1,102 research outputs found

    Zandspiering in het Amelander Zeegat : T0-meting voor de uitvoering van een zandsuppletie

    No full text
    In september 2017 is er een bemonstering van zandspiering uitgevoerd in het Amelander Zeegat. Deze bemonstering was onderdeel van een grotere onderzoekscampagne met als doel een basisbeeld, en uitgangssituatie (T0-situatie), te krijgen van het Amelander Zeegat. De interesse in dit gebied komt voort uit de intentie van RWS daar in 2018 een buitendeltasuppletie als pilot uit te voeren

    Ecologisch Gericht Suppleren: meetplan kustlangse survey 2019

    No full text
    Suppleties van zand op vooroever of strand worden in opdracht van Rijkswaterstaat uitgevoerd om de Nederlandse kust tegen erosie te beschermen en om voldoende zand in het kustfundament te houden. Een groot deel van de suppleties vindt plaats in of nabij de kuststrook die binnen de Natura2000 regelgeving wordt beschermd, de Noordzeekustzone. Het is dus van belang de eventuele effecten van deze praktijk op de natuur zorgvuldig te bestuderen, zodat dit effect kan worden afgezet tegenover het algemene nut voor de maatschappij. Betere kennis van de effecten kan leiden tot beperking van eventuele schade aan- en mogelijk zelfs tot versterking van- gewenste natuurwaarden en ecosysteemdiensten. Tot nog toe is er in vergelijking met benthos relatief weinig aandacht geweest voor de gevolgen van suppleren op vispopulaties, terwijl de kinderkamerfunctie van de ondiepe kustzone voor vis een zeer belangrijke economische ecosysteemdienst levert. Kennis van de omgevingsfactoren die het voorkomen van juveniele vis in de ondiepe kustzone bepalen, leidt tot een verbeterd inzicht in de gevolgen van suppleties op vispopulaties en daarvan afhankelijk zeeleven. In overleg met natuurorganisaties en de kennisinstituten Deltares en Wageningen Marine Research is in 2016 het document `Ecologische effecten van zandsuppleties’ (Herman et al., 2016) geschreven met als doel onderzoek te formuleren naar ecologische effecten van zandsuppleties. In het onderdeel ‘uitvoeringsplan’ (deel C in Herman et al. 2016) zijn 3 onderzoekslijnen (ook wel Krachtlijnen genoemd) gedefinieerd, te weten: Vooroever, Duinen en Waddenzee. Het hier beschreven meetplan voor een survey in 2019 valt onder de onderzoekslijn Vooroever. De onderzoeksvraag luidt: “Wat zijn de cumulatieve gevolgen van reguliere suppleties op samenstelling en functioneren van het ecosysteem van de ondiepe vooroever van de Nederlandse kust?” Deze volgt uit de prioritering van de krachtlijn Vooroever: (cumulatieve) gevolgen van reguliere suppleties op samenstelling en functioneren van het ecosysteem van de vooroever. De werkzaamheden in 2019 zijn aanvullend op de gegevens verzameld in 2017 en 2018 in de ondiepe vooroever (<10m). In deze voorgaande jaren kon het programma niet in zijn geheel uitgevoerd worden vanwege de weersomstandigheden, met name de bemonstering van de ondiepste zone (<1m) was een probleem. De bemonstering van de ondiepste zone is nu een apart programma (van der Geest e.a., 2019). En voor de diepere zone wordt uitsluitend de bemonstering van demersale vis in relatie tot het sediment voorgesteld, waarbij een kustlangse bemonstering inzicht moet geven in de ruimtelijke verspreiding van demersale vis. Voor deze aanpak is het onderzoeksschip de Luctor één week beschikbaar in juni. In deze week zal er vanuit Stellendam gestart worden met het bemonsteren van vis op een diepte van 5-6 m, waarbij noordwaarts langs de kust gewerkt wordt en om de 1,5-2 km een locatie bemonsterd zal worden. Als de tijd het toelaat, zal er op een enkele locatie een aantal monsters naar dieper water genomen worden, wat inzicht moet geven in eventuele effecten van diepte op de samenstelling van de demersale vispopulatie

