3685 research outputs found
Sort by
Kant and the Commons
The idea of a preliminary commons – a sphere of common property prior to private
property – is present in Kant’s philosophy of right where, with his theory of natural law, he
first makes a move towards a still underdeveloped kind of ‘objective idealism’. But he
cannot transform the idea of a preliminary commons into a theory of right that legitimates
social institutions or a sphere of positive law because he soon turns back to the subjective
idealism of his previous work in which he takes the world to be a transcendental
construction of human subjects. Kant’s anthropocentrism and the highlighting of private
property are a direct consequence of this subjective transcendentalism. Kant’s return to
subjective idealism also makes it impossible for him to conceive a theory of right based on
‘serviceable stewardship’ and ‘responsibility’ rather than on private property. My claim is
that in order to pass from a discourse of possession to one of responsibility it is necessary to
emphasize and enlarge his theory of natural law which, I argue, tends towards ‘objective
idealism’. Such idealism takes ‘objective reason’ to be manifesting itself in the world in an
almost Hegelian way – and it is not confined to the subjective consciousness of humans.
Things in the world can then be endowed with intrinsic rights. It is a further claim of this
paper that a consequent theory of the commons needs this transcendental complement
endowing things with intrinsic rights. Alternative positions like naturalism or subjective
idealism place objects in a domain ‘beyond right’ condemning nonhuman beings to
become merely potential private property. A remodelling of Kantianism would constitute
the main layer of a renewed humanism based on an enlarged idea of community and a
corresponding idea of responsibility for Being
Van collectieve representaties van de dood naar collectieve representaties van de dode. Een theoretisch onderzoek naar de betekenis van collectieve representaties van de dood in hedendaagse geïndividualiseerde uitvaartrituelen.
Deze scriptie is een interdisciplinaire literatuurstudie over veranderingen in de omgang met de
dood in de hedendaagse geïndividualiseerde westerse samenleving en in het bijzonder naar
uitvaartrituelen binnen deze context. Het doel van dit onderzoek is een bijdrage leveren aan de
theorievorming over rituelen. Onder invloed van verschillende sociaal maatschappelijke
ontwikkelingen, waaronder secularisering, individualisering en de pluralisering, hebben
hedendaagse uitvaartrituelen een steeds meer geïndividualiseerd karakter gekregen. Waar in
de kerkelijke rituelen het collectief een centrale rol speelt, lijkt dit in de hedendaagse
buitenkerkelijke rituelen naar de achtergrond geraakt. De vraagstelling die in het onderzoek
centraal staat is: Wat is de betekenis1 van collectieve representaties over de dood binnen
hedendaagse geïndividualiseerde2 uitvaartrituelen? Deze vraag heb ik getracht te
beantwoorden door middel van het samenbrengen en verbinden van drie wetenschappelijke
disciplines namelijk; Thanatologie3, Ritual studies en Memory studies.
Uit het literatuuronderzoek blijkt dat hoewel hedendaagse buitenkerkelijke uitvaartrituelen
een gepersonaliseerd en geïndividualiseerd karakter, hebben er toch sprake is van collectieve
representaties. In de christelijke uitvaartrituelen liggen de collectieve representaties van de
dood met name opgeslagen in het culturele geheugen. Het culturele geheugen omvat onder andere de bronnen van waaruit er in een samenleving betekenis wordt verleend aan de dood
en bestaat bijvoorbeeld uit rituele handelingen, teksten en symbolen. Een andere vorm van
collectief geheugen is het communicatieve geheugen. Het communicatieve geheugen zijn de
verhalen die van persoon op persoon worden overgedragen. Uit deze literatuurstudie blijkt dat
het communicatieve geheugen in de hedendaagse geïndividualiseerde uitvaart centraal is
komen te staan. De verhalen die door de nabestaanden worden gedeeld in het ritueel hebben
een tijdelijk karakter.
