International Journal of Global Community (Riksawan Institute - IJGC-RI)
Not a member yet
    12510 research outputs found

    Pay, promotions, and performance:essays on personnel economics

    No full text
    Sinds het begin van de jaren 70 zijn economen zich in toenemende mate gaan interesseren voor dat wat zich afspeelt binnenin ondernemingen, zoals de verhoudingen tussen eigenaars enerzijds en werknemers anderzijds (de interne arbeidsmarkt). In deze periode heeft onder andere onderzoek plaatsgevonden naar tegenstellingen in belangen, informatie en risicohouding. Personnel economics is één van de vakgebieden die uit de groeiende interesse is ontsponnen en wordt gedefinieerd als het terrein waar beloningsinstrumenten en economische analyse worden gebruikt om na te denken over human resource kwesties. Dit proefschrift bevat vier empirische essays die zich concentreren op verschillende facetten van personnel economics. Ik onderzoek op welke manier het ontwerp van een beloningssysteem, de interne arbeidsmarkt en externe carrièremogelijkheden werknemers motiveren en dus de prestaties verhogen.De belangstelling voor personnel economics is zowel theoretisch als praktisch van aard. Vanuit theoretisch oogpunt zijn met name de integratie van relevante psychologische en sociologische principes in economische modellen in opkomst. Hiervoor is verder empirisch onderzoek nodig, concentrerend op de interne arbeidsmarkt. Maar ook vanuit de praktijk is dergelijk onderzoek relevant. Managers tonen een groeiende interesse voor prestatiebeloning en ook is de publieke belangstelling voor variabele beloning erg groot, zoals blijkt uit de media aandacht rond de beloning van topmanagers. Maar niet alleen de topsalarissen staan in de belangstelling; prestatie beloning wordt op vele niveaus in het bedrijfsleven gebruikt en zelfs ingevoerd in sommige delen van de publieke sector. Voordat de empirische essays van dit proefschrift worden besproken, behandel ik in Hoofdstuk 2 de gemeenschappelijke theoretische achtergrond om op deze manier een overzicht te creëren van het speelveld waarbinnen dit proefschrift zich bevindt. Dit theoretisch kader is enerzijds gesplitst in een gedeelte waarin motivatie theorieën worden besproken (het principaal-agent model, het toernooi model en de vanuit psychologie stammende crowding theorie) en anderzijds in een gedeelte waarin het menselijk kapitaal centraal staat (human capital theorie en matching modellen).Hoofdstuk 3 is gericht op het vaststellen van de effecten van het beloningssysteem op zowel werknemersmotivatie als een aantal afgeleide prestatie-indicatoren voor individuele werknemers (ziekteverzuim, werknemerstevredenheid en de intentie om de onderneming te verlaten, ofwel verloopintentie). ‘Beloningssysteem’ is gedefinieerd als de combinatie van prestatiemaatstaven en doelstellingen, het evaluatieproces en de koppeling tussen de evaluatie van medewerkers en hun beloning. Die individuele beloning heeft een financiële component, bestaande uit een vast en een variabel (prestatie-)deel, en een zeker zo belangrijke tweede component: promoties. Naast deze expliciete factoren zijn ook impliciete factoren van een beloningssysteem van belang, te weten de perceptie die werknemers hebben van een beloningssysteem. Ik veronderstel dat de motiverende werking van een beloningssysteem groter zal zijn, naar mate de werknemers percipiëren dat het system transparant, beheersbaar en eerlijk is. Eerlijkheid heeft enerzijds betrekking op de relatie tussen de hoogte van de beloning en de geleverde inspanning, de zogeheten reciprociteit van de relatie tussen werkgever en werknemer. Anderzijds heeft eerlijkheid betrekking op de eerlijkheid van de gehanteerde procedures, oftewel of werknemers eerlijk worden behandeld ten opzichte van zijn of haar gelijke. Ik veronderstel dat een beloningssysteem dat hoog scoort op deze impliciete factoren werknemers extrinsiek motiveert. Bovendien voorspelt de crowding theorie een relatie met intrinsieke motivatie.Het onderzoek is aan de hand van drie databronnen uitgevoerd bij een divisie van een AEX-onderneming. In de eerste plaats heb ik alle personeelsbestanden geraadpleegd en de regels van het beloningssysteem in kaart gebracht. Daarnaast heb ik interviews gehouden met managers om hun ervaringen met en meningen over het beloningssysteem te inventariseren. Tenslotte heb ik een enquête