34,351 research outputs found

    Duurzame installatietechnieken voor seriematige woningbouw uit de jaren ’60 en ’70 en de waardering van deze installatietechnieken door bewoners

    No full text
    Dit afstudeerrapport is gemaakt ten behoeve van het afstuderen. Het rapport vangt aan met de opzet van het afstuderen en verloopt volgens het stramien van het houden van een literatuuronderzoek, het onderzoeken van casestudies, het bepalen van de conclusies en het geven van aanbevelingen voor toekomstig onderzoek. Onderdeel van het onderzoek was het vinden van factoren waar de waarderingen van bewoners door konden worden bepaald. Vervolgens zijn verschillende energiereducerende installaties en hun waarderingen onderzocht via zowel een literatuurstudie als een casestudie. Bij het onderzoek van de casestudies zijn de betrokken professionals en bewoners geïnterviewd over de installaties en deels de renovatie. Uit de getrokken conclusies blijkt voornamelijk dat het niet de vraag is welke installaties kunnen worden toegepast om te zorgen voor energiereductie, maar dat toepassing afhankelijk is van de omringende factoren. Iedere energiereducerende installatie is toepasbaar in ieder type woning. Het is echter aan de opdrachtgever hoever hij wil gaan met energiereductie, de grootte van de ingreep in de woning en of de toepassing van de installatie in bewoonde staat plaatsvindt. Gesteld kan worden dat de onderzochte energiereducerende installaties verschillen in de reductie van CO2, maar dat veelal een hogere CO2-reductie ook een intensievere installatie kan betekenen voor bewoners. Zo kan een zonnepaneel overlast geven tijdens plaatsing, maar kan deze installatie hoger worden gewaardeerd door bewoners doordat de installatie zich grotendeels op het dak bevindt. Waarderingen van bewoners voor installaties komen voort uit de werking van de installatie en onderdelen van de installatie waarmee een bewoner direct mee te maken heeft, zoals regelbaarheid van de installatie en ruimtebeslag. De waarderingen van bewoners zijn bepaald via gehouden bewonersonderzoeken. Wel bleek dat er niet genoeg bekend was over de waarderingen waardoor deze zijn bepaald via de kennis opgedaan tijdens de literatuurstudie en de casestudies. Aan het einde van het afstudeeronderzoek is een beslissingsondersteunend model gemaakt. Met dit model kan een situatie worden ingevuld waarna kan worden bepaald welke installatietechniek geschikt is om toe te passen.Housing: Policy, Management and SustainabilityReal Estate & HousingArchitectur

    Hoge duurzaamheidsambities in de praktijk Succesfactoren in het ontwikkelproces van duurzame kantoorgebouwen.