Op basis hiervan concludeer ik in dit onderzoek dat er binnen hedendaagse
geïndividualiseerde rituelen sprake is van collectieve representaties van de dode, van de
overledene. Door de individuele verhalen, die een belangrijke plaats innemen in het
hedendaagse geïndividualiseerde uitvaartritueel, construeert het collectief een representatie
van de overledene. De betekenis van de constructie van deze collectieve representatie van de
overledene in het ritueel, is gelegen in het feit dat vanuit deze constructie het leven van de
overledene kan worden gevierd. Hiermee kan er betekenis worden verleend aan zijn of haar
leven en de manier waarop dit na de dood kan doorwerken voor de nabestaanden
The ‘religiosity gap’ in a clinical setting: experiences of mental health care consumers and professionals
Het perspectief van de zorgverlener
Achtergrond en doel van dit onderzoek
De kwaliteit van de ouderenzorg staat in de Nederlandse samenleving ter discussie. De zorg sluit te weinig aan bij de behoefte van de zorgontvanger. Het perspectief van de zorgontvangers op de verkregen zorg is al meerdere malen wetenschappelijk onderzocht.
Het perspectief van de zorgverleners en hun pre-reflectieve ervaringen in het afstemmen met de zorgontvanger is nog onderbelicht.
Doel
Door dit onderzoek neemt het begrip toe over hoe zorgverleners het afstemmen met zorgontvangers ervaren. De verkregen inzichten kunnen gebruikt worden om de zorg beter te laten aansluiten bij de belevingswereld van de zorgontvanger, waardoor de kwaliteit van zorg kan verbeteren. Tevens neemt door dit onderzoek de kennis toe over de wijze waarop pre-reflectieve ervaringen wetenschappelijk onderzocht kunnen worden.
Methode
Dit onderzoek is uitgevoerd vanuit een fenomenologische hermeneutische benadering. De methode “reflexive bodily empathy” beschreven door Finlay, is in combinatie met de methode shadowing gebruikt als onderzoeksmethode. Voor deelname aan dit onderzoek zijn vier professionele zorgverleners geselecteerd die werkzaam zijn in de intramurale ouderenzorg.
Bevindingen
In de ervaringen van de zorgverleners komen een aantal thema’s als onderdeel van de betekenisstructuur naar voren, te weten; ‘lichamelijk afstemmen’, ‘natuurlijk samenspel’, ‘afstemmen in meerstemmigheid’, ‘gehinderd door tijdsdruk’ en ‘onderdrukken van emoties’.
De methode “reflexive bodily empathy” helpt om de belevingswereld van de respondent beter te begrijpen. De methode “reflexive bodily empathy” is goed bruikbaar om onbewust lichamelijke ervaringen, zoals afstemmen met een ander, wetenschappelijk te onderzoeken en is mogelijk ook bruikbaar in de zorgpraktijk.
Conclusie
Het gemeenschappelijke in de ervaringen van de zorgverleners is de door hen ervaren onmacht om zoiets gewoons, als afstemmen met een zorgontvanger, continu te kunnen doen.
Voor het goed afstemmen is een wederzijds open staan voor elkaar nodig, hetgeen in de praktijk niet altijd lukt. Zorgverleners sluiten zich regelmatig te veel af voor gevoelens, om goed te kunnen afstemmen. Zorgverleners ervaren een tijdtekort om goed te kunnen afstemmen
Bewonen en betekenis geven.
In deze masterthesis leg ik de theoretische basis voor een visuele, zorgethische en fenomenologische onderzoeksbenadering: visuele fenomenologie. Deze reflectieve benadering kenmerkt zich door het verzamelen van beeld, het analyseren van beeld en het presenteren van beeld. De visuele fenomenologie is gebruikt om zorgethisch onderzoek te doen naar de geleefde ervaring van mensen met een ernstig meervoudige beperking (EMB) in een woonvoorziening van Prisma. Het doel was een perspectief tonen aan zorgprofessionals dat aanzet gaf tot een dialoog over goede zorg voor mensen met EMB. De film toonde de onafhankelijkheid in afhankelijkheid van de bewoners. Uit de dialoog over de film, bleek dat de film resoneerde bij de zorgprofessionals, een fusie van horizonten vond plaats. De zorgprofessionals evalueerden vervolgens hun eigen handelen vanuit het getoonde perspectief. De evaluatie over de methode laat zien dat visuele fenomenologie een inclusieve afstemmingspraktijk is die de mogelijkheid biedt om ervaringen die zich niet in taal laten uitdrukken, vanuit een zorgethisch perspectief te tonen.