opgesteld, die de basis vormt voor de empirische analyses. De resultaten laten zien dat een beloningsysteem inderdaad als instrument gebruikt kan worden om de motivatie van werknemers te beïnvloeden. Ik vind een positieve relatie tussen de gepercipieerde eerlijkheid en beheersbaarheid van de geldelijke component van het beloningssysteem en extrinsieke motivatie. Verder tonen de analyses aan dat wanneer werknemers de geldelijke beloning als eerlijk percipiëren, de tevredenheid over de baan hoog en de intentie om een andere baan te zoeken laag is. Voor werkgevers betekent dit dat zij de effectiviteit van het beloningssysteem kunnen vergroten door bij de inrichting van het systeem goed met deze factoren rekening te houden. De gepercipieerde factoren van geldelijke beloning hebben echter geen significant effect op intrinsieke motivatie, een relatie die wel wordt verondersteld door de crowding theorie.Uit de resultaten blijkt verder dat promoties een belangrijk instrument zijn voor werkgevers om de motivatie van werknemers te verhogen. Voor promoties blijken transparantie, beheersbaarheid en eerlijkheid allen van belang te zijn om een hoge extrinsieke motivatie te bewerkstelligen. Bovendien hebben transparantie en beheersbaarheid van promotiemogelijkheden een positieve relatie met intrinsieke motivatie. Werkgevers kunnen dus met promotiemogelijkheden zowel de intrinsieke als de extrinsieke motivatie van werknemers beïnvloeden. Ook hebben de beheersbaarheid en de transparantie van promoties een positieve relatie met werktevredenheid.De motiverende werking van promoties wordt in meer detail geanalyseerd in Hoofdstuk 4. Een economisch model dat het effect van promoties onderzoekt is het toernooimodel. In dit model wordt een onderneming vergeleken met één groot toernooi, waarbij iedereen telkens tracht de volgende ronde te bereiken om zo uiteindelijk de hoofdprijs te winnen: CEO worden. We hebben onderzoek gedaan onder ruim 600 werknemers, werkzaam op het hoofdkantoor van een beursgenoteerde onderneming. We hebben drie databronnen aan elkaar gekoppeld: de bedrijfsspecifieke CAO, historische profielen van de werknemers en een enquête om motivatie en individuele perceptie van promotieperspectieven te meten. De CAO en de historische werknemersgegevens geven de indicatie dat binnen dit bedrijf promoties de bepalende factor zijn voor loonstijgingen.Deze relatie is nader onderzocht door het schatten van intrinsieke en extrinsieke motivatie. Hierbij heb ik als belangrijkste verklarende variabelen de verwachte en gerealiseerde promoties gebruikt, opgesplitst naar tijdsperioden. Daarnaast is een aantal controlevariabelen opgenomen. Uit mijn analyses blijkt dat werknemers die verwachten binnen drie jaren een promotie te kunnen maken, significant sterker extrinsiek gemotiveerd zijn dan anderen. De door extra geld en status aangewakkerde motivatie is laag wanneer de werknemer verwacht dat een promotie langer dan drie jaar op zich laat wachten of wanneer de werknemer helemaal geen promotie verwacht. Voor intrinsieke motivatie vind ik een soortgelijk verloop maar minder pregnant. Intrinsieke motivatie is met name gerelateerd aan de hoeveelheid tijd die verlopen is sinds de laatste promotie. Als deze ver in het verleden ligt, heeft dit een negatief effect op het huidige niveau van intrinsieke motivatie.Dit onderzoek laat zien dat promoties de extrinsieke motivatie van medewerkers verhogen op vergelijkbare wijze als variabele beloning. Het vooruitzicht op een hoger salaris en meer status zorgt ervoor dat werknemers harder gaan werken als een promotie kan worden binnengehaald. Indien vervolgens de promotie een feit is geworden of wanneer de promotiekans verdwijnt, omdat iemand anders deze (toernooi)ronde heeft gewonnen, verdwijnt deze motivatie even gemakkelijk als zij gekomen is. Daarnaast heeft het behalen van een promotie ook een positief effect op intrinsieke motivatie. Als een persoon eenmaal is ingewerkt in een nieuwe baan, zal de uitdaging hiervan zorgen voor meer plezier en voldoening in het werk zelf. In de vorige twee hoofdstukken heb ik onder meer de motiverende werking van promoties benadrukt. Indien een organisatie dit instrument wil benutten, dient zij wel in staat te zijn om werknemers interne carrièremogelijkheden te bieden. Met andere woorden: het is noodzakelijk dat binnen de organisatie een interne arbeidsmarkt aanwezig is. Empirisch