81 research outputs found

    Reparatie van steenachtige materialen

    No full text
    Een mortel kan worden gedefinieerd als een mengsel van één of meerdere bindmiddelen, toeslagstoffen en eventueel toegevoegde hulpstoffen, meestal aangemaakt met water. Mortel wordt gebruikt om te metselen, te voegen, te pleisteren of aan te vullen en wordt daarnaast soms ook gebruikt als constructief materiaal. Reparatiemortels zijn mortels die worden gebruikt in de conserveringspraktijk om ontbrekende delen van diverse (in dit geval steenachtige) materialen aan te vullen.Repareren, stoppen, aanhelen, aanvullen en herstellen zijn allemaal termen die gebruikt worden bij restauratie met behulp van mortels. Naast het niets doen, het consolideren en (deels) vervangen van natuur- en baksteen is het repareren met mortel een veelgebruikte methode. Het gebruik van reparatiemortels leidt tot afwisselend zeer goede en minder goede resultaten met betrekking tot compatibiliteit met het bestaande en duurzaamheid van de reparatiemortel zelf.Tijdens de WTA-studiedag “reparatie van steenachtige materialen” en in deze syllabus zullen ethische, esthetische, technische en financiële aspecten van het gebruik van deze mortels aan de orde worden gesteld. Hierbij gaat het om diverse in de handel beschikbare kant-en-klare producten en zelf-samengestelde mortels.De eerste twee bijdragen aan deze syllabus komen voort uit onderzoek dat is gedaan in het lopende samenwerkingsverband tussen TU Delft, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en TNO. In het eerste paper gaat Michiel van Hunen in op de resultaten van een enquête die is gehouden onder (Nederlandse) verwerkers van reparatiemortels: welke producten worden zoal gebruikt en wat zijn de ervaringen. Daarnaast laat hij aan de hand van een groot aantal voorbeelden zien hoe reparatiemortels zich gedragen in de praktijk. Barbara Lubelli, Rob van Hees en Timo Nijland gaan – mede gebaseerd op laboratoriumonderzoek – in op de keuzecriteria voor het kiezen van een geschikte reparatiemortel.Het derde paper is in het geheel gewijd aan het stadhuis van Antwerpen, beter gezegd aan het onderzoek naar de meest geschikte mortel en verwerkingstechniek voor het repareren van het rode Belgische marmer aan de gevel van dit stadhuis. Deze bijdrage is geleverd door Tanquil Berto, Sam Huysmans, Laurent Fontaine en Roald Hayen. Ook gericht op casuïstiek is de bijdrage van Wouter Callebaut. Hij gaat vanuit het perspectief van de restauratiearchitect in op de keuze voor behoud (niets doen), verstevigen, vervangen, of bijwerken met mortels bij restauratie van natuur- en baksteen.Heleen Schroyen gaat in haar bijdrage in op het gebruik van kunststeen in de erfgoedcontext en hoe het agentschap Onroerend Erfgoed hiermee om gaat. In de bijdrage worden tussentijdse resultaten besproken die de basis vormen waarop het agentschap in 2019 in richtlijn zal gaan opstellen.De laatste drie teksten in deze syllabus richten zich op ervaringen in de praktijk. Ben Massop deelt zijn ervaringen met diverse typen reparatiemortels die hij tegenkwam of heeft gebruikt aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Breda en de Sint-Janskathedraal te ’s-Hertogenbosch. Delphine Vandevoorde richt zich op drie verschillende soorten mortels en hun voor en nadelen bij toepassing in de praktijk, terwijl Paul van Laere in de laatste bijdrage ingaat op zijn rol als beeldhouwer bij de uitvoering van reparaties met mortel.Heritage & Technolog

    De fysische principes achter en de effectiviteit van ontzoutingsmethoden

    Get PDF
    Zoutkristallisatie is een van de belangrijkste redenen voor het verval van poreuze bouwmaterialen. De vermindering van het zoutgehalte is daarom belangrijk voor de instandhouding van historische gebouwen. Het ontzouten van objecten gebeurd meestal met behulp van een poultice (kompres). De verwijdering op deze manier klinkt eenvoudig, maar kan in de praktijk lastig zijn. Om een effectieve poultice te ontwerpen is kennis van zout- en vochttransport nodig. Dit artikel richt zich op de fysica van zout- en vochttransport in een poultice / substraat systeem. Ons doel is het categoriseren van poultices op basis van het fysische mechanisme van het transport van zouten