    No full text
    Duurzaamheid is steeds vaker in het nieuws (3.1.1). Het besef dat het anders moet is aan het groeien, ook in de bouw. Echter blijft de beschikbare kennis over duurzaam ontwikkelen beperkt, vooral de proceskant blijft onderbelicht (3.2.1). De informatie die beschikbaar is, richt zich voornamelijk op technische oplossingen of financiële kosten-batenanalyses. Dit onderzoek heeft ten doel inzicht geven in de problemen en de succesfactoren in het ontwikkelproces van kantoren met hoge duurzaamheidsambities. Om vervolgens de effecten van de succesfactoren te analyseren in de praktijk, ten einde advies te kunnen geven aan de opdrachtgever om dergelijke ambities eenvoudiger haalbaar te maken (3.2.3). Stapsgewijs worden de problemen en mogelijke oplossingen verkend (4.1). In de open interviews wordt de kennislacune erkend. De professionals zijn eenduidig over de problemen, deze doen zich voor in het gehele proces (5.1.1). Men geeft de mogelijke succesfactoren aan om eenvoudiger in het proces de hoge duurzaamheidsambities te kunnen bereiken (5.1.2). Literatuuronderzoek bevestigt deze succesfactoren (5.2). In de volgende stap wordt aan de hand van elf casestudies gekeken wat de duurzaamheidsambities zijn en hoe men de succesfactoren heeft toegepast (5.3). Vervolgens worden de cases vergeleken en gekeken of de mate waarin aan een succesfactor is voldaan van invloed is op het resultaat (5.4.3). Dit onderzoek slaagt er niet in om het verband tussen succesfactor en resultaat hard te maken. Verschillende oorzaken liggen hieraan ten grondslag: beperkte transparantie duurzaam resultaat, groot onderscheid in de persoonlijke en commerciële projecten, het beperkte aantal casestudies en het te maken hebben met veelal zachte waarden als betrokkenheid of teamwork (5.4.4). In de expert meeting zijn deze bevindingen besproken en is er op gewezen dat het doel van het onderzoek is kennisontwikkeling: Inzicht geven in het ontwikkelproces van kantoren met hoge duurzaamheidsambities. (5.5.1) De meerwaarde zit hem daarom in de case omschrijvingen (5.3) en de checklist voor toekomstige duurzame projecten (6.1) met advies voor opdrachtgevers (Bijlage H). Daarin is het onderzoek geslaagd. Om in de toekomst harde uitspraken te doen over het verband tussen de succesfactoren en het duurzame resultaat zijn er een aantal aanbevelingen voor vervolgonderzoek gedaan (6.3): - Er moet een eenduidige meetmethode voor duurzaamheid komen. Dit maakt onderling vergelijken beter mogelijk. Momenteel is er een verscheidenheid aan meetmethoden op de markt die niet nauwkeurig te vergelijken zijn (3.1.2). - Het meten van duurzaamheid moet door een onafhankelijk partij gebeuren. De percepties over duurzaamheid van betrokkenen in het algemeen stroken vaak niet met de realiteit. De betrokkenen schatten de mate van duurzaamheid over het algemeen positiever in (5.4.1). - De mate van duurzaamheid moet op verschillende momenten in het proces getoetst worden. In de processen is regelmatig sprake van doelaanwas en doelerosie bij duurzaamheidsambities. (5.3) Door meerdere meetmomenten in het proces te hebben is een nauwkeurige analyse van de duurzaamheidsambities in het proces mogelijk. - Een schaalvergoting is noodzakelijk, meer projecten dienen getoetst te worden. Door het grote aantal variabelen in het ontwikkelproces naar kantoor met hoge duurzaamheidsambities is een grotere steekproef nodig om statistisch harde uitspraken te kunnen doen. - Projecten die lage duurzaamheidsambities hebben moeten ook worden meegenomen in het onderzoek. Zo kan er een betere vergelijking gemaakt worden tussen wel of geen hoge duurzaamheidambities. - De succesfactoren moeten per project worden gedocumenteerd om deze te kunnen koppelen aan de prestaties. Momenteel wordt het ontwikkelproces van gebouwen met een hoge duurzaamheidsambitie onvoldoende geevalueerd (3.2.1). - Data centraal moet centraal worden opgeslagen of in ieder geval centraal beschikbaar zijn. Er wordt veel gesproken over kennisdeling, maar weinig aan gedaan. Kritiek op het eigen proces is moeilijk boven water krijgen. Geannonimiseerd beschikbaar stellen is een oplossing. Met de toepassing van deze aanbevelingen is het in de toekomst wel mogelijk harde uitspraken te doen over de effecten van de succesfactoren in het ontwikkelproces naar kantoren met hoge duurzaamheidsambities. Dutch Green Building Council heeft al aangegeven de intentie te hebben het vervolgonderzoek uit te voeren. Dit onderzoek dient daarvoor als basis.Real Estate & Housin

    De rol van media bij de ontwikkeling van het begrip ‘dood’ bij kinderen

    No full text
    Tot ongeveer het tiende levensjaar is het begrip ‘dood’ voor kinderen cognitief moeilijk te begrijpen. Desondanks blijkt een volwassen begrip ervan essentieel te zijn, aangezien het gepaard gaat met afname van angst voor de dood. Om bij te dragen aan de ontwikkeling van dit begrip wordt portrettering van de dood in films als zeer zinvol gezien. Om te achterhalen in hoeverre een filmfragment een rol speelt bij de ontwikkeling van het concept ‘dood’ bij kinderen, werd éérst de kennis van dit concept gemeten middels het ‘Death Interview for Children’ bij tien Nederlandse kinderen. Vervolgens werd de representatie van de dood uit ‘The Lion King’ getoond, waarna het begrip van de dood nogmaals werd getoetst. Uit de resultaten van het onderzoek is gebleken dat het desbetreffende filmfragment wel degelijk een rol speelt bij de ontwikkeling van het begrip ‘dood’ bij kinderen. Kinderen konden na het filmfragment duidelijk beter antwoordden

    MetaSWAP_V7_2_0. Rapportage van activiteiten ten behoeve van certificering met Status A