onderzoek binnen personnel economics heeft zich met name toegespitst op het analyseren van een enkele interne arbeidsmarkt. Er is niet vastgesteld in welke mate deze resultaten idiosyncratisch zijn of welke externe factoren de aanwezigheid van een interne arbeidsmarkt bepalen. In Hoofdstuk 5 onderzoek ik op welke manier de interne arbeidsmarkt wordt beïnvloed door vier karakteristieken: de bedrijfstak, de winstgevendheid, de grootte en de groei van de organisatie. In dit onderzoek leg ik mij toe op een van de noodzakelijke condities voor de interne arbeidsmarkt, namelijk het bestaan van specifieke poorten waardoor werknemers toetreden tot een organisatie, of een organisatie verlaten. Hierbij volg ik een literatuurstroom die gerelateerd is aan personnel economics, te weten literatuur die het verloop van CEO’s onderzoekt. De positie van een CEO kan worden beschouwd als een specifieke poort voor toetreding en exit. Ik ga in dit hoofdstuk dezelfde weg bewandelen als deze literatuurstroom, die ook onderzoekt of soortgelijke karakteristieken (winstgevendheid, grootte van de onderneming e.d.) van invloed zijn op het verloop van CEO’s en het aantrekken van een nieuwe CEO.De dataset die ik heb gebruikt in dit onderzoek is afkomstig van het Deense Center for Corporate Performance (CCP). Het betreft hier een dataset waarin alle inwoners van Denemarken in de periode 1980-2000 zijn gekoppeld aan hun werkgever. Bovendien is er informatie beschikbaar over het niveau waarop werknemers actief zijn binnen een organisatie. Deze paneldata bieden derhalve de mogelijkheid om te onderzoeken of bedrijfsspecifieke factoren invloed hebben op het niveau waarop nieuwe werknemers een organisatie binnenkomen dan wel verlaten. De resultaten betreffende het verloop van werknemers laten zien dat slechte winstgevendheid uiteraard leidt tot meer verloop, maar dat dit effect pregnanter is voor het topmanagement. Een lage winstgevendheid zorgt ervoor dat in een organisatie relatief meer verloop plaatsvindt op het hoogste niveau dan in de rest van de organisatie. Verder laten de resultaten zien dat grote, winstgevende en groeiende ondernemingen werknemers op een lager niveau de organisatie binnen laten stromen dan kleine, minder winstgevende en eventueel zelfs krimpende ondernemingen. De impact van de bedrijfstak is minder eenvoudig te generaliseren. Er is bewijs gevonden dat met name bij productiebedrijven doorstroom van lagere niveaus naar het middenkader moeizaam verloopt. Helaas stonden de data niet toe om de bedrijfstak financiële diensten te analyseren. Deze bedrijfstak is in vorig onderzoek naar voren gekomen als een bedrijfstak met een sterke interne arbeidsmarkt. Wel is het specifieke geval van CEO verloop onderzocht. Hier vind ik het resultaat dat winstgevende ondernemingen relatief meer geneigd zijn om de nieuwe CEO binnen de eigen organisatie te zoeken, dan ondernemingen met een lagere winstgevendheid.Tot nu toe is het belang van promoties belicht en zijn karakteristieken kenbaar gemaakt waaraan bedrijven moeten voldoen om werknemers carrièremogelijkheden te bieden. Een logische vervolgstap is om de vraag te stellen in hoeverre werknemers en werkgevers gebaat zijn bij doorlopende arbeidsrelaties; denk hierbij aan werknemers die hun hele leven bij dezelfde organisatie werkzaam zijn. Bedrijfsspecifiek menselijk kapitaal wordt vaak als beweegreden aangehaald om dergelijke lange arbeidsverbintenissen te verklaren. Matching modellen beschrijven een gangbare theorie die verklaart waarom werknemers toch van baan wisselen. Het vinden van een beter passende baan (een betere match) biedt in deze theorie een verklaring voor mobiliteit. In hoofdstuk 6 bekijk ik of andere principes ook ertoe zouden kunnen leiden dat werknemers arbeidsrelaties aangaan voor kortere termijn. Zo zou voor werknemers het wisselen van werkgever gunstige gevolgen kunnen hebben. Een nieuwe baan gaat gepaard met nieuwe uitdagingen en ontwikkelingsmogelijkheden. Verder kunnen nieuwe vaardigheden worden gecombineerd met reeds aanwezige kennis, waardoor een nieuwe waardevolle vorm van menselijk kapitaal ontstaat. Bovendien is het voor ondernemingen noodzakelijk te blijven veranderen, zich aan te passen aan nieuwe omstandigheden en inertie te vermijden, zoals beschreven in de organizational change theorie. Ook deze theorie benadrukt het belang van mobiliteit, maar ditmaal vanuit het