Uit de reflectie bleek dat de methode erg gevoelig is voor macht en een hoge mate van transparantie en reflectiviteit eist van de onderzoeker. Verder onderzoek naar onderliggende processen is daarom gewenst om de volle potentie van deze nieuwe weg te benutten
Het leven na de UvH. Zingevingsvragen van Alumni omtrent werk na het afstuderen.
Deze scriptie gaat over de zingevingsvragen betreffende doelgerichtheid, competentie en eigenwaarde van alumni aan de UvH in de transitie van studie naar werk. Aanleiding voor dit empirisch sociaalwetenschappelijk onderzoek is de ontwikkeling naar de laatmoderne samenleving in Nederland waarin jongvolwassenen vele vrijheden hebben gekregen om hun eigen leven naar wens vorm en richting te geven en een eigen identiteit te ontwikkelen. Hierbij worstelen zij met de verantwoordelijkheden die zij hebben gekregen om hun eigen leven in te delen, en keuzes te maken omtrent studie, zichzelf en hun professionele carrière.
Tot op heden lijkt er nog weinig onderzoek te zijn gedaan naar betekenisgeving door jongvolwassenen. Met behulp van dit onderzoek wordt verder ingegaan op de existentiële zingevingsvragen die jongvolwassenen zichzelf stellen in de overgang van studie naar werk. Dit onderzoek is een bijdrage aan de bestaande inzichten over zingeving in werk bij jongvolwassenen. De hoofdvraag van dit onderzoek luidt als volgt: Maken alumni binnen geesteswetenschappen een ontwikkeling door in de ervaring van doelgerichtheid, competentie en eigenwaarde in relatie tot werk in de vijf jaar na hun afstuderen, en zo ja, welke?
Om antwoord te kunnen geven op bovenstaande vraag zijn negen alumni geïnterviewd en is de data op thematische wijze geanalyseerd. De analyse van de data wijst uit dat alle geïnterviewde zich bezig houden met existentiële vragen, zowel met betrekking tot doelgerichtheid, competentie als eigenwaarde. Zij stellen zichzelf verschillende existentiële vragen als: “wanneer ervaar ik mijn werk als zinvol?” “wat voor werk past bij mijn kwaliteiten?” en “wordt mijn werk gewaardeerd?”. Op verschillende vragen hebben zij al (voorlopige) antwoorden geformuleerd, andere vragen blijven onbeantwoord. Daarnaast heeft er een ontwikkeling in de houding ten opzichte van deze zingevingsvragen plaatsgevonden. Ten opzichte van doelgerichtheid blijken de alumni een steeds helderder beeld te krijgen van hun doelen qua werk. Echter blijven zij kritisch en op zoek naar hun ideale plek in het werkveld. Met betrekking tot competentie komen de alumni er veelal in het werkveld pas achter dat ze meer kennis en vaardigheden bezitten dan bij het afstuderen van zichzelf gedacht. En ten aanzien van eigenwaarde ontstaat er een moment van crisis als het vinden van werk uitblijft na alle jaren van studie, maar met behulp van erkenning en waardering van collega’s en het opdoen van succeservaringen in het werkveld neemt de eigenwaarde in de eerste jaren werk weer toe. Respondenten noemden ook twee elementen die nog beperkt in bestaand onderzoek op het gebied van zingeving en werk aan bod komen: de behoefte aan verbinding op de werkvloer, en het omgaan met tegenslagen