1,721,009 research outputs found
Risk factors for injury in talented soccer and tennis players: A maturation-driven approach
Talented athletes having their growth spurt have an increased injury risk Young talented athletes that mature have an increased injury risk. Human movement scientist Alien van der Sluis studied soccer players of the talent development program of FC Groningen and tennis players of the talented development program of the Royal Dutch Lawn Tennis Federation (KNLTB). The soccer players were followed for three years around their adolescent growth spurt. In the year of their growth spurt, players have more injuries compared to the year before or the year after, and they miss more training sessions and matches. A possible cause is the different rates in which bone tissue, muscle tissue and tendon tissue adapt to the growing body. More specific, players that grow more than 0.6 cm in one month, have an increased risk for injury in the next month. Moreover, players with a late growth spurt are relatively small compared to their peers, and this leads to more injuries compared to their ‘earlier mature’ counterparts. Furthermore, tennis players high in risk-taking behavior (typical for puberty), have more injuries and players with better metacognitive skills such as monitoring, have less injuries. Players may be better capable of monitoring small physical complaints, which could help them to prevent themselves from having more severe injuries. Van der Sluis concluded that during puberty, there are specific risk factors for injuries in talented athletes. Coaches and trainers should estimate the moment of the adolescent growth spurt, to take injury preventive measures at the right moment. Monthly monitoring of length, could help to predict an increased risk of injury in periods of intensive growth. At last, it is advised to provide feedback to players high in risk-taking and to educate athletes in monitoring their own training process
Risk factors for injury in talented soccer and tennis players:A maturation-driven approach
Talented athletes having their growth spurt have an increased injury riskYoung talented athletes that mature have an increased injury risk. Human movement scientist Alien van der Sluis studied soccer players of the talent development program of FC Groningen and tennis players of the talented development program of the Royal Dutch Lawn Tennis Federation (KNLTB). The soccer players were followed for three years around their adolescent growth spurt. In the year of their growth spurt, players have more injuries compared to the year before or the year after, and they miss more training sessions and matches. A possible cause is the different rates in which bone tissue, muscle tissue and tendon tissue adapt to the growing body. More specific, players that grow more than 0.6 cm in one month, have an increased risk for injury in the next month. Moreover, players with a late growth spurt are relatively small compared to their peers, and this leads to more injuries compared to their ‘earlier mature’ counterparts.Furthermore, tennis players high in risk-taking behavior (typical for puberty), have more injuries and players with better metacognitive skills such as monitoring, have less injuries. Players may be better capable of monitoring small physical complaints, which could help them to prevent themselves from having more severe injuries.Van der Sluis concluded that during puberty, there are specific risk factors for injuries in talented athletes. Coaches and trainers should estimate the moment of the adolescent growth spurt, to take injury preventive measures at the right moment. Monthly monitoring of length, could help to predict an increased risk of injury in periods of intensive growth. At last, it is advised to provide feedback to players high in risk-taking and to educate athletes in monitoring their own training process
Sportieve Gezonde School 2014: onderzoek naar de effecten van een "dagarrangement Sport en Bewegen" in het primair onderwijs in de provincie Groningen
Pilot Sportplein Groningen Primair Onderwijs: Onderzoek naar de effecten van een “Dagarrangement Sport en Bewegen” in het primair onderwijs in de provincie Groningen