    Zandspiering in het Amelander Zeegat : T1-meting voorjaar 2019

    No full text
    Sinds 2017 loopt het onderzoeksprogramma Kustgenese 2.0 met het doel ‘Het genereren van kennis om vanaf 2020 goed onderbouwd besluiten te kunnen nemen over beleid en beheer van het Nederlandse zandige kustsysteem’. Onderdeel van dit programma is de van maart 2018 tot februari 2019 uitgevoerde pilotsuppletie in het Amelander Zeegat. Rondom deze suppletie is er onderzoek verricht binnen de onderzoekslijnen morfologie en ecologie. Voor de onderzoekslijn ecologie is o.a. in september 2017 en juni 2018 een bemonstering van zandspiering uitgevoerd om een basisbeeld en uitgangssituatie (T0-situatie), te krijgen van deze soortsgroep in het Amelander Zeegat. Als vervolg hierop is in juni 2019 een bemonstering (T1-situatie) uitgevoerd welke in het voorliggende rapport wordt beschreven. Met behulp van de zandspieringkor is in de nachten van 3 – 5 juni 2019 gevist op 39 locaties. Deze locaties waren vergelijkbaar met die tijdens de bemonstering in september 2017 en juni 2018 aangevuld met vijf locaties op de uitgevoerde pilotsuppletie. Aanvullend is op 37 van deze locaties een sedimentmonster genomen met een Van Veenhapper waarvan de korrelgroottesamenstelling is bepaald. In totaal zijn er 678 zandspieringen gevangen, waarvan 580 gedetermineerd als kleine zandspiering (Ammodytes tobianus), 59 als Noorse zandspiering (Ammodytes marinus) en 39 als smelt (Hyperoplus lanceolatus). Deze waren gevangen in 25 van de 39 trekken, met de hoogste aantallen op de suppletie en de direct ten zuiden en oosten liggende gebieden. De concentratie in dit gebied, met maar beperkte aantallen in zuidelijkere locaties dichter bij het Borndiep is opvallend ten opzichte van de eerdere bemonsteringen. Naast zandspieren werden er ook platvissen gevangen. Schol (Pleuronectes platessa) werd in 38 van 39 trekken gevangen en was in hoge aantallen aanwezig, ook op de suppletie. Schelpdieren werden in lagere aantallen aangetroffen in vergelijking met de eerdere bemonsteringen. Schelpdieren werden ook gevangen op de suppletie. De sedimentsamenstelling liet een vergelijkbaar beeld zien als in september 2017 met fijn zand (125–250 μm) in het grootste deel van de buitendelta, en medium zand (250-500 μm) op enkele locaties in het zuiden. De suppletie wijkt in korrelgrootte niet af van het omliggende gebied. Omdat de korrelgrootte niet onderscheidend is lijkt dit ook geen verklaring voor de hogere aanwezigheid van zandspiering op de suppletie. Eerder in het gebied aangetroffen soorten zijn ook op de suppletielocatie aangetroffen. In het geval van zandspiering zelfs in hoge aantallen. Het aanleggen van de suppletie lijkt dus niet te hebben geleid tot een negatieve verandering in de bemonsterde visgemeenschap