perspectief van de werkgever. Samen leidt dit tot de hypothese dat het verzamelen van werkervaring bij verschillende werkgevers een positief effect zal hebben op het loonniveau van werknemers.Om de hypothese te testen heb ik wederom gebruik gemaakt van de databron van het CCP in Denemarken. Werknemers die in 1981 begonnen met hun loopbaan heb ik voor een periode van 20 jaar gevolgd. Verschillende technieken liggen aan de basis van dit onderzoek en zijn erop gericht om te bekijken of historisch verloop (het aantal verschillende banen vóór de huidige baan) van invloed is op het huidige loonniveau, waarbij wordt gecorrigeerd voor schattingsproblemen (endogeniteit).De resultaten laten zien dat mobiliteit een positief effect heeft op het loonsniveau van werknemers. Alles omvattend duiden de resultaten op een bevestiging van de hypothese: mobiliteit blijkt een dermate gunstig effect te hebben op het loon van werknemers, onverklaard door gangbare theorieën, dat verdergaand onderzoek op dit terrein aanbevelingswaardig is. De conclusies staan beschreven in hoofdstuk 7, waarin ik de theoretische kant van de conclusies belicht en ook de implicaties voor verder onderzoek. Ik formuleer specifiek vier kwesties waarop verder onderzoek zich zou kunnen richten. •Wat is de oorzaak en wat is het gevolg in de relatie tussen de karakteristieken van het beloningssysteem en motivatie? In hoofdstuk 3, waarin ik de relatie onderzoek tussen de karakteristieken van het beloningssysteem en intrinsieke en extrinsieke motivatie, ben ik niet in staat om de causaliteit van deze relatie vast te stellen. Deze onderzoeksvraag volgt rechtstreeks uit dit probleem.•Wat is de empirische validiteit van de crowding theory? Er is op dit moment geen consensus over de aannames die ten grondslag liggen aan de crowding theorie. Bovendien is het schaarse empirische bewijs dat ondersteuning biedt aan deze theorie niet afkomstig uit onderzoek naar standaard werkgevers-werknemers relaties. Concluderend lijkt een eenduidige specificatie en empirisch onderzoek naar de crowding theorie in de juiste setting noodzakelijk.•Hoe idiosyncratisch zijn de resultaten ten aanzien van de interne arbeidsmarkt? In dit proefschrift wordt één specifiek karakteristiek van de interne arbeidsmarkt nader onderzocht, te weten de aanwezigheid van specifieke poorten voor toetreding en exit. De overige karakteristieken zijn niet geanalyseerd met behulp van grote datasets, noch zijn factoren geïdentificeerd die bepalend zijn voor hun aanwezigheid. Dit biedt mogelijkheden voor vervolgonderzoek.•Wat is de relatie tussen mobiliteit en prestatie? In Hoofdstuk 6 maak ik gebruik van het loonsniveau van werknemers om de effecten van mobiliteit op menselijk kapitaal te meten. Hierbij ga ik derhalve voorbij aan andere factoren die het loon kunnen beïnvloeden, zoals motivatie, wat verder onderzocht dient te worden.Hoofdstuk 8 geeft een samenvatting en zoomt in op de implicaties van dit proefschrift voor managers. Hierbij plaats ik de conclusies van het empirisch onderzoek in een breder kader, zodat de relatie met voorgaand onderzoek duidelijk wordt. De voor managers relevante conclusies van dit proefschrift zijn:•Er is geen bewijs gevonden voor het bestaan van een relatie tussen de karakteristieken van geldelijke beloning en intrinsieke motivatie. •De perceptie van ‘eerlijkheid’ van het beloningssysteem is een uitermate belangrijk karakteristiek met een directe relatie met extrinsieke motivatie.•Het vooruitzicht van promoties heeft een relatie met extrinsieke motivatie, zoals het toernooi model voorspelt, en kan dus dienen als substituut voor variabele beloning.•Een gerealiseerde promotie heeft als bonus een positief effect op intrinsieke motivatie.•Het gebruik van de interne arbeidsmarkt als motivatie-instrument is met name geschikt voor grote, groeiende en winstgevende ondernemingen.•Wisselingen in banen heeft een positief effect op het loonsniveau van werknemers, hetgeen erop duidt dat het aantrekken van buitenstaanders door organisaties wordt gewaardeerd. Het belang van de interne arbeidsmarkt is niet grenzeloos. Met name de laatste aanbeveling voor managers heeft ook implicaties voor beleidsmakers. Een meer flexibele arbeidsmarkt met minder focus op de bescherming van werknemers zou positieve gevolgen kunnen hebben voor de motivatie en productiviteit van zowel de zittende als de vertrekkende werknemers