    No full text
    Veel vragen over het waterbeheer betreffen situaties en processen die worden beïnvloed door hydrologische terugkoppelingen op regionale en zelfs nationale schaal. MetaSWAP is bedoeld voor het vervangen van SWAP bij het grootschalig doorrekenen van bodem-plant-atmosfeerkolommen die gekoppeld zijn aan geïntegreerde gebiedsmodellen van grond- en oppervlaktewater. MetaSWAP is een ‘meta’-model van SWAP. Het metaconcept is gebaseerd op een vereenvoudigde oplossing van de niet-lineaire partiële differentiaalvergelijking om bodemfysische processen te beschrijven, de zogenaamde Richards-vergelijking. Deze vergelijking wordt vervangen door twee ‘gewone’ differentiaalvergelijkingen, één voor de procesbeschrijving, en één voor de waterbalans. Om het informatieverlies dat bij die vereenvoudiging optreedt te compenseren, is het nodig om MetaSWAP te kalibreren en te valideren op SWAP. Dit document beschrijft hoe dat gedaan wordt, en tevens hoe de kwaliteit van het model is geborgd volgens de zogenaamde ‘Status A’ standaard van de WOT Natuur & Milieu

    Grammatica Grandonica: the Sanskrit grammar of Johann Ernst Hanxleden S.J. (1681-1732) [introduced and edited by Toon Van Hal & Christophe Vielle, with a photographical reproduction of the original manuscript by Jean-Claude Muller]

    No full text
    In May 2010, Johann Ernst Hanxleden¿s Grammatica Grandonica was rediscovered in Monte Compatri (Lazio, Rome) by Toon Van Hal. Although historiographers recognized the importance of the nearly oldest western grammar of Sanskrit, the precious manuscript had been lost for several decades. The primary aim of the present digital publication is to offer a photographical reproduction of the manuscript. This facsimile is accompanied by a double edition: a facing diplomatic edition with the Sanskrit in Malay¿¿am script, followed by a transliterated text. This preliminary edition, devoid of any apparatus, is preceded by an introduction dealing with (1) the missionary context, (2) the life and works of the author, (3) the contents, peculiarities and history of his grammar, and (4) the editorial principles used

    Kouman Van Afekte Kay

    No full text
    This is part of the Education + Action = Wind Damage Mitigation series by Kathleen C. Ruppert, Hal S. Knowles, and Karla A. Lenfesty that is now available in Spanish and Haitian Creole ABE379HAI/AE427: Kòman Van Afekte Kay yo (ufl.edu

    Kouman Van Afekte Kay

    No full text
    This is part of the Education + Action = Wind Damage Mitigation series by Kathleen C. Ruppert, Hal S. Knowles, and Karla A. Lenfesty that is now available in Spanish and Haitian Creole ABE379HAI/AE427: Kòman Van Afekte Kay yo (ufl.edu

    Into the Eye of the Storm: Assessing the Evidence on Science and Engineering Education, Quality, and Workforce Demand

    No full text
    Several high-level committees have concluded that current domestic and global trends are threatening America’s global science and engineering (S&E) preeminence. Of the challenges discussed, few are thought to be as serious as the purported decline in the supply of high quality students from the beginning to the end of the S&E pipeline—a decline brought about by declining emphasis on math and science education, coupled with a supposed declining interest among domestic students in S&E careers. However, our review of the data fails to find support for those presumptions. Rather, the available data indicate increases in the absolute numbers of secondary school graduates and increases in their math and science performance levels. Domestic and international trends suggest that that U.S. schools show steady improvement in math and science, the U.S. is not at any particular disadvantage compared with most nations, and the supply of S&E-qualified graduates is large and ranks among the best internationally. Further, the number of undergraduates completing S&E studies has grown, and the number of S&E graduates remains high by historical standards.An earlier version of this paper was presented at the meetings of the Association for Public Policy Analysis and Management, October 2006.Originally published by The Urban Institute. Copyright © October 2007 The Urban Institute

    When Firms Restructure: Understanding Work-Life Outcomes

    No full text
    This chapter appears in: Work and Life Integration: Organizational, Cultural, and Individual Perspectives (2005), E. Kossek, S. Lambert (Eds.), Lawrence Erlbaum Associates, Mahwah, NJ. Organizational structures are commonly neglected in the analysis of work-life balance opportunities (with important exceptions, such as Lambert, Waxman, & Haley-Lock, 2002). These factors, often in the background, interact with the more typically identified factors such as attributes of individual workers and the work-life policies and strategies adopted by a firm and its managers. Our on- going research examines the interrelationship among structural changes in industries and firms, managerial strategy, and jobs. We focus on internal labor markets and implications for the quality of jobs, particularly the changes in lower-skill and lower-wage jobs, and for opportunity or mobility. In this chapter, we extend that framework to consider implications for work-life integration opportunities as well
    corecore