder (1385). Het aantal abortussen nam iets toe: in 2022 waren er 9,9 zwangerschapsafbrekingen per 1.000 vrouwen. In 2021 waren dat er 8,7. De reden daarvan is niet bekend. Er is iets meer hulp gezocht bij de keuze om de zwangerschap al dan niet voort te zetten (keuzehulp). In 2022 zijn 1052 keuzehulptrajecten gevoerd, in 2021 waren dat er 918. In 82 procent van de gemeenten werken hulpverleners met het programma Nu Niet Zwanger. Met dit programma helpen zij mensen bewuster na te denken over hun kinderwens en het gebruik van anticonceptie.An unintended pregnancy can be a profound and emotional event. It occurs not only in teenagers, but also at other ages. Through an integrated policy, the Ministry of Health, Welfare and Sport wants to help prevent unintended pregnancies and provide better support for unintentionally pregnant women and their partner/father of the child. The Ministry also wants to pay greater attention to people in vulnerable situations, such as those with mental health issues, a low income or addiction, as an unintended pregnancy – on top of existing issues – is more likely to have far-reaching consequences for these groups. RIVM collects information on this topic through the Monitor Unintended Pregnancy. This is the overview of 2023, in which we present the most recent information (mainly from 2022). For the first time, numbers are available on unintended pregnancies. In the previous overviews from 2020, 2021 and 2022, numbers on unplanned pregnancies were presented as an alternative. An unintended pregnancy occurs without the desire to become pregnant or planning for it. It may, however, become desired later (during the course of the pregnancy). As in the 2022 overview, based on GP registrations, 3.3 out of every 1,000 women had an unwanted pregnancy in 2022. The number of teenage mothers was also roughly the same as the year before (1,385). The number of abortions increased slightly: there were 9.9 abortions per 1,000 women in 2022, compared to 8.7 in 2021. The reason for this is unknown. Slightly more help was sought in deciding whether or not to continue the pregnancy (decision-making support), with 1,052 decision-making support procedures conducted in 2022, compared to 918 in 2021. In 82 per cent of the municipalities, the programme Not Pregnant Now (in Dutch: Nu Niet Zwanger) is being used by care providers. This programme helps people think more profoundly about their desire to have children and the use of contraception
Amfetamines in digestaat. Risico’s voor de volksgezondheid en het milieu
Dit advies gaat over de risico’s van een eenmalige toepassing van digestaat met amfetamine en methamfetamine op de landbouwbodem. Voor de volksgezondheid moet het totale gehalte aan amfetamine en methamfetamine in het digestaat kleiner of gelijk aan 1 mg/kg(kilogram) versgewicht zijn, om de indicatieve risicogrens niet te overschrijden. Voor het bodemleven moet het totale gehalte in het digestaat kleiner of gelijk aan 0,33 mg/kg versgewicht zijn
Safeguarding the intervention ‘Welzijn op Recept’ for the long term. Lessons from the literature and an action study
De overheid wil meer verbinding leggen tussen het medisch en het sociaal domein. Een voorbeeld daarvan is Welzijn op Recept. Hierbij verwijst de huisarts mensen met lichte psychosociale klachten, zoals eenzaamheid, naar een welzijnscoach in het sociale domein. Deze coach zoekt samen met de cliënt naar een activiteit om het welbevinden te vergroten. Voorbeelden zijn verschillend, variërend van een buurtcentrum bezoeken tot vrijwilligerswerk doen. Het blijkt alleen lastig om het contact tussen de huisarts en de welzijnscoach een vast onderdeel te laten zijn van het lokale zorg- en ondersteuningsaanbod. RIVM en TNO hebben daarom onderzocht wat nodig is om dit beter te realiseren. Het RIVM en TNO adviseren een kernteam op te zetten, waarin alle betrokken partijen zitten. Dat zijn zowel de huisarts en de welzijnscoach, als een vertegenwoordiger uit het management van het gezondheidscentrum of de huisartspraktijk, en de gemeente voor een breed draagvlak. In dit team moet eerst duidelijk worden wat Welzijn op Recept is, voor wie, en wie welke rollen en taken heeft. Daarnaast is blijvende financiering belangrijk en moet de professional genoeg tijd hebben om de patiënt goed te kunnen helpen. Goede samenwerking tussen de betrokken partijen is daarvoor essentieel, net als genoeg aanbod van activiteiten. Om Welzijn op Recept een vaste plek te laten krijgen, is het belangrijk dat zowel de patiënt als professionals de interventie kennen. Ook moet de patiënt bereid zijn om aan activiteiten deel te nemen. Verder is het belangrijk dat de welzijnscoach zichtbaar is in de praktijk, om zo een vertrouwd gezicht te zijn en met wie het makkelijk contact maken is. Daarnaast is het belangrijk dat de huisarts en de