3685 research outputs found
Sort by
Reading ageism in “geezer and grump lit”: Responses to The Secret Diary of Hendrik Groen, 83, ¼
Het goede huishouden. Zorgethisch onderzoek naar de waarde van het huishouden in relatie tot goede zorg in het verpleeghuis gezien door de ogen van de betrokkenen .
In voorliggende thesis is vanuit zorgethisch perspectief een antwoord gegeven op de vraag naar de waarde van het huishouden in relatie tot goede zorg voor dementerende bewoners in het verpleeghuis gezien door de ogen van betrokkenen.
Als goede huishoudelijke zorg beoogt wordt, dan blijkt het praktische huishoudelijke werk niet los te zien van de bereidheid om af te stemmen op de personen in de omgeving. De waarde van het doen van het huishouden schuilt in het bieden van een betekenisvol leven, structuur, het ervaren van huiselijkheid en zintuiglijke ervaringen. De afgestemde wijze kan uiteengerafeld worden in de ingrediënten aansluiten, aandacht, relationeel werk en tijd.
Het goede huishouden wordt gedragen door medewerkers huishouding die de ruimte krijgen en nemen om de identiteit van afgestemde huishoudelijke zorgverlener aan te nemen met behoud van vaktechnische kwaliteit. Alle betrokkenen zitten aan tafel om verantwoordelijkheden te verdelen met betrekking tot taken maar ook kennis van bewoners om zo goed mogelijk te kunnen afstemmen.
Om ruimte te maken voor een goed huishouden wordt geadviseerd het huishouden als moreel geladen praktijk te zien, derhalve morele leerprocessen te ondersteunen, weerbarstigheid toe te laten en dialogisch verantwoordelijkheden te verdelen
Where Hope Resides. A Qualitative Study of the Contextual Theory and Therapy of Ivan Boszormenyi-Nagy and its Applicability for Therapy and Social Work
Bron of belemmering ? Een zorgethisch onderzoek naar emoties en morele ruimte in de ouderenzorg
Verzorgenden en verpleegkundigen werkzaam in de ouderenzorg hebben in hun werk dagelijks te maken met leed, eenzaamheid, verdriet en moeilijk gedrag van patiënten en bewoners. Dit kan hen emotioneel raken en brengt emotionele belasting met zich mee. Er is echter weinig tijd en ruimte om dit te bespreken en bovendien wordt het toelaten en laten zien van emoties in het werkveld vaak gezien als onprofessioneel.
Door middel van zorgethisch onderzoek is in kaart gebracht hoe verzorgenden en verpleegkundigen van Pieter van Foreest het uiten van ‘moeilijke’ emoties binnen een institutionele context ervaren. Hierbij is gebruikgemaakt van de methode institutionele etnografie. De data zijn verzameld door middel van observeren, interviewen en het analyseren van documenten.
Uit de resultaten blijkt dat verzorgenden en verpleegkundigen tijdens hun werk verschillende ‘moeilijke’ emoties ervaren. Opvattingen over professionaliteit, organisatie- en werkstructuren, verschillende ervaringen van cultuur en normen van goede zorg kunnen invloed hebben op het uiten van deze emoties. Verzorgenden en verpleegkundigen lijken hun eigen emoties en behoeften naar de achtergrond te verplaatsen, om zo aan de behoeften van de bewoners te kunnen voldoen.
Alhoewel emoties door verzorgenden en verpleegkundigen als signaleringsinstrument gebruikt worden, lijkt de morele waarde van emoties niet onderkend te worden. Het is van belang dat binnen zorgorganisaties morele ruimtes gecreëerd worden waar aandacht is voor emoties en waar emoties gebruikt kunnen worden om waarden, behoeften of verantwoordelijkheden te verduidelijken. Zo kan een interactief, reflectief proces ontstaan en een herverdeling van verantwoordelijkheden plaatsvinden
Tragiek, machteloosheid en verwondering. Een zorgethisch onderzoek naar de ervaring van machteloosheid van de arts in de zorg voor oudere patiënten in het ziekenhuis.
Titel: Tragiek, machteloosheid en verwondering. Een zorgethisch onderzoek naar de ervaring van machteloosheid van de arts in de zorg voor oudere patiënten in het ziekenhuis.