    Inheritance of gynandromorphism in the parasitic wasp <i>Nasonia vitripennis</i>

    No full text
    The parasitic wasp Nasonia vitripennis has haplo-diploid sex determination. Males develop from unfertilized eggs and are haploid, whereas females develop from fertilized eggs and are diploid. Females and males can be easily distinguished by their morphology. A strain that produces individuals with both male and female features (gynandromorphs) is studied. We provide data on female/male patterning within and between individuals, on environmental effects influencing the occurrence of gynandromorphism, and on its pattern of inheritance. A clear anterior/posterior pattern of feminization is evident in gynandromorphic individuals that developed from unfertilized haploid eggs. The proportion of gynandromorphic individuals can be increased by exposing the mothers to high temperature and also by exposing embryos at early, stages of development. Selection for increased gynandromorph frequency was successful. Backcross and introgression experiments showed that a combination of a nuclear and a heritable cytoplasmic component causes gynandromorphism. Analyses of reciprocal F-2 and F-3 progeny indicate a maternal effect locus (gyn1) that maps to chromosome IV. Coupled with previous studies, our results are consistent with a N. vitripennis sex determination involving a maternal/zygotic balance system and/or maternal imprinting. Genetics and temperature effects suggest a temperature-sensitive mutation of a maternally produced masculinizing product that acts during a critical period in early embryogenesis.</p