welzijnscoach met elkaar in contact blijven, zodat duidelijk is hoe het met de cliënt gaat. Hierdoor krijgt de patiënt vertrouwen in de aanpak. Tot slot is het belangrijk inzicht te krijgen in de effecten van deze interventie en de aanpak onder de aandacht te blijven brengen.The government wants to strengthen the connection between the medical and social domains. The ‘Welzijn op Recept’ (Well-being on prescription) intervention is an example of this. As part of this intervention, general practitioners refer people with mild psychosocial symptoms, such as loneliness, to well-being coaches in the social domain. Together with the client, this coach will then look for an activity to enhance well-being. Examples can vary widely, from visiting the community centre to participating in volunteer work. However, it has proven difficult to make contact between GPs and well-being coaches a structural component of care and support offered at the local level. RIVM and TNO have therefore investigated what is needed to achieve this. RIVM and TNO recommend that GP practices set up a core team, involving all stakeholders, to generate broad support. The stakeholders in question include the GP, the well-being coach, a municipal representative and someone from the health centre’s or GP practice’s management team. The core team should first establish what ‘Welzijn op Recept’ entails, for whom it is intended and who should take on which roles and tasks. Moreover, structural funding is important, and the professionals involved should have enough time to help patients effectively. Effective cooperation between the stakeholders is crucial in this regard, as is a sufficient range of activities. To make sure that ’Welzijn op Recept’ becomes a fixed component of the care and support offered at the local level, it is important for both patients and professionals to be aware that this intervention exists. Also, patients must be prepared to take part in activities. Furthermore, wellbeing coaches must be visible in practices to make them a familiar face and lower the threshold for contact. Additionally, the GP and the wellbeing coach must maintain contact, so it is clear how the patient is doing. This will give the patient confidence in the approach. Finally, it is important to gain insight into the effects of this intervention and to keep making people aware of this approach
Information Provision Regarding Health-Related Direct-to-Consumer Genetic Testing for Dutch Consumers: An in-Depth Content Analysis of Sellers' Websites
Background: Previous studies have suggested that information offered by sellers of health-related direct-to-consumer genetic tests (DTC-GTs) is often incomplete, unbalanced, or too difficult to understand. The extent to which this is the case for sellers accessible to Dutch consumers has not previously been studied. Methods and Goals: The present study aimed to assess the completeness, balance, readability, and findability of informational content on a selection of websites from several health-related DTC-GT sellers accessible to Dutch consumers. An in-depth content analysis was performed based on a recently published checklist outlining key items for policy guidance regarding DTC-GT services. Results: The information provided by sellers did not equally cover all aspects relevant to health-related DTC-GT service provision. The provided information was slightly unbalanced, with benefits of health-related DTC-GT usage being overemphasized compared to its risks and limitations. The readability of the provided information was low, on average requiring college education for proper understanding. A findability analysis showed that information concerning all themes is overall relatively evenly distributed across analyzed sellers' websites. Conclusions: Information provision by assessed health-related DTC-GT sellers is suboptimal regarding completeness, balance, and readability. To better empower potential consumers to make an informed decision regarding health-related DTC-GT usage, we advocate industry-wide enhancement of information provision
Milieumetingen in de omgeving van kerncentrale Borssele. Resultaten in 2022
