1,720,952 research outputs found

    Consumer responses to risk-benefit information about food

    No full text
    Communication about the healthiness of consuming different food products has typically involved either health messages about the associated risks or benefits. In reality, consumption decisions often involve consumers “trading-off” the risks and benefits associated with the consumption of a particular food product. If consumers are to make informed choices about food consumption, they may need to simultaneously understand both risk and benefit information associated with consuming different foods. However, it is not known how this potentially conflicting information can best be communicated. Effective risk-benefit communication is also important because, increasingly, risk assessment and regulatory decision-making is focused on risk and benefit associated with a specific food issue, which will also need to be communicated to consumers. This thesis therefore examines consumer responses to information about both risks and benefits associated with food, in order to provide insights into effective ways to communicate this information. For this purpose, three lines of research are explored: (1) consumer perceptions and responses to integrated risk-benefit metrics, (2) potential barriers to effective risk-benefit communication, and (3) consumer responses to communication about risk management practices associated with food hazards. In Chapter 2 consumer preferences regarding several integrated risk-benefit metrics describing the combined impact of risks and benefits associated with food consumption on health are qualitatively explored. Chapter 3 examines consumer perceptions of quality-adjusted-life-years (QALYs) as a tool for describing the combined impact of risks and benefits associated with food consumption, and in Chapter 4 it is examined whether integrated risk-benefit information in terms of QALYs can facilitate informed decision making for consumers, including how this information can best be presented. The research regarding potential barriers to effective risk-benefit communication focuses on optimism regarding risks and benefits associated with food consumption (Chapter 5), and on the role of initial attitudes on the occurrence of negativity effects after the provision of balanced risk-benefit information (Chapter 6). Finally, the impact of information about risk management practices associated with food hazards on consumer perceptions of food risk management quality are examined (Chapter 7). Overall, the results of this thesis provide useful insights for the development of effective risk-benefit communication, including the communication of information about integrated risk-benefit assessments, and for the development of effective ways to communicate about risk management practices associated with food hazards. <br/

    Verslag van de Staatscommissie met de opdracht een onderzoek in te stellen van de buitengewoon hooge waterstanden, tijdens den stormvloed van 13/14 januari 1916: voorgekomen op de in Zuidholland gelegen benedenrivieren, meer bepaaldelijk op den Rotterdamschen Waterweg

    No full text
    Rapport met een analyse van het extreme hoogwater in Rotterdam op 13 januari 1916 waardoor een dijk bij het Mallegat was doorgebroken terwijl de waterhoogte op zee bij Hoek van Holland net zo hoog was als bij de stormvloed tien jaar daarvoor. De concrete vraag was wat de oorzaak was, en of dit vaker kon voorkomen. De leden van de commissie waren deskundigen van Rijkswaterstaat en van het KNMI, maar het ministerie (minister Lely) wilde een ter zake deskundige buitenstaander als voorzitter. De commissie concludeerde dat dit specifieke hoogwater werd veroorzaakt door hoge rivierafvoer en een samenloop van diverse factoren, waaronder de lange duur van de storm. En dat er in principe geen bovengrens aan de waterstand is, maar dat bij geometrie van de waterlopen van dat moment een maximale ontwerpwaterstand van 3,55 m boven N.A.P. te adviseren was. De commissie heeft zeer uitgebreid gerapporteerd, en daarbij onderzoek gedaan naar de wiskunde van de doordringing van stormvloeden in de benedenrivieren. Het rapport bevat tevens een bijlage van 62 blz met een Historisch Overzicht van de hoge vloeden en overstromingen tot en met 1868

    De snelheid van doorbraak van de dijk rond een energiebekken

    No full text
    Deze notitie vormt een deel van een studie i.v.m. een risico-analyse aangaande een eventueel spaarbekken in het IJsselmeer, waarin t.b.v. energieopslag water tot een peil van ca NAP + 20 m wordt opgezet. Een door enige oorzaak in de ringdijk van een dergelijk hoog gelegen bekken ontstaan gat zal - in de tijd gezien - door horizontale en verticale erosie grotere afmetingen gaan aannemen. In deze gidsstudie wordt getracht een nadere precisering te geven van de snelheid, waarmee een ontgrondingskuil zich in een dergelijk geval zal ontwikkelen. Als overstort over de dijk plaats vindt, waarbij een stroomsnelheid van 10 m/s over het talud wordt bereikt, wordt naar verwachting een bovenlaag van ca 14 cm gefluidiseerd; hierdoor wordt per minuut een laag van ca 50 cm van het talud "afgeschoren". Hierbij komt nog het verlies door suspensietransport, wat nog niet is berekend. Op de plaatsen, waar de dijk is verdwenen, kan een contractieput ontstaan. uitgaande van de gegeven aannamen wordt hiervoor een maximale ontgrondingsdiepte van 8.6 t^1/2 meter voorzien, waarbij t de tijd in uren voorstelt