    Reisverslag kustsurvey EGSII : Juni 2018

    No full text
    In de periode 18 tot 22 juni 2018 heeft Wageningen Marine Research in opdracht van Rijkswaterstaat een multidisciplinaire survey uitgevoerd in de vooroever bij Schiermonnikoog. De survey was opgezet om de verspreiding en abundantie van vis in de vooroever te bepalen en gegevens te verzamelen van (a)biotische factoren die deze verspreiding bepalen. Het doel is deze gegevens te gebruiken om mogelijke effecten van zandsuppleties in de vooroever op vis te voorspellen. De dit jaar uitgevoerde bemonsteringen zijn een aanvulling op de werkzaamheden uitgevoerd in 2017. In de vooroever van Schiermonnikoog waren zes raaien met zeven monsterlocaties van strand tot 10 meter diepte gepland. De geplande bemonsteringsactiviteiten op deze locaties waren voor vis: boomkor, zegen en akoestisch; voor benthos en sediment: steekbuizen, boxcore en 3d-stereocamera; voor zoöplankton: WP2-net; en voor omgevingsvariabelen: CTD, Secchi-schijf en multimeter. In de betreffende week is de uitvoering door met name de weersomstandigheden beperkt gebleven tot de diepste 4 stations op 5 van de 6 raaien. Er zijn twee ondiepe stations bemonsterd met de boomkor, maar dit was vanwege de weersomstandigheden geen succes. Dit alles is gedaan van maandag tot woensdag, de weersomstandigheden maakte bemonsteren op donderdag en vrijdag onmogelijk. Woensdag is er geprobeerd ook raai 6 te bemonsteren, maar tijdens een boomkortrek op deze raai kwam het tuig vast te zitten en kwam dit uiteindelijk zwaar beschadigd boven. Door de tijd die dit kostte is het niet gelukt de verdere bemonstering op raai 6 uit te voeren. Aanvullend is op 27 juni vanaf het strand van Schiermonnikoog een groot deel van de ondiepe stations bemonsterd. Daarmee is het grootste deel van het programma toch bemonsterd

    Ecologisch gericht suppleren: meetplan strandsurvey 2019

    No full text
    Suppleties van zand op vooroever of strand worden in opdracht van Rijkswaterstaat uitgevoerd om de Nederlandse kust tegen erosie te beschermen en om voldoende zand in het kustfundament te houden. Een groot deel van de suppleties vindt plaats in of nabij de kuststrook die binnen de Natura2000 kaders wordt beschermd, de Noordzeekustzone. Het is dus van belang de eventuele effecten van deze praktijk op de natuur zorgvuldig te bestuderen, zodat dit effect kan worden afgezet tegen het algemene nut voor de maatschappij. Betere kennis van de effecten kan leiden tot beperking van eventuele schade aan en mogelijk zelfs tot versterking van gewenste natuurwaarden en ecosysteemdiensten. Tot nog toe is er vooral aandacht geweest voor de gevolgen van suppleren op benthos en weinig voor de mogelijke effecten op vispopulaties, terwijl de ondiepe kustzone als kinderkamer voor vis een zeer belangrijke economische ecosysteemdienst levert. Kennis van de habitatfactoren die het voorkomen van juveniele vis in kinderkamers bepalen leidt tot een verbeterd inzicht van de gevolgen van suppleties op vispopulaties en van de voedselketen van viseters in de ondiepe kustzone. De kennisinstituten Deltares en Wageningen Marine Research hebben te samen in overleg met natuurorganisaties in 2016 het document `Ecologische effecten van zandsuppleties’ (Herman et al. 2016) geschreven met als doel onderzoek te formuleren naar ecologische effecten van zandsuppleties. In het onderdeel ‘uitvoeringsplan’ (deel C in Herman et al. 2016) zijn 3 onderzoekslijnen (ook wel Krachtlijnen genoemd) gedefinieerd, te weten: Vooroever, Duinen en Waddenzee. Het hier beschreven meetplan voor een strandsurvey in 2019 valt onder de onderzoekslijn Vooroever. De onderzoeksvraag luidt: “Wat zijn de cumulatieve gevolgen van reguliere suppleties op samenstelling en functioneren van het ecosysteem van de ondiepe vooroever van de Nederlandse kust?”. Deze volgt uit de prioritering van de krachtlijn Vooroever: (cumulatieve) gevolgen van reguliere suppleties op samenstelling en functioneren van het ecosysteem van de vooroever. Conform het plan van aanpak voor dit programma (Herman et al. 2016) wordt voorgesteld om een strandsurvey uit te voeren in de brandingszone (<1 m diepte), waarbij vis, benthos en habitatkarakteristieken worden bemonsterd. Deze strandsurvey is daarmee een onderdeel van een groter pakket van geplande dataverzameling in het kader van Ecologisch Gericht Suppleren II/Natuurlijk Veilig. Het hoofddoel van de strandsurvey is om gedurende het voorjaar (maart-juni) iedere 2 à 3 weken op drie verschillende locaties data te verzamelen over aantallen, conditie, groei en dieet van juveniele platvis in de brandingszone in relatie tot relevante omgevingsvariabelen, zowel abiotisch als biotisch. De survey zal inzicht verschaffen wanneer en in welke mate de brandingszone in die periode gebruikt wordt als kinderkamer voor jonge platvis en in hoeverre dit gebruik en conditie, groei, en dieet afhangen van biotische en abiotische omgevingsvariabelen en of dit verschilt per platvissoort. Dit rapport beschrijft de meetstrategie, de meetmethoden, de te meten variabelen (vis, benthos en omgevingsvariabelen) en de bemonsteringslocaties voor de strandsurvey 2019

