726 research outputs found
Sort by
'David zegt van Hem’
In dit onderzoek staat de functie van het citaat van Psalm 16 in Handelingen 2 centraal.
In hoofdstuk 2 is eerst een inleiding op Handelingen gegeven om de plaats van hoofdstuk 2 in het boek te markeren. Daar wordt geconstateerd dat Handelingen 2 de belangrijke openingsacte van het boek is en tevens een kruispunt in Lukas-Handelingen.
Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 ingezoomd op Handelingen 2. Daar vormt de redevoering van Petrus het centrum. In deze redevoering wordt Psalm 16 als argument gebruikt in de redenering die uitloopt op de christologische climax van vers 36 dat Jezus ‘Heere’ en ‘Christus’ blijkt te zijn. Psalm 16 wordt echter niet op zich gebruikt maar in een ‘web’ van verbale en thematische verbanden met een citaat uit Psalm 110 en toespelingen op Psalm 18, Psalm 132 (2 Samuël 7), Psalm 118 en Psalm 139.
In hoofdstuk 4 wordt Psalm 16 in de Masoretische Tekst bezien. Psalm 16 is een vertrouwenslied. Het hoopvolle vertrouwen dat de dichter uitspreekt gaat zover dat zelfs de invloedssfeer van de dood (in de gedaante van het graf en verderf) de dichter niet van God kan scheiden. Hoewel niet is vast te stellen of Psalm 16 het leven na de dood direct op het oog heeft, bieden de niet-afgebakende woorden die gebruikt worden in de climactische opbouw een opening in die richting. De psalm heeft daarom een nadrukkelijk ‘eschatologisch potentieel’. Een ‘messiaanse’ lezing is alleen vanuit de plaats in de canon te ondersteunen (Psalm 15-24).
De vertaling van Psalm 16 in de LXX wordt in hoofdstuk 5 vergeleken met de MT. Daaruit blijkt dat de LXX woord-voor-woord vertaalt. Enkele opvallende vertaalkeuzes behelzen een verduidelijking of concretisering van wat reeds in de MT aanwezig was. Het vertrouwen wordt geaccentueerd als hoopvol vertrouwen. Daarnaast maakt de LXX onderscheid in het tijdsaspect: vers 11a blikt terug, terwijl vers 11bc vooruitblikt. Samen versterken deze twee trekken het eschatologisch potentieel van Psalm 16.
In Hoofdstuk 6 wordt de receptie van Psalm 16 tot aan de tijd van het Nieuwe Testament in beeld gebracht. De tekst van Psalm 16 lijkt eenduidig te zijn overgeleverd en reflecteert de bekende tekstgestalten van MT en LXX. Met name in de rabbijnse literatuur is een spanning tussen een historische en eschatologische uitleg merkbaar. Op welke tijd deze tradities teruggaan is niet vast te stellen.
Met deze gegevens wordt in hoofdstuk 7 de functie van Psalm 16 in Handelingen 2 geanalyseerd. Vanuit het web van Schriftgegevens wordt Psalm 16 tegen de achtergrond van Davids biografie en in messiaans licht gelezen. Het beeld van de ideale vrome (koning) is een type dat in algemene zin van toepassing is op Jezus. Psalm 16,10 wordt letterlijk genomen (binnen de mogelijkheden van de tekstgestalten van LXX en MT). De vertrouwensuitspraak van David is niet in zijn eigen leven in vervulling gegaan en geldt daarom als belofte voor de Messias. Deze belofte blijkt als profetie in Jezus’ opstanding in vervulling te zijn gegaan. De verbonden typologische lijnen wijzen een profetie aan die niet is vervuld in Davids leven, maar wel past op Jezus’ leven.
Zodoende laat de verwerking van Psalm 16 in Handelingen 2 een gelaagd beeld zien. Petrus maakt gebruik van twee typologische lijnen waarvan de conceptuele verwantschap inzichtelijk wordt gemaakt door woordverbindingen (gezerah shewa) waardoor (vanuit een type) een vertrouwensuitspraak (Ps. 16,10) als profetie wordt getaxeerd. Op deze manier belichten de profetische Schriften de gebeurtenissen rondom Jezus en bewijzen ze dat Hij ‘Heere’ en ‘Christus’ is. De eschatologische escalatie die zich in de gebeurtenissen rondom Jezus voltrekt, laat deze betekenis oplichten
Onbekend en onbemind?
Centraal in deze scriptie staat de vraag hoe (christelijke gereformeerde) jongeren zich verhouden tot de christelijke exclusiviteit ten aanzien van het heil en hoe zij toegerust worden om tot standpuntbepaling te komen.
Het poneren en uitdragen van absolute waarheden in een liberale samenleving als de onze, stuit regelmatig op verzet. Het ideaal van onze liberale samenleving is een pluralistische samenleving.
De theologische richting van het pluralisme sluit nauw aan bij het huidige maatschappelijke denkklimaat. Pluralisten nemen aan dat elke godsdienst een manifestatie is van het absoluut transcendente. In de optiek van pluralisten zijn er evenzovele wegen tot het heil als dat er godsdiensten zijn. Aan het verlossingswerk van Jezus Christus wordt niets exclusiefs of noodzakelijks toegedicht.
De theologische richting van het inclusivisme dicht in tegenstelling tot pluralisme wel een bepaalde exclusiviteit en noodzakelijkheid toe aan het werk van Jezus Christus om als mens te kunnen delen in het heil. Deze exclusiviteit zit vast op de ontologische noodzakelijkheid van het werk van Jezus Christus. Zijn werk biedt de garantie dat ook zij die niet bewust geloven in Hem toch behouden kunnen worden. Om te kunnen zeggen of iemand die niet deelt in de bijzondere openbaring van het heil in Jezus Christus, toch behouden is, kijkt men naar de oriëntatie van het hart van de mens.