The ANVS tasked RIVM to yearly perform a check on the measurements which are carried out in the vicinity of the Borssele nuclear power plant by NRG. In 2022 various samples were also taken from grass, water, air dust, sediment and sea weed. The analytical results indicate that no radiological contamination as a result of business operations from the nuclear power plant can be found. In most samples RIVM reports no activity, or a very low amount of natural activity, or in a sand sample a negligible activity of 137Cs. The latter is a known surface contamination of 137Cs in the Netherlands and originates most likely from the Chernobyl accident. In July 2022, all gross-bèta data from RIVM in river Scheldt water and suspended solids were in poor agreement with the results from NRG, possibly due to different measurement techniques. In 2022, a low amount of tritium is found in water from the river Scheldt which is comparable to the amount found in previous years. Due to the upstream location of the Doel nuclear power plant in Belgium, the origin of this trace activity of tritium is hard to determine. Commissioned by the NPP Borssele, the Nuclear Research and Consultancy Group (NRG) carries out monthly sampling of water, air dust, sediment, seaweed, and yearly sampling of sand. NRG analyzed these samples for gamma-emitters, gross alpha and gross beta activity, and the water sample for 3H. Sampling air dust is not part of the control programme of RIVM.Het RIVM controleert elk jaar de metingen die de kerncentrale Borssele (KCB) in de directe omgeving van de centrale laat uitvoeren. Hiervoor zijn de monsters geanalyseerd die in 2022 zijn genomen van gras, water, luchtstof, sediment en zeewier. Er is geen radioactiviteit gevonden als gevolg van de bedrijfsvoering van de kerncentrale. In de meeste gevallen vindt het RIVM geen radioactiviteit of een lage hoeveelheid van natuurlijke activiteit. Of het vindt sporen van cesium137 in een grondmonster. Dit is een bekende besmetting en komt hoogstwaarschijnlijk van het kernongeval bij Chernobyl in 1986. In juli 2022 was er een matige overeenstemming tussen de RIVM- en NRG(Nuclear Research and consultancy Group)-data voor totaal-bèta in water van de Westerschelde en zwevend slib. Dit heeft te maken met verschillen in de methode waarmee de waarden worden bepaald. Het RIVM heeft in 2022 in enkele watermonsters van de Westerschelde een zeer lage hoeveelheid van tritium (3H) aangetroffen. Het is niet bekend waar dat vandaan komt omdat tritium van kerncentrale Doel eveneens langs KCB stroomt. Sinds de jaren negentig van de vorige eeuw laat de KCB de monsters elke maand uitvoeren door de Nuclear Research and Consultancy Group (NRG). NRG neemt elk jaar ook een grondmonster. NRG analyseert deze monsters op gammastralers, totaal-alfa en totaal-bèta activiteit, en tritium in het watermonster. De bemonstering van luchtstof behoort niet tot het controleprogramma van RIVM. Het RIVM controleert de metingen in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS)
Contra-expertise on the determination of radioactivity in waste water and ventilation air of COVRA N.V. Period 2022
De Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA(Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval)) meet hoeveel radioactiviteit zij in afvalwater en ventilatielucht loost. Het RIVM controleert elk jaar deze metingen. COVRA neemt de monsters verspreid over het jaar. Met deze 'contra-expertise' controleert het RIVM of de analyses die COVRA zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. RIVM concludeert dat dit inderdaad het geval is. Net als in voorgaande jaren kwamen de analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2022 goed overeen met de resultaten van COVRA. Het gamma-spectrometrische resultaat, de resultaten van de totaal-alfa bepaling, en de tritiumbepaling kwamen redelijk tot goed overeen. Ook de totaal bèta-meetwaarden van het RIVM en de rest bèta-meetwaarden van COVRA kwamen goed overeen ondanks de verschillende meetprincipes. Ook het resultaat in de 14C-bepaling in afvalwater kwam eveneens goed overeen. Verder kwamen de resultaten van het RIVM en COVRA van de ventilatieluchtmonsters van het Afvalverwerkingsgebouw (AVG(algemene verordening gegevensbescherming)) en het Hoogradioactief Afval Behandelings- en Opslag Gebouw (HABOG) goed overeen voor tritium en 14C. Er is in geen enkel monster een gammaactiviteit, of een totaal-alfa of totaal-bèta activiteit in ventilatielucht gevonden. Het RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).The Central Organisation for Radioactive Waste (COVRA) measures the release of radioactivity in waste water and ventilation air. The RIVM performs a contra expertise on these measurements; in the period 2022 this was in a waste water sample, and in eight ventilation air sample measurements. COVRA takes the samples of wastewater and ventilation air at various time points dispersed throughout the year. This form of contra expertise is aimed at verifying and supporting the reliability of the analyses carried out by COVRA. RIVM concludes that the analyses are indeed reliable. In 2022, the analyses in a waste water sample are generally in agreement with the results found by COVRA itself. The agreement in the results for gamma-emitters, gross alpha, and tritium was good. Considering the fact that RIVM and COVRA apply different measuring principles the agreement in the gross beta results in waste water is good too. The agreement in the RIVM and COVRA result for 14C in waste water was good as well. In ventilation air samples of the waste treatment building (AVG) and the high activity waste storage building (HABOG) the results for 3H and 14C obtained by RIVM and COVRA are in good agreement. In ventilation air samples from AVG and HABOG no gross alpha, no gross beta and no gamma activity was found. RIVM carried out this contra expertise on behalf of the Authority for Nuclear Safety and Radiation Protection (ANVS)