    De fysische principes achter en de effectiviteit van ontzoutingsmethoden

    No full text
    Zoutkristallisatie is een van de belangrijkste redenen voor het verval van poreuze bouwmaterialen. De vermindering van het zoutgehalte is daarom belangrijk voor de instandhouding van historische gebouwen. Het ontzouten van objecten gebeurd meestal met behulp van een poultice (kompres). De verwijdering op deze manier klinkt eenvoudig, maar kan in de praktijk lastig zijn. Om een effectieve poultice te ontwerpen is kennis van zout- en vochttransport nodig. Dit artikel richt zich op de fysica van zout- en vochttransport in een poultice / substraat systeem. Ons doel is het categoriseren van poultices op basis van het fysische mechanisme van het transport van zouten

    Restauratie en revalorisatie van de ’s Hertogenmolens te Aarschot, 2006-2010

    No full text
    De watermolen werd gebouwd in 1505-1507 door Guillaume de Croy, heer van Aarschot. Naast molen, was het gebouw ook één van de belangrijkste versterkte punten van de verdediging van de stad: met de sluizen kon het Kempens deel (noordelijk deel) van het (niet omwalde) stadsdeel onder water worden gezet. Deze banmolens (molens waar de naburige boeren hun graan verplicht moesten laten malen), eigendom van de hertog van Aarschot, werden in1795 onteigend en tot nationaal eigendom van de Franse staat gemaakt. In 1795 werden de Oostenrijkse Nederlanden immers officieel ingelijfd bij Frankrijk. In 1812 verkoopt de overheid de molens aan de familie Ectors. In 1910 werd de molen in openbare verkoop aangekocht door de Belgische Staat. Nog in de jaren 1960 werd de molen gebruikt als pletmolen voor glas. Het poeder werd o.a. gebruikt bij de fabricage van schuurpapier. Eenmaal verlaten, trad het verval vlug in. Na een brand in 1970, werd een zijvleugel gesloopt. In 1986 volgde de bescherming als monument. In het kader van een Belgische staatshervorming werd de molen overgedragen aan het Vlaams Gewest. In 2004 ging nogmaals een eigendomsoverdracht door naar de stad Aarschot. Al sinds de jaren 1980 werden restauratieplannen opgemaakt. De uitvoering ervan werd dringend, aangezien één van de westgevels instortte in 1986. Pas na de overdracht aan het Vlaams Gewest en na de opname van de 's Hertogenmolens in een stadsvernieuwingsproject kwam het dossier in een stroomversnelling. De onderbouw, waar het water van de Demer doorstroomt, werd gerestaureerd door de dienst Waterwegen en Zeekanaal nv. De bovenbouw werd via een privaat-publieke samenwerking (pps) gerevaloriseerd als hotel. In het weekend van 12 en 13 juni 2010 werden de gerenoveerde 's Hertogenmolens officieel geopend. In 2011 werden de 's Hertogenmolens bekroond met de Provinciale Architectuurprijs Vlaams-Brabant en met de Europa Nostra Award.status: Publishe

    Recommendation of RILEM TC 243-SGM: functional requirements for surface repair mortars for historic buildings

    Get PDF
    Surface repair mortars are used for the compensation, or repair, of lost portions of surface materials in historic masonry buildings. It is recommended that their design and application should be performed in a wider context of conservation values related decision making, to prioritise preservation of original fabric, authenticity of approach and maintenance of integrity, and not just on technical principles alone. However, a technical context for their design does exist, that requires understanding of the properties of the substrate that they will be applied onto, and adherence to minimum aesthetic (colour and texture) requirements. The principles of physical, mechanical and chemical compatibility of repair apply and the attributes of the repair mortar should be carefully matched to the substrate alongside a sacrificial behaviour (not more durable than the material being replaced). Guidance is given on the design, application and the functional requirements that must be met when using surface repair mortars

    Overzicht en revalorisatie van holle vloersystemen uit het Interbellum

    No full text
    Door de nieuwe technische mogelijkheden en materiaalontwikkelingen kwamen er eind 19e en begin 20e eeuw verschillende modulaire vloersystemen op de markt waardoor op eenvoudige wijze lichte, maar toch draagkrachtige vloeroverspanningen konden gerealiseerd worden. De paper geeft een overzicht van de evolutie in vloersystemen en geeft een uniek toepassingsvoorbeeld met specifieke problematiek en revalorisatieaanpak.status: Publishe