De theologische richting van het exclusivisme draagt uit dat een mens alleen behouden kan worden wanneer hij door persoonlijk geloof verbonden is aan Jezus Christus (epistemologische noodzakelijkheid). Alleen door het geloof in Hem krijgt een zondig mens deel aan de gerechtigheid. Zonder bewust deel te hebben aan die door Christus verworven gerechtigheid kan een mens voor de heilige God niet bestaan.
In deze scriptie komt uit dat het exclusivisme de beste papieren heeft. Het pluralisme heeft de slechtste papieren. Om inclusivisme en exclusivisme op waarde te schatten is een inhoudelijke vergelijking gemaakt en zijn diverse Schriftpassages bekeken. Hoewel ik het exclusivisme om tal van redenen bijval, heb ik ook enkele verbindende schakels getraceerd tussen beide richtingen. Enkele uitzonderingen op de noodzaak van persoonlijke geloofskennis aan Jezus Christus zijn aannemelijk (1. jong gestorven kinderen en mentaal gehandicapten, 2. mensen die niet met het evangelie bereikt zijn maar een diep doorleefd zondebesef hebben en uitzien naar verlossing door de ware God).
De interviews met catechisanten laten een gedifferentieerd beeld zien. Sommige jongeren geloven dat alleen Jezus de Weg, de Waarheid en het Leven is omdat de Bijbel het zegt. Anderen vinden het daarentegen lastig om dit aan te nemen. Er zijn immers zoveel andere godsdiensten en die pretenderen ook de waarheid in pacht te hebben. Wie heeft er nu gelijk?
De onderzochte catechesemethoden geven, uitzonderingen daar gelaten, weinig tot geen expliciete aandacht aan het thema dat in deze scriptie centraal staat. Inhoudelijk beschouwd staan de methoden (terecht) in de lijn van het exclusivisme. In het laatste hoofdstuk doe ik enkele aanbevelingen voor de wijze waarop jongeren kunnen worden toegerust om hun standpunt te bepalen
Dominee van deze tijd : een praktisch-theologisch onderzoek naar de betekenis van mobiliteit voor het predikantschap
Masterthesis Gemeentepredikan
Dulcissimae Carmina Ecclesiae
Samenvatting Dulcissimae carmina ecclesiae. Seongmin Ryu
Het ‘Commentaar op de Psalmen’ van Melanchthon is samengesteld uit colleges over de Psalmen, die Melanchthon van 1548-1553 aan de Wittenberger universiteit heeft gehouden.
In zijn ‘Commentaar op de Psalmen’, maakt hij gebruik van de humanistische methode voor exegese. Het commentaar bestaat uit een deel met argumenten en uit een deel met structuur. Bij de exegese speelt de theologische basis een belangrijke rol. Ten eerste is de eenheid van Oude en Nieuwe Testament belangrijk, ten tweede de onderscheiding tussen Wet en Evangelie, ten derde de samenhang tussen Christus en de kerk en ten vierde de samenhang tussen David en de Kerk. Belangrijke kenmerken van Melanchthons ‘Commentaar op de Psalmen’ zijn duidelijkheid, pedagogiek en de toepassing op de kerk.
De theologie van zijn ‘Commentaar op de Psalmen’ is te beschouwen vanuit zes thema’s. Het eerste thema is de openbaring van God aan de kerk. Het tweede thema is de Wet die de inhoud van de openbaring is, en het beginsel waarmee God de wereld regeert. Door de Wet wordt het oordeel van God over de mensen vastgesteld. Ten derde geeft God de kerk het Evangelie, als een tweede principe voor de verlossing. Ten vierde is de kerk het object van het Evangelie. Ten vijfde lijdt de kerk die het Evangelie aanneemt, in dit leven en daarom roept de kerk tot God. Ten zesde verhoort God de roep van de kerk. Deze overwegingen wijzen erop, dat in het centrum van Melanchthons ‘Commentaar op de Psalmen’ de relatie van God met de kerk staat, concreet de troost en de belofte van God voor de bewaring van de kerk.
In de zestiende eeuw legden veel theologen, waaronder Melanchthon, de Psalmen uit. Zo zijn Luther, Bugenhagen, Bucer en Calvin als reformatoren en Cajetan als katholiek te noemen. Door hun commentaren op de Psalmen te vergelijken, wordt de eenheid van de reformatorische theologie en het onderscheid met de katholieke uitleg zichtbaar, met name als het gaat om de vraag naar de autoriteit. Bovendien is de invloed van Melanchthons ‘Commentaar op de Psalmen’ op de Loci 1553 te zien, door de verandering van de artikelen die in de Loci gaan over de vrijheid van de kerk
'Mij komt de wraak toe' : een onderzoek naar de betekenis van de wraak in het Nieuwe Testament, toegespitst op ἐκδίκειν
Jesus’ Crucifixion in Luke: a Prophetic Symbolic Act? : A Case Study of Non-verbal Communication in Literary Form
Masterthesis Nieuwe Testamen
Goed herdenken : een theologisch-ethische verkenning van collectieve herinnering, met het oog op theologische bijdragen aan herdenkingen van de Tweede Wereldoorlog
Masterthesis Ethie
Een kwalitatieve volkskerk : een onderzoek naar de relevantie van Noordmans’ visie op de volkskerk
Masterthesis Systematische theologi