Contra-expertise on the determination of radioactivity of waste water and ventilation air of NRG. Period 2022
Het nucleair bedrijf Nuclear Research and Consultancy Group (NRG(Nuclear Research and consultancy Group)) in Petten meet hoeveel radioactiviteit het in het eigen afvalwater en de ventilatielucht naar de omgeving loost. De monsters hiervoor worden verspreid over het jaar genomen. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contra-expertise' controleert het RIVM of de analyses die NRG zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. RIVM stelt vast dat de meetdata van NRG betrouwbaar zijn. Net als in eerdere jaren komen de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2022 goed overeen. De totaal-alfa resultaten in afvalwater stemmen redelijk tot goed overeen. De overeenstemming in de totaal-bèta resultaten is matig en kan veel worden verbeterd. Dit resultaat wordt verklaard door de verschillen in de meetmethoden van NRG en het RIVM. De overeenstemming in de 3H-resultaten in afvalwater is redelijk. De resultaten in ventilatielucht komen goed overeen. Het RIVM heeft in een aantal monsters een lage activiteitsconcentratie van 131I, 133Xe, 191Os en 203Hg gevonden. Deze waarden vallen ruim onder de detectiegrens van NRG, waardoor ze niet worden opgemerkt. Het RIVM heeft zes keer een zeer lage totaal-alfa activiteit in ventilatielucht aangetroffen, waar NRG niets vond. De meetwaarden voor zowel totaal-alfa als totaal-bèta in ventilatielucht liggen in de range van wat er in buitenlucht zit en hebben waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong. Het RIVM voert de contra-expertises elk jaar uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).The Nuclear Research and Consultancy Group at Petten (NRG) measures its own release of radioactivity into wastewater and atmosphere. NRG takes the samples of waste water and ventilation air at various time points dispersed throughout the years 2022. The RIVM performs eight times per year a contra expertise on these measurements. This form of contra-expertise is aimed at verifying and supporting the reliability of the analyses carried out by NRG. RIVM concludes that this is indeed the case. The two different sets of measurements are generally in good agreement for gammaspectrometry. The agreement in the waste water data for gross alpha is reasonable to good. The agreement in the data for gross beta in wastewater is poor, and can be improved further. This is explained by differences in the analytical methods applied by NRG and RIVM. The agreement in the 3H data is reasonable. The results obtained by RIVM and NRG in ventilation air samples compare well. RIVM detected a low gamma activity for 131I, 133Xe, 191Os and for 203Hg in some of the samples. Most of these values are well below the NRG detection limit. In six of the ventilation air samples RIVM detected a very low gross alpha activity concentration, where NRG found nothing. The results obtained for gross alpha and gross beta are in the range of what is found in outside air in Bilthoven, and is probably caused by natural radioactivity. RIVM carried out this contra-expertise on behalf of the Authority for Nuclear Safety and Radiation Protection (ANVS)
Health effects of climate change. An update of the current risks of climate change for health
Het klimaat verandert wereldwijd, en ook in Nederland. De gemiddelde temperatuur is de afgelopen eeuw gestegen. Er is meer neerslag, meer droogte en er komen vaker zomerse dagen voor (boven de 25 graden Celsius). Het RIVM heeft de gevolgen van klimaatverandering voor onze gezondheid in de afgelopen 30 jaar (1991-2020) in kaart gebracht. Er zijn nu al grote gevolgen voor de gezondheid te zien. Deze effecten zullen naar verwachting toenemen. Dit onderzoek focust zich op de effecten op de gezondheid van hitte, UV-straling, luchtkwaliteit, (pollen)allergieën en infectieziekten door klimaatverandering. Ook mentale gezondheidsgevolgen zijn meegenomen. Het blijkt mogelijk te zijn om aan te geven dát klimaatverandering de gezondheid verslechtert en op welke manier. Maar de mate waarin dat gebeurt is vaak nog niet aan te geven omdat ook andere oorzaken eraan bijdragen. Meer kennis is nodig om de impact van klimaatverandering beter in beeld te krijgen en goede adviezen voor beleid te kunnen maken die de gezondheid beschermen. Het best onderbouwde effect