Het doel van dit onderzoek was: Inzicht geven in het effect van de inzet in de pilots op kwantiteit en kwaliteit van het “dagarrangement sport en bewegen” binnen de betrokken scholen, en in de tevredenheid en ervaring van betrokken scholen en leerlingen hierbij. Op basis hiervan zijn drie onderzoeksvragen gesteld, die achtereenvolgens zullen worden beantwoord. 1. Wat is de invloed van de pilotprojecten op de kwantiteit (het aanbod) en de kwaliteit van het bewegingsonderwijs op de betrokken scholen? Het aantal gymlessen per week dat gegeven wordt door de vakdocent is op alle scholen uit de pilot toegenomen (met uitzondering van ’t Kompas, waar al twee lessen per week verzorgd werden door de vakdocent). Op drie van de acht gevolgde scholen worden nu twee gymlessen per week verzorgd door de vakdocent. Op de overige scholen is dat één dag per week, krijgen slechts één of enkele klassen twee lessen per week gym van de vakdocent. Volgens zowel leerlingen als betrokkenen uit de scholen is de kwaliteit van het bewegingsonderwijs verbeterd sinds de pilot: de leerlingen beoordelen de kwaliteit van de gymlessen gegeven door de vakdocent hoger (leukere en betere lessen), er worden meer verschillende activiteiten aangeboden in de gymlessen en de gymles wordt als leerzamer ervaren. Bovendien zijn er in de gymles die gegeven wordt door de vakdocent minder leerlijnen die niet aan bod komen dan in de gymles gegeven door de groepsleerkracht. 2. Wat is het effect van de pilotprojecten op het aanbod (de kwantiteit) en de kwaliteit van het tussenschools en naschools sportaanbod? Met betrekking tot het tussenschools sportaanbod: de pauze met sportieve activiteiten is op het merendeel van de scholen gerealiseerd. Op de Wilster en de Huifkar vestiging Woltersum is dat (nog) niet het geval, op de Fontein wordt hiermee gestart na de meivakantie. 82% van de bevraagde kinderen heeft één of meerdere keren deelgenomen aan het de pauze met sportieve activiteiten. 40% zegt in zo’n pauze meer te bewegen en 40% zegt dat dit soms het geval is. De meting met de stappentellers laat niet zien dat er in een dergelijke pauze meer wordt bewogen, maar om dit duidelijker in kaart te brengen zou meer onderzoek moeten worden gedaan. Betrokkenen vanuit de scholen geven vooral aan dat de pauze met sportieve activiteiten leidt tot een leukere pauze, die leidt tot rustiger kinderen en minder ruzies op het schoolplein. Vooraf was wellicht niet altijd goed duidelijk wat er verstaan wordt onder een kwalitatief beter tussenschools sportaanbod. Eén van de vakdocenten merkt bijvoorbeeld op dat het doel van een sportieve pauze ook zou moeten zijn dat kinderen zelf beter leren om activiteiten op te zetten, uit te voeren en aan te passen, zodat dit ook buitenschools tot een actievere leefstijl leidt. Of dat ook het geval is, is nu niet duidelijk. In het naschools aanbod is tot op heden weinig veranderd als gevolg van de pilot. Wel geeft ruim 80% van de bevraagde kinderen aan dat de vakdocent hen soms of regelmatig wijst op naschools sportaanbod. 3. Welke succes- en faalfactoren spelen een rol bij het aanbieden van een dagarrangement sport- en bewegen op scholen in het primair onderwijs? Hoewel het aanbieden van een dagarrangement sport en bewegen op de scholen op verreweg de meeste scholen nog een brug te ver is, zijn de doelstellingen op het gebied van de kwaliteit van het bewegingsonderwijs en het tussenschools aanbod redelijk behaald. Op plekken waar het aanbieden van een dagarrangement sport en bewegen wel lijkt te lukken, is dat vaak als gevolg van een structuur die er al ligt: in Groningen bijvoorbeeld vanuit BSlim en op een andere school verzorgt de vakdocent ook het naschools aanbod. Een belangrijke factor die een rol heeft gespeeld in de pilot is de snelle termijn waarmee één en ander is opgezet. Hoewel overal verkennende gesprekken zijn gevoerd en men unaniem enthousiast aan de slag is gegaan, waren de doelstellingen vooraf niet bij alle betrokkenen helemaal duidelijk, of hebben die bij aanvang minder prioriteit gehad. De doelstelling ‘verhoging kwaliteit bewegingsonderwijs door inzet van de vakdocent’ is door alle betrokkenen erkend en overal ook wel gerealiseerd. Voor de andere doelstellingen geldt dat er mogelijk te weinig tijd is geweest om bij alle betrokkenen draagvlak te creëren (bijvoorbeeld voor het ondersteunen van groepsleerkrachten bij hun professionalisering in het bewegingsonderwijs). De context op de verschillende scholen (bv. samenwerking met naschools sportaanbod, aanwezigheid groepsleerkrachten tijdens de gymlessen, de opzet van de tussen de middag opvang) is gedurende de looptijd van de pilot langzamerhand duidelijk geworden. Hierop wordt door de betrokkenen zo goed mogelijk maatwerk gecreëerd
Vaardig en gemotiveerd, in de gymles en op het plein:Rapportage Sportieve Gezonde School 2016