    Natuurlijk veilig: Meetplan kustsurvey 2020

    No full text
    Suppleties van zand op vooroever of strand worden in opdracht van Rijkswaterstaat uitgevoerd om de Nederlandse kust tegen erosie te beschermen en om voldoende zand in het kustfundament te houden. Een groot deel van de suppleties vindt plaats in of nabij de kuststrook die binnen de Natura2000 regelgeving wordt beschermd, de Noordzeekustzone. Het is dus van belang de eventuele effecten van deze praktijk op de natuur zorgvuldig te bestuderen, zodat dit effect kan worden afgezet tegenover het algemene nut voor de maatschappij. Betere kennis van de effecten kan leiden tot beperking van eventuele schade aan- en mogelijk zelfs tot versterking van- gewenste natuurwaarden en ecosysteemdiensten. Tot nog toe is er in vergelijking met benthos relatief weinig aandacht geweest voor de gevolgen van suppleren op vispopulaties, terwijl de kinderkamerfunctie van de ondiepe kustzone voor vis een zeer belangrijke economische ecosysteemdienst levert. Kennis van de omgevingsfactoren die het voorkomen van juveniele vis in de ondiepe kustzone bepalen, leidt tot een verbeterd inzicht in de gevolgen van suppleties op vispopulaties en daarvan afhankelijk overig zeeleven. In overleg met natuurorganisaties en de kennisinstituten Deltares en Wageningen Marine Research is in 2016 het document `Ecologische effecten van zandsuppleties’ (Herman et al., 2016) geschreven met als doel onderzoek te formuleren naar ecologische effecten van zandsuppleties. In het onderdeel ‘uitvoeringsplan’ (deel C in Herman et al. 2016) zijn 3 onderzoekslijnen (ook wel Krachtlijnen genoemd) gedefinieerd, te weten: Vooroever, Duinen en Waddenzee. Het hier beschreven meetplan voor een survey in 2020 valt onder de onderzoekslijn Vooroever. De onderzoeksvraag luidt: “Wat zijn de cumulatieve gevolgen van reguliere suppleties op samenstelling en functioneren van het ecosysteem van de ondiepe vooroever van de Nederlandse kust?” Deze volgt uit de prioritering van de krachtlijn Vooroever: (cumulatieve) gevolgen van reguliere suppleties op samenstelling en functioneren van het ecosysteem van de vooroever. Het onderdeel dat in onze monitoring de hoogste prioriteit heeft gekregen is vis en dan met name de bodemgebonden (plat)vis omdat hier het meest directe effect van een verandering in sedimentsamenstelling door suppleties is te verwachten. Om de verspreiding en abundantie van deze vis in relatie tot omgevingsvariabelen zoals sedimentsamenstelling beter te begrijpen is er in 2017, 2018 en 2019 bemonsterd in de ondiepe vooroever (<10m) waarbij verschillende omgevings-variabelen zijn bepaald. In 2017 en 2018 is dit gedaan voor specifieke gebieden met een experimentele opzet. Vanwege de beperkt beschikbare tijd (en de noodzaak van goede weersomstandigheden binnen dit tijdsbestek) leverde dit minder resultaten op dan vooraf verwacht. Vandaar dat in 2019 besloten is een andere opzet te kiezen waarbij de experimentele opzet minder van belang was. Er werd toen uitgebreider gekeken naar het ruimtelijke beeld langs de gehele Nederlandse kustzone. In navolging van 2019 wordt er voor 2020 opnieuw een kustlangse survey voorgesteld. Gedurende een week wordt er vanaf het onderzoeksschip de Luctor met een 3 m boomkor gevist en wordt er op dezelfde locaties een sedimentmonster genomen. Voorlopige analyses van de eerder verzamelde gegevens laten zien dat de vangsten van schol in de kustzone vele malen lager zijn dan die in publicaties over de Waddenzee. Dit zou een werkelijk verschil in aanwezigheid van schol kunnen zijn, maar waarschijnlijk speelt de vangstefficiëntie van de gebruikte vistuigen hierin ook een rol. Om hier zicht op te krijgen, is er voor 2020 voorgesteld om in beide gebieden te bemonsteren met hetzelfde tuig. Om deze aanpassing op de kustlangse bemonstering zoals uitgevoerd in 2019 mogelijk te maken, is ervoor gekozen om het meest zuidelijke transect, langs de Zandmotor, uit de 2019 bemonstering te laten vervallen. Hiervoor in de plaats wordt een dag gebruikt om een transect op het Balgzand in de Waddenzee te bemonsteren. In 2020 gaat er vanuit IJmuiden tot aan Texel langs de kust op een diepte tussen 4-5 m bemonsterd worden, aangevuld met bemonsteringen op het Balgzand. In 2019 zijn twee raaien naar dieper water (12m) bemonsterd om inzicht te krijgen of de verspreiding van jonge schol zich enkel beperkt tot de 4-5m diepte zone, of dat ze in het voorjaar ook al aanwezig zijn in diepere wateren. Om meer inzicht op deze ruimtelijke verspreiding te krijgen zal er langs de kust in 2020 opnieuw geprobeerd worden een aantal raaien naar dieper water (12m) te bemonsteren