van klimaatverandering op gezondheid is het aantal extra sterfgevallen door de hogere gemiddelde jaartemperatuur: gemiddeld 250 doden per jaar. Door klimaatverandering zijn er onder andere meer warme dagen (boven de 20 graden). Ook komen er meer hittegolven voor, die langer duren en heter zijn. Hierdoor sterven meer mensen dan normaal. Hitte en droogte gaan vaak samen met veel pollen in de lucht en hoge concentraties ozon (zomersmog). Hierdoor kunnen mensen het benauwd krijgen, zeker als zij al aandoeningen aan de luchtwegen hebben. Het groeiseizoen duurt langer en er zijn meer pollen in de lucht. Meer mensen kunnen hooikoorts krijgen of hun klachten kunnen erger worden. Daarnaast staan mensen om verschillende redenen aan meer UV-straling bloot. Bijvoorbeeld omdat de zon meer uren schijnt, er minder wolken zijn en mensen meer buiten zijn met zonnig weer. Hierdoor is de kans op huidkanker groter. Verder komen bepaalde infectieziekten, zoals legionellose, door klimaatverandering nu vaker voor. De Legionella-bacterie, die deze ziekte veroorzaakt, vermeerdert zich in warm water en kan via nevel worden ingeademd. Bijvoorbeeld als het na een warme en droge periode hard regent. Verder zijn teken een langere periode in het jaar actief, waardoor de kans om de ziekte van Lyme te krijgen groter is geworden. Daarnaast kan klimaatverandering een negatief effect hebben op de mentale gezondheid door de dreiging die ervan uitgaat en ervaringen met extreem weer. Het RIVM heeft de bestaande kennis verzameld op verzoek van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Het PBL verzamelt kennis over de gevolgen van klimaatverandering voor de vernieuwing van de Nationale Adaptatie Strategie (NAS). Het PBL brengt de komende jaren ook de toekomstige gevolgen van klimaatverandering in beeld.The climate is changing worldwide, and therefore also in the Netherlands. The average temperature has increased over the past century. There is more precipitation, there are more periods of dry weather and days with temperatures above 25 degrees Celsius are now more frequent in the Netherlands. RIVM has studied the effects of climate change on our health over the past 30 years (1991-2020). Major health impacts are already visible and they are expected to increase. This study focuses on the health effects of heat, UV radiation, air quality, (pollen) allergies and infectious diseases due to climate change. Mental health effects are also included. The study illustrates that climate change worsens health and explains how this happens. However, the extent to which this happens is often more difficult to determine because other factors also affect health. More knowledge is needed to get a better picture of the impact of climate change and to be able to give sound advice on policies to protect health. The strongest evidence for the effects of climate change on health concerns the number of additional deaths due to higher average annual temperatures: an average of 250 deaths per year. Climate change leads to warmer days (above 20 degrees Celsius). There are also more heat waves, which last longer and are hotter. As a result, more people die than usual. Hot and dry weather often occurs at the same time as a lot of pollen in the air and high concentrations of ozone (summer smog). This can make people experience shortness of breath, especially if they already have a respiratory disease. The growing season lasts longer these days and there is more pollen in the air. This means more people may get hay fever or their symptoms may worsen. In addition, people are exposed to more UV radiation. This can be, for example, because there are more sun hours, there are fewer clouds and people are outside more in sunny weather. This increases the risk of skin cancer. In addition, certain infectious diseases, such as Legionnaires' disease, are now more common due to climate change. The Legionella bacteria which causes this disease multiplies in warm water and can be inhaled through mist, for example, when it rains hard after a warm and dry period. Furthermore, ticks are active for a longer period of time, increasing the likelihood of getting Lyme disease. Moreover, climate change can have a negative effect on mental health, due to the threat it poses and to experiencing extreme weather. RIVM collated the existing knowledge at the request of the Netherlands Environmental Assessment Agency (PBL). PBL is bringing together the knowledge as part of the update of the National Climate Adaptation Strategy (NAS). In the coming years, PBL will provide an overview of the future consequences of climate change
Evaluation of measures to protect sources of drinking water. National overview of implementation programmes for area files on drinking water extraction sites