    Doorbraakvrije dijken: Opzet doorbraakvrije zeedijken en voorlopige conclusies sterkte binnentaluds bij golfoverslag

    No full text
    In het kader van WV21 wordt door Deltares en een werkgroep gekeken naar doorbraakvrije dijken. Er wordt gekeken naar de definitie van doorbraakvrij en daarnaast naar hoe doorbraakvrije dijken er zouden moeten uitzien ten opzichte van de huidige dijken. In dit kader is aan Van der Meer Consulting gevraagd specifiek uitwerking te geven aan doorbraakvrije zee- en meerdijken en is gevraagd voorlopige conclusies op te stellen naar aanleiding van de proeven met de golfoverslagsimulator omtrent de sterkte van binnentaluds van dijken tegen golfoverslag. Deze uitwerking en het maken van voorlopige conclusies is gedaan door meerdere personen/bedrijven hierbij te betrekken, namelijk de projectgroep voor de proeven bij de Boonweg in Friesland en de proeven in Zeeland (Deltares zelf, Infram, Royal Haskoning en Alterra) en Infram ten aanzien van doorbraakvrije zeedijken. Vanuit observaties van de golfoverslagproeven (zie appendix 1 voor een fotorapportage met beschrijving) is één hoofdconclusie met betrekking tot doorbraakvrije dijken naar voren gekomen. Gesteld wordt dat het aannemelijk lijkt dat een binnentalud van klei met gras bij een overslag van 30 l/s per m of minder nooit door erosie zal bezwijken. Dit betekent dat in veel extremere omstandigheden dan de huidige maatgevende belasting, een huidige zee- of meerdijk niet door overslag zal bezwijken. Om het faalmechanisme infiltratie door golfoverslag en afschuiven van het binnentalud uit te sluiten, dient een doorbraakvrije zee- of meerdijk een binnentalud van 1:3 te hebben. Als kostenalternatief kan ook gekeken worden naar een binnentalud van 1:5. Omdat de huidige zee- en meerdijken al voor hoge stormvloeden en hoge golven zijn of worden ontworpen, lijkt het relatief gezien geen grote ingreep om deze dijken bestand te maken voor een veel zwaardere storm met een veel kleinere kans van voorkomen. En deze dijk zodoende doorbraakvrij te maken. Als meer golfoverslag wordt toegestaan in zeer extreme omstandigheden (tot ver boven de huidige maatgevende omstandigheden), en wanneer een zee- of meerdijk moet worden verbeterd, dan is het niet een grote stap om deze dijk, ook voor de komende 50 jaar, doorbraakvrij te maken. Bekledingen moeten dan iets dikker worden dan wat nu volgt uit het huidige ontwerpproces en ze moeten iets hoger op het talud worden aangebracht en de dijk moet mogelijk iets hoger

    Enkele beschouwingen bij een laboratoriumonderzoek naar het verschijnsel van zandmeevoerende wellen

    No full text
    Bij de stabiliteitsbeschouwing wordt niet alleen gelet op de veiligheid tegen afschuiven van binnen- en buitentalud, maar wordt ook aandacht besteed aan de gevaren van interne erosie. Bij deze laatste vorm van aantasting van de dijken wordt < materiaal (zand) uit de ondergrond geërodeerd. Door verplaatsing (afvoer) van het zand kan de dijk worden ondermijnd. Verzakking van de dijk en doorbraak kunnen het gevolg zijn. Het geërodeerde zand treedt met het kwelwater meestal geconcentreerd in zogenaamde zandmeevoerende wellen aan het oppervlak. Deze wellen zijn dus te zien als het uiterlijke kenmerk van een in de ondergrond optredend erosieproces. Bij de voorbereiding van de rivierdijkverbeteringen werd het duidelijk dat ten aanzien van de aspekten zandmeevoerende wellen en (de daaraan gekoppelde) interne erosie (piping) onvoldoende kennis bestond. In de huidige praktijk wordt gewerkt met ontwerpcriteria die, naar de mening van velen, onder sommige omstandigheden leiden tot onbevredigende dijkverzwaringen. In elk geval moet worden geconstateerd dat het nauwelijks mogelijk is de mate van beveiliging kwantitatief.TAW/EN