    International Bottom Trawl Survey Working Group (IBTSWG)

    No full text
    The International Bottom Trawl Survey Working Group (IBTSWG) coordinates fishery-independent multispecies bottom-trawl surveys within the ICES area. These long-term monitoring surveys provide data for stock assessments and facilitate examination of changes in fish distribution and abundance. The group also promotes the standardization of fishing gears and methods and survey coordination. This report summarizes the national contributions in 2020–2021 and plans for the 2021–2022 surveys coordinated by IBTSWG. In the North Sea, the surveys are performed in quarters (Q) Q1 and Q3 while in the Northeast Atlantic the surveys are conducted in Q1, Q3, and Q4 with a suite of 14 national surveys covering a large area of continental shelf that ranges from North of Scotland to the Gulf of Cádiz. Despite the COVID-measures and bad weather, most surveys were able to complete the majority of the planned hauls. The Portuguese survey (PT-GFS-Q4) was cancelled in 2020 due to issues associated with the new vessel and a COVID-outbreak. A COVID-related delay in submitting the cruise application form for the French CGFS20 survey resulted in no authorisation to trawl in UK waters and only 70% of the core stations were completed. Issues with the UK permits, were also experienced in the North Sea surveys, only being resolved at the last moment, expected to be a returning issue. Therefore, IBTSWG addressed the permit issue in further detail in order to better evaluate the impact and propose possible solutions.All surveys, except for the Spanish GCGF-Q1 21 which is cancelled due to a vessel refit, are planned to take place according to the manuals in the next year.The SCOROC Q3 20 survey recorded second highest recruitment of zero group haddock on the Rockall Bank since the start of the new survey series in 2011. The North Sea Q1 21 survey recorded good recruitment of haddock as well, and high recruitment of mackerel, while overall herring recruitment seemed low except for three exceptionally large catches in the Skagerrak/Kattegat bringing the index above average. Both North Sea surveys reported large amounts of target species outside their index areas, which may warrant a revision of the species-specific areas on which the standard abundance indices are calculated.IBTSWG will continue a number of collaborative activities later this year. The Workshop on the Further Development of the New IBTS Gear (WKFDN) will focus on updating results of gear trails with the potential new gears. The Workshop on the production of swept area estimates for all hauls in DATRAS for biodiversity assessments (WKSAE) will continue work on the Northeastern Atlantic Flexfile available via DATRAS, for which country specific algorithms are used to fill data gaps relevant for the calculation of the swept area. This and the already available North Sea Flexfile can be used to produces swept area indices. IBTSWG also met with members of the assessment groups, Working Group on the Assessment of Demersal Stocks in the North Sea and Skagerrak (WGNSSK) and Working Group on Elasmobranch Fishes (WGEF), to improve communication on for example circumstances affecting the execution of the surveys but also changes in survey design potentially impacting the indices