In Nederland halen we ons drinkwater uit twee bronnen: grondwater en rivierwater. Als de kwaliteit daarvan goed is, is weinig zuivering nodig om schoon drinkwater te maken. Maar in veel gebieden is de waterkwaliteit niet goed genoeg, bijvoorbeeld doordat er resten van bestrijdingsmiddelen of meststoffen in zitten. De provincies en Rijkswaterstaat werken daarom met drinkwaterbedrijven, waterschappen en boeren aan maatregelen om de waterkwaliteit rondom drinkwaterwinningen te verbeteren. Uit RIVM-onderzoek blijkt dat deze maatregelen de problemen waarschijnlijk niet gaan oplossen. Daarvoor zijn verschillende redenen. De meeste maatregelen brengen risico's in kaart of helpen de samenwerking tussen betrokken partijen verbeteren. Bijvoorbeeld door af te spreken wie wat doet bij onderhoud van leidingen of door samen noodplannen te oefenen. Deze maatregelen zijn belangrijk, maar zorgen er niet meteen voor dat er minder vervuilende stoffen naar het grond- en oppervlaktewater wegspoelen. Ook zijn er maar weinig maatregelen die dat wel direct verminderen. Denk aan herzieningen van vergunningen voor bedrijven om vervuilende stoffen te lozen. Of minder mest en bestrijdingsmiddelen gebruiken bij landbouw rondom drinkwaterwinningen. Meedoen aan maatregelen is vaak vrijwillig. Door tegengestelde belangen, worden maatregelen vaak afgezwakt. Ook zijn sommige maatregelen die wel goed werken voor provincies te duur om uit te voeren. Verder is voor bepaalde problemen niet duidelijk of de rijksoverheid dit moet oplossen of juist provincies en waterschappen. Bovendien is de monitoring te weinig erop ingericht om de effecten van maatregelen te volgen. Het RIVM doet aanbevelingen voor een effectiever waterbeheer. Dit kan door meer maatregelen te nemen die vervuilende activiteiten aanpakken. Daarbij is het belangrijk de structurele taakverdeling tussen de rijksoverheid en provincies te verduidelijken. Ten slotte wordt aangeraden beter te volgen welk effect maatregelen hebben.In the Netherlands we obtain our drinking water from two sources: groundwater and river water. If that water is of good quality, the purification effort required to produce clean drinking water is small. However, in many areas the quality of the water is not sufficient, for example because it contains residues of pesticides or fertilisers. Therefore, the provincial authorities and the Directorate-General for Public Works and Water Management (Rijkswaterstaat) are taking measures together with drinking water companies, water boards and farmers to improve water quality near drinking water extraction sites. Research conducted by RIVM has shown that those measures are probably not going to be sufficient to solve the problems. There are various reasons for this. Most measures relate to mapping risks or improving collaboration between the parties involved. For instance, by allocating the responsibilities for maintenance of pipes or by performing emergency response exercises. While those measures are important, they will not immediately reduce the amounts of pollutants leaching into our ground and surface waters. Only a few measures are included that have a direct effect, such as the revision of permits that allow companies to discharge pollutants, or restrictions on the agricultural use of fertilisers and pesticides in drinking water extraction areas. In many cases, participating in the measures is voluntary. Due to the competing interests involved, measures are often abated. Sometimes measures that are quite effective, are too expensive for the provinces to implement. For other problems it is not clear whether it is the responsibility of the national government or of the provinces and water boards to solve them. Moreover, the monitoring tends to lack sufficient focus on the effects of the measures. RIVM issues recommendations for more effective water management. This can be achieved, for example, by taking measures to address the activities that cause the pollution. For this purpose, it is important to have a clear division of tasks between the national and provincial authorities. Finally, RIVM recommends improving the system for monitoring the effects of measures
Recycling van zonnepanelen. Scenario's voor een circulaire en veilige productketen