Sinds 2014 vindt vanuit Sportplein Groningen het project Sportieve Gezonde School plaats op scholen in de provincie Groningen. Doelstelling is een kwantitatieve en kwalitatieve impuls te geven aan sport en bewegen op deze scholen door het aanbieden van extra lessen bewegingsonderwijs door een vakdocent en ondersteuning bij onder andere het organiseren van pleinspelen. In 2016 namen 12 scholen uit de provincie Groningen deel aan Sportieve gezonde School. Deze rapportage bevat de resultaten van onderzoek naar Sportieve Gezonde School 2016, waarbij de volgende opdracht centraal stond: In kaart brengen wat de effecten van Sportieve Gezonde School 2016 zijn op motivatie tijdens de gymles, motorische ontwikkeling in de gymles en leerlinggedrag op het schoolplein. Daarnaast inventariseren wat de invloed is van Sportplein 2016 op deskundigheidsbevordering van groepsleerkrachten bij het geven van gymlessen. De volgende deelvragen kwamen hierbij aan bod: 1. Wat is het effect van de inzet van de vakleerkracht op ervaren competentie, autonomie en relatie in de gymles, en op motivatie voor de gymles? 2. Wat is het effect van Sportieve Gezonde School op ontwikkeling van motorische vaardigheden van leerlingen? 3. Wat is het verschil in leerlinggedrag en interactie van leerlingen op scholen met en zonder pleinspelen en leidt dit tot minder conflicten op het schoolplein? 4. In hoeverre lukt het om binnen Sportplein 2016 de deskundigheid van groepsleerkrachten voor het geven van gymlessen te vergroten? Bij aanvang van de zestien weken Sportieve Gezonde School een vragenlijst afgenomen onder 252 leerlingen van de deelnemende scholen. Ook na afloop is deze vragenlijst afgenomen. In de vragenlijst werd ingegaan op de ervaren competentie, autonomie en relatie in de gymles, en daaraan gekoppeld aan de motivatie die leerlingen hadden voor de gymles. Ook werd gevraagd naar hun ervaringen met de pleinspelen. Vraag 2 werd beantwoord door middel van een deelonderzoek op één deelnemende school en een controleschool. Hier werd aan de hand van een 0-meting en een 1-meting gekeken naar de vooruitgang op motorische basiscompetenties gedurende de 16 weken waarin Sportieve Gezonde School plaatsvond. Dit met behulp van de OBAK-test. Deelvraag 3 werd beantwoord door een eenmalige meting op twee deelnemende scholen en een controleschool. Het speelgedrag werd aan de hand van de Soplay methode in kaart gebracht, voor onderlinge relaties en mate van samen spelen werd gebruik gemaakt van sociogrammen. Het aantal conflicten werd geobserveerd. Aan de hand van interviews met de schoolcoördinator en groepsleerkrachten werd zicht verkregen op de mate van deskundigheidsbevordering. Uit de resultaten komt naar voren dat leerlingen van de deelnemende scholen erg hoog scoren op ervaren competentie, autonomie en relatie in de gymles en op autonome motivatie. Het lijkt voor deze variabelen niet uit te maken of de gymles gegeven wordt door de vakleerkracht of door de eigen (bevoegde) groepsleerkracht. Hierbij moet worden aangetekend dat op veel scholen de gymlessen al werden gegeven door een groepsleerkracht die bevoegd was om gymlessen te geven. Daarnaast was meer sprake van coaching van de groepsleerkracht door de vakleerkracht, in plaats van het gedurende zestien weken overnemen van lessen. Mogelijk is dit de oorzaak voor de scores. De vakleerkracht lijkt dus niet zozeer het verschil te maken als het gaat om de motivatie voor gym. Dat doet hij wel als het gaat om de inhoudelijke kwaliteit: leerlingen ervaren meer diversiteit in het aanbod tijdens de gymles en geven aan meer te leren van de gymlessen die gegeven worden door de vakleerkracht. Uit het deelonderzoek naar motorische basisvaardigheden lijkt het er bovendien op dat dit leidt tot een snellere motorische ontwikkeling vergeleken met lessen van de groepsleerkracht. Er lijkt op de scholen waar de pleinspelen plaatsvinden iets meer sprake te zijn van groepsrelaties die gerelateerd zijn aan meer samen spelen (bv. de slangrelatie die meerdere groepjes verbindt). De bevraagde leerlingen bevestigen dit beeld echter niet: tijdens pauzes met pleinspelen geven evenveel kinderen aan vaak samen te spelen met andere kinderen (85%) als in pauzes zonder pleinspelen. De deskundigheid van groepsleerkrachten voor het geven van gymlessen is vergroot. Groepsleerkrachten hebben nieuwe ideeën opgedaan en praktische tips gekregen voor de invulling van de gymles. Ook ervaren scholen dat de doelen die zij voor ogen hebben met de gymles (o.a. veelzijdige bewegingsbekwaamheid bevorderen, ontspanning ter afwisseling van het cognitieve) beter behaald worden als gevolg van Sportieve Gezonde School. Op basis van de resultaten wordt een aantal aanbevelingen gedaan: * Het verschil tussen vakleerkracht en groepsleerkracht zit niet op de motivatie van leerlingen