    Fiscal policy, monopolistic competition, and finite lives

    No full text
    This paper studies the short-run, transitional, and long-run output effects of permanent and temporary shocks in public consumption under various financing methods. To this end, a dynamic macroeconomic model for a closed economy is developed, which features a perfectly competitive final goods sector and a monopolistically competitive intermediate goods sector. Finitely lived households consume final goods, supply labor, and save part of their income. Amongst the findings for a permanent rise in public consumption are: (i) monopolistic competition increases the absolute value of the balanced-budget output multiplier; (ii) positive long-run output multipliers are obtained only if the generational turnover effect is dominated by the intertemporal labor supply effect; (iii) short-run output multipliers under lump-sum tax financing are smaller than long-run output multipliers if labor supply is elastic; and (iv) bond financing reduces the size of long-run output multipliers as compared to lump-sum tax financing and may give rise to non-monotonic adjustment paths if labor supply is sufficiently elastic and the speed of adjustment of lump-sum taxes is not too high. Temporary bond-financed fiscal shocks are shown to yield: (i) permanent effects on output; and (ii) negative long-run output multipliers. (C) 2006 Elsevier B.V. All rights reserved.</p

    Two connections between random systems and non-Gibbsian measures

    No full text
    In this contribution we discuss the role disordered (or random) systems have played in the study of non-Gibbsian measures. This role has two main aspects, the distinction between which has not always been fully clear: 1) From disordered systems: Disordered systems can be used as a tool; analogies with, as well as results and methods from the study of random systems can be employed to investigate non-Gibbsian properties of a variety of measures of physical and mathematical interest. 2) Of disordered systems: Non-Gibbsianness is a property of various (joint) measures describing quenched disordered systems. We discuss and review this distinction and a number of results related to these issues. Moreover, we discuss the mean-field version of the non-Gibbsian property, and present some ideas how a Kac limit approach might connect the finite-range and the mean-field non-Gibbsian properties

    A new animal welfare concept based on allostasis

    No full text
    Animal welfare is an increasing issue of public concern and debate. As a result, many countries are reconsidering the way animal welfare is embedded in the legislation and rules for housing and care of animals. This requires general agreement of what animal welfare is. Unfortunately, the current science of animal welfare is less scientific than what has been claimed. In our view, it is overly guided by anthropocentric thinking about how animals ought to be handled and neglects the latest concept of physiology: 'The Allostasis Concept'. Allostasis, which means stability through change, has the potential to replace homeostasis as the core model of physiological regulation. Not constancy or freedoms, but capacity to change is crucial to good physical and mental health and good animal welfare. Therefore, not homeostasis but allostasis is at the basis of our new animal welfare concept. This paper is aimed at a broader scientific discussion of animal welfare that includes knowledge from the latest scientific developments in neurobiology and behavioral physiology, and generates views that are extremely relevant for the animal welfare discussion. (c) 2006 Elsevier Inc. All rights reserved.</p

    Leasing and legal culture:towards consistent behaviour in tax treatment in civil law and common law jurisdictions

    No full text
    Dit proefschrift bevat een historisch rechtsvergelijkende studie naar het fenomeen leasing als een 'commmon law' concept ontwikkeld in de Verenigde Staten dat is getransplanteerd naar de 'civil law' landen Colombia, Frankrijk en Nederland. Bovendien verschaft dit proefschrift aanbevelingen met betrekking tot te nemen maatregelen ter harmonisatie van wetgeving inzake leasing. In deze studie is aangetoond dat de ontvangststaten elk hun eigen regels en oplossingen hebben ontwikkeld bij de incorporatie van leasing in hun wetgeving. Daarnaast is gesteld en bewezen dat de verschillen in juridische regels voor leasing verklaard kunnen worden uit verschillende juridische systemen en culturen tussen de onderzochte landen