Nederland streeft naar een circulaire economie in 2050. Een onderdeel daarvan is grondstoffen en materialen recyclen, zoals zonnepanelen. Op dit moment worden grondstoffen uit zonnepanelen na gebruik nog niet teruggewonnen. Naar verwachting zullen over ruim vijf jaar de eerste grote hoeveelheden zonnepanelen als afval vrijkomen. Het is belangrijk om hierop voorbereid te zijn en ze veilig en duurzaam te kunnen recyclen. Er zijn verschillende technologieën in ontwikkeling om zonnepanelen te recyclen. Het RIVM heeft vier mogelijkheden uitgewerkt om het glas, de zonnecellen en het achterblad ervan te recyclen. De teruggewonnen materialen uit zonnepanelen kunnen opnieuw worden gebruikt als grondstof voor verschillende toepassingen. In dit onderzoek is gekeken is welke mogelijkheden in de praktijk uitvoerbaar lijken en hoe milieuvriendelijk ze zijn. De vier varianten zijn vergeleken met de huidige situatie (de basisvariant). Daarin wordt vermalen glas van zonnepanelen als schuurmiddel in de metaalindustrie gebruikt en daarna verwerkt in bijvoorbeeld funderingsmateriaal voor wegen. Uit de analyse blijkt dat alle vier de varianten meer circulair en milieuvriendelijker zijn dan de basisvariant. Het energiegebruik verschilt iets per variant maar is veel lager dan dat van de basisvariant. Dat komt onder andere doordat het meer energie kost om nieuwe grondstoffen voor zonnepanelen te maken dan met gerecyclede grondstoffen te werken. Het meest circulair is de variant waarin van glas nieuw glas voor zonnepanelen wordt gemaakt. In deze variant kan ook de grondstof silicium worden herwonnen voor nieuwe zonnecellen. Dit is technologisch ingewikkeld maar wel mogelijk. Bij de recycling is aandacht nodig voor gevaarlijke stoffen in zonnepanelen: lood, antimoon en PFAS. Lood zit in het soldeermateriaal en antimoon zorgt voor de helderheid van het glas. PFAS zitten als fluorpolymeren in het achterblad van zonnepanelen, waardoor bij verbranding PFAS kunnen vrijkomen. De manier van recyclen bepaalt of en hoe de stof vrijkomt en mens en milieu eraan kunnen worden blootgesteld. Het RIVM raadt het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) aan de technologische ontwikkelingen om zonnepanelen te recyclen, te stimuleren. Dan zijn over vijf jaar deze of vergelijkbare recyclingmogelijkheden haalbaar. Het RIVM beveelt IenW ook aan te stimuleren dat bij het ontwerp rekening wordt gehouden met recycling. Dit geldt bijvoorbeeld voor de manier waarop de zonnecellen aan het glas en het achterblad worden gelijmd. Verder is het belangrijk om gevaarlijke stoffen zo min mogelijk te gebruiken. Zonnepanelen zonder lood en zonder PFAS zijn al te koop.The Netherlands has set a target of a circular economy by 2050. This entails that raw and manufactured materials, such as those in solar panels, are recycled. Currently, no raw materials are recovered from End-of-Life solar panels. It is expected that the first generation of solar panels will start to be taken out of use in large numbers in five years' time. It is important to be prepared for this and to recycle the panels safely and sustainably. Various technologies to recycle solar panels are being developed. RIVM has detailed four options for recycling the glass, solar cells and back sheets of solar panels. The materials recovered from solar panels can be reused as raw materials for various applications. For this study, we looked into which recycling options appear to be feasible in practice and how environmentally friendly they are. We compared these four options to the current situation (the baseline), in which the solar panels are shredded, the glass is crushed and used as an abrasive medium in the metal industry, and the remainder is then processed for various applications, such as for road bases. Our analysis shows that all four options are more circular and environmentally friendly than the baseline. Energy consumption differs for each option, but is much lower than for the baseline. This is due to various factors, including the fact that it costs more energy to process new raw materials into solar panels than to work with recycled raw materials. The option whereby glass is recycled into new glass for solar panels is the most circular one. In this case, the raw material silicon can also be recycled for use in new solar panels. This is technologically complex, but feasible. In the recycling process, attention must be paid to hazardous substances in solar panels: lead, antimony and per- and polyfluoroalkyl substances (PFAS). Lead is contained in soldering materials and antimony is added to make the glass brighter. The backsheets of solar panels contain PFAS as fluoropolymers, as a result of which PFAS can be released when they are incinerated. The way in which solar panels are recycled determines if and how substances are released and whether humans and the environment are exposed to them. RIVM advises the Ministry of Infrastructure and Water Management (IenW) to stimulate the technological developments that enable the recycling of solar panels. This would ensure that these or comparable recycling options are feasible in five years' time. RIVM also recommends IenW to stimulate design for recycling for solar panels. This applies, for example, to developing other encapsulant materials between the glass and the backsheet to enable easier dismantling. It is also important to minimise the use of hazardous substances. Panels without lead and PFAS are already available on the market