voor gym, of op competentie, autonomie en relatie. Wel is een verschil te zien in het effect op ontwikkeling van motorische vaardigheden als de vakleerkracht wordt ingezet. Hierin is dus winst te behalen bij het coachen van de groepsleerkracht. Qua deskundigheidsbevordering kan wellicht nagedacht worden coachen op diversiteit in aanbod, of differentiatiemogelijkheden binnen de lessen. * Selectie van scholen: valt de meeste winst te behalen op scholen waar al groepsleerkrachten met bevoegdheid voor het geven van gym aanwezig zijn? Mogelijk is dit het geval, dan kan de deskundigheidsbevordering wellicht nog beter worden afgestemd op deze doelgroep en kan de nadruk hier nog meer op borging komen te liggen (bv. door terugkomdagen in te plannen of een vraagbaakfunctie in te richten waar leerkrachten terecht kunnen) . Mogelijk is de te behalen winst nog groter op scholen zonder groepsleerkracht met aantekening. Dan speelt echter de vraag of resultaten niet alleen tijdelijk te zien zijn. Het Huis voor de Sport zou zich deze vraag moeten stellen bij het werven en/of selecteren van scholen en doelstelling die de sportcoach mee krijgt op de desbetreffende school. * Pleinspelen: de pleinspelen worden door de scholen enthousiast ontvangen, de reacties van de leerlingen zijn wat wisselend. Effecten op leerling-interactie, speelgedrag en mate waarin leerlingen zelf met de geleerde pleinspelen aan de slag gaan zijn nog wat onduidelijk. Dit is deels te wijten aan de insteek van het onderzoek, maar de vraag rijst ook of de doelstelling van de pleinspelen (per school) duidelijk is. Wat willen de scholen ermee bereiken? En sluit het aanbod hier goed op aan?
Risk factors for injury in talented soccer and tennis players:A maturation-driven approach
Talented athletes having their growth spurt have an increased injury riskYoung talented athletes that mature have an increased injury risk. Human movement scientist Alien van der Sluis studied soccer players of the talent development program of FC Groningen and tennis players of the talented development program of the Royal Dutch Lawn Tennis Federation (KNLTB). The soccer players were followed for three years around their adolescent growth spurt. In the year of their growth spurt, players have more injuries compared to the year before or the year after, and they miss more training sessions and matches. A possible cause is the different rates in which bone tissue, muscle tissue and tendon tissue adapt to the growing body. More specific, players that grow more than 0.6 cm in one month, have an increased risk for injury in the next month. Moreover, players with a late growth spurt are relatively small compared to their peers, and this leads to more injuries compared to their ‘earlier mature’ counterparts.Furthermore, tennis players high in risk-taking behavior (typical for puberty), have more injuries and players with better metacognitive skills such as monitoring, have less injuries. Players may be better capable of monitoring small physical complaints, which could help them to prevent themselves from having more severe injuries.Van der Sluis concluded that during puberty, there are specific risk factors for injuries in talented athletes. Coaches and trainers should estimate the moment of the adolescent growth spurt, to take injury preventive measures at the right moment. Monthly monitoring of length, could help to predict an increased risk of injury in periods of intensive growth. At last, it is advised to provide feedback to players high in risk-taking and to educate athletes in monitoring their own training process
Risk factors for injury in talented soccer and tennis players:A maturation-driven approach
Talented athletes having their growth spurt have an increased injury riskYoung talented athletes that mature have an increased injury risk. Human movement scientist Alien van der Sluis studied soccer players of the talent development program of FC Groningen and tennis players of the talented development program of the Royal Dutch Lawn Tennis Federation (KNLTB). The soccer players were followed for three years around their adolescent growth spurt. In the year of their growth spurt, players have more injuries compared to the year before or the year after, and they miss more training sessions and matches. A possible cause is the different rates in which bone tissue, muscle tissue and tendon tissue adapt to the growing body. More specific, players that grow more than 0.6 cm in one month, have an increased risk for injury in the next month. Moreover, players with a late growth spurt are relatively small compared to their