    A balanced team generating model

    No full text
    This paper introduces a general team balancing model. It first summarizes existing balancing methods. It is shown that for these methods it is difficult to meet all the conditions posed by Belbin on balanced teams. This mainly is caused by the complexity of the balancing problem. A mathematical model is then introduced that gives one the opportunity to take into account these conditions in mutual coherence and to generate a balanced team in terms of Belbin. A practical application is given. (c) 2006 Elsevier B.V. All rights reserved.</p

    An ex-ante evaluation of a White Certificates scheme in The Netherlands:A case study for the household sector

    No full text
    Increased efficiency of energy demand is generally recognized as a very cost-effective strategy to reduce energy requirements and the related environmental impacts (e.g. the greenhouse effect). In order to improve energy efficiency the use of innovative market mechanisms, such as the White Certificates (WhC), has been proposed. The basic idea underlying this policy instrument is that specific energy saving targets are set for energy suppliers or energy distributors. These requirements must be fulfilled in a predefined time frame. The focus of this paper is on the effect on energy efficiency improvement, on the behavior of the end consumers and the market of energy efficiency measures. Furthermore, we study the possible effects of WhC in The Netherlands by means of a theoretical analysis and an empirical bottom-up model. We compare concrete energy efficient technologies in terms of cost-effectiveness and energy efficiency improvement. In combination with existing Dutch policies for energy efficiency improvement in the built environment, the contribution of this innovative scheme could enhance the accomplishment of energy efficiency targets. In this paper, two packages of energy saving measures of a WhC scheme are studied for Dutch households. The costs of these technologies are estimated through the use of different discount rates, which imply overcoming of the market barriers through the use of the WhC. A scheme that includes all available technologies as flexible options appears as a realistic solution and can generate cost effectively up to 180 PJ primary energy savings and 4550 ME cumulative net savings in the year 2020, at a discount rate of 5%, under the precondition that the policy and administrative costs can be kept low. (c) 2006 Elsevier Ltd. All rights reserved.</p

    Impartial scientific advice for citizen participation in decision making processes

    No full text
    The Chemistry Shop of Groningen University has a history of more than 25 years of opening scientific research to civil society. It gives (mostly free) advice to the non-profit side of civil society, such as citizen and neighbourhood groups, workers associations, patients groups, environmental organisations, et cetera. In many of our cases there is some kind of dispute between citizens, and companies or local authorities. Often, all parties refuse to talk because of mistrust and not understanding each other’s motives. In this paper I will describe the role that we play in these disputes. There are different stages in which our science communication has an influence. This ranges from advise on scientific reports that are used by other parties, to doing additional research, andparticipation in the discussion with stakeholders. I will describe a number of cases, mostly focusing on the issue of ‘odour pollution'.In our work, we maintain our impartiality as scientists, and integrate other knowledge domains such as law and health. Sometimes we can achieve absolutely nothing for our client group, sometimes we achieve more than they hoped for. In general, our scientific support allows the citizens to discuss on an equal level with the other parties, because they can better handle the scientific and technical details of the issue. In many cases, our involvement benefits all actors involved, since in the end trust is restored. Therefore, the science shop is a good practice to involve citizens in the political decision making process, especially in local and regional issues. The citizens get the information and supportthat they need to participate (empowerment). By the way, for a scientist, communicating science with ‘real people’ in real troublesome situations is also very rewarding.<br/

    149

    full texts

    12,510

    metadata records
    Updated in last 30 days.
    International Journal of Global Community (Riksawan Institute - IJGC-RI)
    Access Repository Dashboard
    Do you manage Open Research Online? Become a CORE Member to access insider analytics, issue reports and manage access to outputs from your repository in the CORE Repository Dashboard! 👇