    Een brede waterkering: Van concept naar praktijk

    No full text
    In de toekomst moet rekening gehouden worden met de stijgende zeespiegel. In dit afstudeeronderzoek is in het kader van deze verwachte zeespiegelstijging gekeken naar twee mogelijke oplossingsrichtingen als alternatief voor traditionele dijkverhoging. Het gaat hier om enerzijds het opnemen van het voorland in de waterkering om de golfrandvoorwaarden aan de teen van de dijk te beloeden en anderzijds het opnemen van het achterland in de waterkering om overslaand water te kunnen opvangen, zie figuur. Deze twee oplossingsrichtingen zijn in dit onderzoek tezamen de brede waterkering genoemd. Er is een casestudie uitgevoerd voor de Molenpolder in Zeeuws-Vlaanderen waar de mogelijkheden van een brede waterkering met achterland zijn vergeleken met een traditionele dijkverhoging. Bij de traditionele dijkverhoging wordt het overslagcriterium aangehouden zoals dat wordt aanbevolen in de huidige wetgeving (1 l/s/m). Bij de brede waterkering wordt ervan uitgegaan dat de waterkering meer overslag aankan dan het huidige criterium en in de casestudie is de grens aan het overslagdebiet bepaald door de maximale opslagcapaciteit van de Molenpolder. In andere gevallen komt er een grens aan het overslagdebiet wanneer het kritieke overslagdebiet bij grasdijken optreedt (10 l/s/m). Onderzoeksvragen die zijn behandeld: Is een brede waterkering een veilig alternatief? Is de brede waterkering qua kosten haalbaar? Wat zijn de voorwaarden voor acceptatie in de maatschappij? Door het toestaan van de extra overslag moet gekeken worden naar de stabiliteit van de waterkering. Een ander belangrijk punt is het verstrekken van een schadevergoeding ten tijde van grote overslag. Verder zijn de maatschappelijke aanvaardbaarheid en de maatschappelijke aanvaarding van een brede waterkering bekeken en dit is mede afhankelijk van de effecten die de overslag van zout water heeft op de functies van het achterland. De brede waterkering met achterland is een re alternatief voor de traditionele dijkverhoging met diverse toepassingsmogelijkheden. Dit geldt niet alleen voor de locatie Molenpolder, maar ook voor andere locaties in Nederland. Voor de brede waterkering met voorland is nader onderzoek noodzakelijk zijn.Civil Engineering and Geoscience

    Don't build your whole career on a single success; interview

    No full text
    In the future, we will flush our toilets with seawater and the sewage system will become a source of raw materials. This is according to Spinoza prizewinner and water purification expert Professor Mark van Loosdrecht.Delft University of Technolog

    Refinement of solutions to the linear complimentarity problem

    Full text link
    Nash equilibrium;game theaory;matrices

    'Recreatie tussen wal en schip?' De rol van water en Rijkswaterstaat bij waterrecreatie