Binnen de hedendaagse gezondheidszorg en ziekenhuiszorg ligt de nadruk op oplossen van problemen en verlichten van lijden. Toch kan niet al het menselijk lijden verlicht worden en zodoende licht binnen de zorg de tragische dimensie van het menselijk bestaan ook op. In dit zorgethische onderzoek is nagegaan op welke manier de tragische dimensie van het bestaan terugkomt in de ervaring van artsen in de zorg voor ouderen in het ziekenhuis. De hoofdvraag van het onderzoek is: In hoeverre en op welke manier verschijnt de tragische dimensie van het bestaan in de ervaring van machteloosheid bij klinisch geriaters in de zorg voor oudere patiënten, en wat betekent dit voor zorgethische theorievorming? Er is een theoretische verkenning gemaakt van het begrip tragiek en hoe dit binnen de (zorg)ethische literatuur is geconceptualiseerd. Daaruit kwam naar voren dat het nauw verbonden is met het critical insight kwetsbaarheid en werd het gezien als een vorm van moreel lijden onder omstandigheden waarop een mens geen invloed kan uitoefenen. Daarin is ook sprake van de ervaring van machteloosheid. Via een fenomenologisch onderzoek is inzicht verkregen in de geleefde ervaring van machteloosheid van artsen in de zorg voor oudere patiënten in het ziekenhuis. Door middel van evocatieve verhalen is deze zichtbaar gemaakt. Uit de analyse van deze verhalen komt naar voren dat de kern van de ervaring van machteloosheid zich laat omschrijven als een botsing tussen twee belevingswerelden waarbij een ideaal van de arts wordt bedreigd en waarin sprake is van een ontbreken van overeenstemming over de zorg. Daarnaast zijn in twee Wonderlab-bijeenkomsten met de respondenten verhalen en ervaringen uitgewisseld rond de vraag hoe het is om in het werk met de grens van het eigen handelen geconfronteerd te worden. Daaruit komt voren dat in de confrontatie met deze grens artsen zich bewust worden van verschillende perspectieven in zorg, in het bijzonder in de kloof tussen henzelf en patiënten/familie in de communicatie over de zorg. Uit een vergelijking van de empirische bevindingen met de theorie over het tragische, komt naar voren dat de arts in haar streven naar een bepaald ideaal in de zorg voor oudere patiënten vatbaar wordt voor een vorm van moreel lijden. Hierin toont zich de tragische dimensie van het bestaan in de ervaring van de artsen. De houding van verwondering lijkt een passende manier om de ervaring van machteloosheid te benaderen en ruimte te geven, en dit zou gezien kunnen worden als een manier om het ‘arrangement van de tragiek’ voor artsen vorm te geven
Pre-Meeting Institute November 13: Brief Eclectic Psychotherapy (BEPP) for complex trauma and traumatic grief
Oh ja, wie ben ik? Een empirische verkenning van visies van humanistisch geestelijk verzorgers op vormingsonderwijs.
Hoewel vorming en scholing als één van de kerntaken van een geestelijk verzorger (GV’er) beschouwd wordt, is er gebrek aan wetenschappelijke literatuur en vakpublicaties die ingaan op beoogde doelen van vormingsonderwijs door GV’ers. Dit verkennend onderzoek biedt inzicht in de verhouding tussen de doelen van vormingsonderwijs aan professionals volgens GV’ers en doelen van vormingsonderwijs zoals beschreven in de morele filosofie, morele psychologie, theoretische pedagogiek en godsdienstpedagogiek. Het empirische gedeelte van het onderzoek richt zich in het bijzonder op humanistisch geestelijk verzorgers (HGV’ers) werkzaam bij Defensie in Nederland. Analyse van de negen diepte-interviews wees uit dat een deel van de HGV’ers moeite blijkt te hebben met het begrip ‘vorming’ en dat zij een spanning ervaren tussen het beeld dat zij hebben van het docentschap en dat van het ambt van GV. Door GV’ers werden beoogde doelen van vormingsonderwijs genoemd met betrekking tot het individu en met betrekking tot het individu in relatie tot de ander(en). Deze doelen zijn onderverdeeld in vier hoofdthema’s en onderliggende subthema’s: doelen met betrekking tot: reflecteren en bewust worden, kracht van de mens, vaardigheden en de relatie. Vervolgens zijn in het theoretische gedeelte van het onderzoek beoogde doelen vanuit een humanistisch-, inclusief levensbeschouwelijk- en intercultureel en democratisch perspectief op vorming geïdentificeerd. Analyse van overeenkomsten en verschillen tussen beoogde doelen volgens HGV’ers en de bestudeerde auteurs wees uit dat GV’ers, net als de auteurs, met name doelen beschrijven die gaan over: reflecteren op zichzelf, in relatie tot anderen of maatschappelijke thema’s en met betrekking op de relatie. Een eerste opvallend verschil betrof dat er in de diepte-interviews veel nadruk wordt gelegd op subdoelen die gaan over het verhouden van iemand tot zichzelf in een bepaalde rol in de militaire context. In deze literatuurstudie zijn hier geen doelen over gevonden. Een tweede verschil betrof dat in bestudeerde literatuur meer doelen met betrekking tot het ontwikkelen van een actief en betrokken burgerschapshouding beschreven worden, deze vormingsdoelen werden niet door de GV’ers genoemd. Ten derde valt op dat door GV’ers verschillende doelen met betrekking tot groepsdynamica en het versterken van de groepsband worden genoemd. In de bestudeerde artikelen zijn deze doelen niet teruggevonden. Tenslotte is er in relevante literatuur een breder spectrum van vormingsdoelen te vinden op het gebied van ‘de kracht van de mens’, dan dat er door HGV’ers wordt benoemd. De gevonden verschillen bieden diverse aanknopingspunten voor vervolgonderzoek op het snijvlak van GV en educatie