    Ecologische effecten van een pilotsuppletie in het Amelander Zeegat : Synthese van onderzoeksresultaten en literatuur

    No full text
    Dit syntheserapport richt zich op de ecologische situatie kort na de aanleg van suppletie (T1) waarvoor in juni 2019 een zandspiering en in september 2019 een benthosbemonstering is uitgevoerd. De voor- en na-situatie worden met elkaar vergeleken om inzicht te krijgen in de impact van de pilotsuppletie. De veldgegevens zijn aangevuld met literatuurgegevens en data van vogels en zeehonden uit andere studies. Met als doel het beantwoorden van de onderzoeksvragen: Is de verspreiding van benthische habitats en benthische soortensamenstelling in de T1-bemonstering vergelijkbaar met het patroon dat is gevonden tijdens de T0-bemonsteringen; en is de suppletie van invloed geweest? Wat is de samenstelling van de bodemvisgemeenschap in de buitendelta van het Amelander Zeegat ten opzichte van de T0 en is de suppletie hierop van invloed geweest? Zijn er vogelsoorten waarvoor de buitendelta van het Amelander Zeegat een belangrijk rust- en of foerageergebied vormt en zo ja, is er een relatie tussen de verspreiding over en het gebruik door vogels van de buitendelta en specifieke onderdelen van de buitendelta en is de suppletie hierop van invloed geweest? Vormen de buitendelta’s belangrijke foerageergebieden voor de grijze zeehond, de gewone zeehond en de bruinvis en zo ja, is er dan een relatie tussen het gebruik als foerageergebied en specifieke onderdelen van de buitendelta en is de suppletie hierop van invloed geweest

    Reisverslag kustsurvey Natuurlijk Veilig : Juni 2019

    No full text
    In de periode 17 tot 21 juni 2019 heeft Wageningen Marine Research in opdracht van Rijkswaterstaat in het kader van Natuurlijk Veilig een kustlangse survey uitgevoerd in de vooroever vanaf de tweede Maasvlakte tot aan Texel. De survey was opgezet om de verspreiding en abundantie van (plat)vis in de vooroever te bepalen en gegevens te verzamelen van (a)biotische factoren die deze verspreiding bepalen. Het doel is deze gegevens te gebruiken om mogelijke effecten van zandsuppleties in de vooroever op vis te voorspellen. De dit jaar uitgevoerde bemonsteringen zijn ondanks een andere opzet wel bedoeld als aanvulling op de werkzaamheden voor Natuurlijk Veilig uitgevoerd in 2017 en 2018. Vanaf de tweede Maasvlakte naar het noorden toe zijn er om de paar kilometer in het totaal 62 locaties bemonsterd op een waterdiepte van 4-6 m. Daarnaast zijn er zeven locaties, waarvan drie ter hoogte van Scheveningen en vier ter hoogte van Castricum, bemonsterd in water dieper dan 6 m tot maximaal 16 meter. Iedere locatie is bemonsterd voor vis met een 3 meter boomkor. Daarnaast is op iedere locatie een sedimentmonster genomen en zijn er gegevens verzameld over doorzicht, watertemperatuur en saliniteit
    corecore