peers, and this leads to more injuries compared to their ‘earlier mature’ counterparts.Furthermore, tennis players high in risk-taking behavior (typical for puberty), have more injuries and players with better metacognitive skills such as monitoring, have less injuries. Players may be better capable of monitoring small physical complaints, which could help them to prevent themselves from having more severe injuries.Van der Sluis concluded that during puberty, there are specific risk factors for injuries in talented athletes. Coaches and trainers should estimate the moment of the adolescent growth spurt, to take injury preventive measures at the right moment. Monthly monitoring of length, could help to predict an increased risk of injury in periods of intensive growth. At last, it is advised to provide feedback to players high in risk-taking and to educate athletes in monitoring their own training process
Risk factors for injury in talented soccer and tennis players:A maturation-driven approach
Talented athletes having their growth spurt have an increased injury riskYoung talented athletes that mature have an increased injury risk. Human movement scientist Alien van der Sluis studied soccer players of the talent development program of FC Groningen and tennis players of the talented development program of the Royal Dutch Lawn Tennis Federation (KNLTB). The soccer players were followed for three years around their adolescent growth spurt. In the year of their growth spurt, players have more injuries compared to the year before or the year after, and they miss more training sessions and matches. A possible cause is the different rates in which bone tissue, muscle tissue and tendon tissue adapt to the growing body. More specific, players that grow more than 0.6 cm in one month, have an increased risk for injury in the next month. Moreover, players with a late growth spurt are relatively small compared to their peers, and this leads to more injuries compared to their ‘earlier mature’ counterparts.Furthermore, tennis players high in risk-taking behavior (typical for puberty), have more injuries and players with better metacognitive skills such as monitoring, have less injuries. Players may be better capable of monitoring small physical complaints, which could help them to prevent themselves from having more severe injuries.Van der Sluis concluded that during puberty, there are specific risk factors for injuries in talented athletes. Coaches and trainers should estimate the moment of the adolescent growth spurt, to take injury preventive measures at the right moment. Monthly monitoring of length, could help to predict an increased risk of injury in periods of intensive growth. At last, it is advised to provide feedback to players high in risk-taking and to educate athletes in monitoring their own training process
Pilot Sportplein Groningen: zelfregulatie in het VMBO
In het kader van kwaliteitsverbetering van bewegingsonderwijs heeft er in het voorjaar van 2014 een pilot plaatsgevonden waarin in een tweetal lessenreeksen van drie lessen (floorball en judo) meer aandacht is geweest voor zelfregulatie. Zelfregulatie is de mate waarin een individu in staat is om zelfstandig, doelbewust en efficiënt te leren door het gebruik van verschillende vaardigheden. Uit onderzoek onder sporttalenten is gebleken dat zelfregulatie een belangrijke rol speelt omdat sporttalenten in korte tijd veel moeten leren om de top te bereiken. Ook in de schoolcontext is zelfregulatie een belangrijke bepaler voor succes. Doelstelling van de pilot is zelfregulatie een plek te geven binnen de lessen judo en floorball, gegeven op het VMBO. Met het stimuleren van zelfregulatie bij de doelgroep VMBO leerlingen is nog weinig ervaring en de pilot dient dan ook ter verkenning. Om te leren van de ervaringen met de pilot, is hieraan een exploratief onderzoek gekoppeld, met het volgende doel: Inzicht geven in hoeverre zelfregulatie een plek krijgt binnen de pilotlessen floorball en judo en evalueren hoe leerlingen en docenten de lessen ervaren. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van Sportplein Groninge
Sportieve Gezonde School
Deze presentatie bevat de resultaten over 2014, 2015 en deels over 2016 van het driejarige onderzoek naar de effecten van de Sportieve, Gezonde School. In deze presentatie worden de resultaten van het onderzoek naar de kwaliteit van de gymles, van het onderzoek naar fysieke activiteiten pleinspelen en van het onderzoek naar motivatie voor gym omschreven. Naast de methode en de resultaten van dit onderzoek wordt ook het vervolg van het onderzoek gepresenteerd
- …