    Monitoring en preventief onderhoud - raakpunten met betonnen monumenten

    Get PDF
    In eerste instantie wordt toegelicht hoe erfgoedbehoud uitgaande van preventieve conservatie mogelijk is en wat daarvan de uitgangspunten zijn. Kernbegrippen daarbij zijn “preventieve conservatie”, “monitoring” en “onderhoudsplanning”. Vervolgens wordt gesteld dat in betonnen monumenten de functionele onderhoudsbenadering botst met de principes van erfgoedbehoud. Voor betonnen constructies wordt vervolgens nagegaan hoe de bewaringstoestand ervan kan worden gevolgd (monitoring) uitgaande van een aantal belangrijke kenmerken van het materiaal beton.status: Publishe

    Reparatie van steenachtige materialen

    No full text
    Een mortel kan worden gedefinieerd als een mengsel van één of meerdere bindmiddelen, toeslagstoffen en eventueel toegevoegde hulpstoffen, meestal aangemaakt met water. Mortel wordt gebruikt om te metselen, te voegen, te pleisteren of aan te vullen en wordt daarnaast soms ook gebruikt als constructief materiaal. Reparatiemortels zijn mortels die worden gebruikt in de conserveringspraktijk om ontbrekende delen van diverse (in dit geval steenachtige) materialen aan te vullen.Repareren, stoppen, aanhelen, aanvullen en herstellen zijn allemaal termen die gebruikt worden bij restauratie met behulp van mortels. Naast het niets doen, het consolideren en (deels) vervangen van natuur- en baksteen is het repareren met mortel een veelgebruikte methode. Het gebruik van reparatiemortels leidt tot afwisselend zeer goede en minder goede resultaten met betrekking tot compatibiliteit met het bestaande en duurzaamheid van de reparatiemortel zelf.Tijdens de WTA-studiedag “reparatie van steenachtige materialen” en in deze syllabus zullen ethische, esthetische, technische en financiële aspecten van het gebruik van deze mortels aan de orde worden gesteld. Hierbij gaat het om diverse in de handel beschikbare kant-en-klare producten en zelf-samengestelde mortels.De eerste twee bijdragen aan deze syllabus komen voort uit onderzoek dat is gedaan in het lopende samenwerkingsverband tussen TU Delft, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en TNO. In het eerste paper gaat Michiel van Hunen in op de resultaten van een enquête die is gehouden onder (Nederlandse) verwerkers van reparatiemortels: welke producten worden zoal gebruikt en wat zijn de ervaringen. Daarnaast laat hij aan de hand van een groot aantal voorbeelden zien hoe reparatiemortels zich gedragen in de praktijk. Barbara Lubelli, Rob van Hees en Timo Nijland gaan – mede gebaseerd op laboratoriumonderzoek – in op de keuzecriteria voor het kiezen van een geschikte reparatiemortel.Het derde paper is in het geheel gewijd aan het stadhuis van Antwerpen, beter gezegd aan het onderzoek naar de meest geschikte mortel en verwerkingstechniek voor het repareren van het rode Belgische marmer aan de gevel van dit stadhuis. Deze bijdrage is geleverd door Tanquil Berto, Sam Huysmans, Laurent Fontaine en Roald Hayen. Ook gericht op casuïstiek is de bijdrage van Wouter Callebaut. Hij gaat vanuit het perspectief van de restauratiearchitect in op de keuze voor behoud (niets doen), verstevigen, vervangen, of bijwerken met mortels bij restauratie van natuur- en baksteen.Heleen Schroyen gaat in haar bijdrage in op het gebruik van kunststeen in de erfgoedcontext en hoe het agentschap Onroerend Erfgoed hiermee om gaat. In de bijdrage worden tussentijdse resultaten besproken die de basis vormen waarop het agentschap in 2019 in richtlijn zal gaan opstellen.De laatste drie teksten in deze syllabus richten zich op ervaringen in de praktijk. Ben Massop deelt zijn ervaringen met diverse typen reparatiemortels die hij tegenkwam of heeft gebruikt aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Breda en de Sint-Janskathedraal te ’s-Hertogenbosch. Delphine Vandevoorde richt zich op drie verschillende soorten mortels en hun voor en nadelen bij toepassing in de praktijk, terwijl Paul van Laere in de laatste bijdrage ingaat op zijn rol als beeldhouwer bij de uitvoering van reparaties met mortel
    corecore