    No full text
    Miljoenen mensen in Nederland recreëren geregeld in, op of aan het water. Daarom is het ook voor waterbeheerders noodzakelijk zich te bezinnen op de vraag hoe zij bij de waterrecreatie betrokken willen zijn. Wat Rijkswaterstaat betreft verscheen al in 1997 een inventariserend rapport over het vraagstuk rondom Waterstaat en Waterrecreatie. Dit werd gevolgd door enkele andere rapporten en door een recent onderzoek naar het economisch belang van de waterrecreatie in Nederland. In het rapport \u91Recreatie tussen wal en schip?\u92 draait het om de vraag welke rol Rijkswaterstaat kan vervullen, om bij te dragen aan een optimale ontwikkeling van de waterrecreatie in Nederland. WATERRECREATIE EN WATERBEHEER Tegen de achtergrond van het grote maatschappelijke en economische belang is het opmerkelijk, dat recreatie in het algemeen en waterrecreatie in het bijzonder voor geen enkel ministerie een kerntaak is. Wel verscheen al geruime tijd geleden onder verantwoordelijkheid van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de beleidsnota Openluchtrecreatie 1992-2010 ('Kiezen voor recreatie'). Aangeven is dat het rijksbeleid zich in de toekomst zal richten op kerntaken. deze zijn in hoofdlijnen: visie ontwikkelen, voorwaarden scheppen en initiatieven nemen.\u94 De rijksoverheid geeft op meer afstand sturing aan ontwikkelingen en reikt de sector (overheden, particulier initiatief en bedrijfsleven) instrumenten aan ter versterking van het eigen handelen. Het rijk is verantwoordelijk voor de totstandkoming van samenhangende landelijke visies en strategieën, wet- en regelgeving, de integratie van het recreatiebelang in andere onderdelen van het rijksbeleid en de doorwerking ervan naar andere overheden.\u94 In deze nota is verder aangegeven dat in het openluchtrecreatiebeleid o.a. Nederland Waterland centraal zal staan. Het ministerie van LNV geeft áán de mogelijkheden voor waterrecreatie te willen vergroten. Het ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft het waterrecreatiebeleid niet in het takenpakket. Deze nota onderscheidt verdere diverse waterrecreatiegebieden, waarvan de meeste worden beheerd door Rijkswaterstaat. Toch heeft recreatie in het beheer geen prioriteit. De Vierde Nota Waterhuishouding (NW4) uit 1998 noemt recreatie alleen in relatie tot de Randmeren, het Markermeer en het zuidelijk deel van het IJsselmeer. Wel beschouwt Rijkswaterstaat volgens het Beheersplan voor de Rijkswateren 2001-2004 recreatie als een vanzelfsprekend onderdeel van integraal waterbeheer. In de nota wordt het instrument \u91recreatiekansenkaarten\u92 geïntroduceerd. In Brabant is hiermee al geëxperimenteerd en binnenkort start in Limburg een proef. Ook in de provinciale waterhuishoudingsplannen heeft bij de functietoekenning voor de regionale wateren recreatie als onderdeel van integraal waterbeheer een plaats gekregen. De laatste jaren worden door diverse provincies omgevingsplannen opgesteld waar waterrecreatie een onderdeel van uitmaakt. Voor de waterbeheerder, zowel landelijk als regionaal ,is de waterrecreatie een van de belangen waarmee rekening gehouden moet worden. Naar de mening van de waterrecreatiesector komt het integrale waterbeheer echter te weinig uit de verf. Dat valt op te maken uit zowel de meest recente beleidsvisies van de Stichting Recreatietoervaart Nederland (SRN) en van de zogenaamde Kleine Waterrecreatie. In reactie hierop onderstreept de Beleidsbrief Recreatie en Toerisme van de staatssecretarissen van LNV en EZ het grote belang van de waterrecreatie. Mogelijkheden zien de bewindslieden onder meer in het kader van het beleid om meer ruimte te bieden aan de rivieren en om op het land te zoeken naar mogelijkheden voor waterberging. De beleidsbrief fungeert als bouwsteen voor het Tweede Structuurschema Groene Ruimte waarin een beleids- en actieprogramma toerisme en recreatie wordt uitgewerkt na raadpleging van alle betrokken partijen, onder meer via het Breed Overleg Recreatie (BOR). Rijkswaterstaat is in dit BOR echter niet vertegenwoordigd. Het belang van recreatie en toerisme voor de Nederlandse economie is groot: in het jaar 2000 ging het om een totaal aan bestedingen van 25 miljard euro. Hiervan is ongeveer 16% (3,9 miljard euro) watergerelateerd, zo blijkt uit de recente studie van het NRIT. Onder meer vanwege de toenemende vergrijzing mag gerekend worden met een nog groeiende omvang in de komende jaren. RANDVOORWAARDEN VOOR ONTPLOOING Wat zijn de randvoorwaarden om te komen tot een goede ontplooiing van de waterrecreatie? Uit gesprekken met medewerkers van Rijkswaterstaat en van andere partijen (bijv. watersport, de provincies, de natuurorganisaties en de beroepsvaart) komen als belangrijke punten naar voren: \u95 meer politieke en beleidsmatige aandacht, \u95 een sterkere lobby vanuit de sector, \u95 een goede afstemming tussen de diverse overheden, \u95 goed overleg tussen de overheden/beheerders en de waterrecreatiesector en ook tussen de sector en bijvoorbeeld de natuurorganisaties of beroepsvaart, \u95 een goede toegankelijkheid van het water, \u95 hoogwaardige voorzieningen, \u95 een evenwichtige balans tussen de verschillende waterfuncties, \u95 meer financiële middelen. MOGELIJKE ROLLEN WATERRECREATIE VOOR RIJKSOVERHEID Tijdens een Expertmeeting met deelnemers vanuit diverse geledingen van Rijkswaterstaat en ook vanuit andere overheden en de waterrecreatiesector is gesproken over verdeling van rollen en belangen (zie de schematic als bijlage bij dit rapport). Tevens is geïnventariseerd wat de wederzijdse verwachtingen zijn op het gebied van waterrecreatie en de verdere ontplooiing daarvan. Ten aanzien van de primaire verantwoordelijkheid voor het waterrecreatiebeleid zagen de deelnemers meerdere mogelijkheden: 1. Het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Dit zou een belangrijke taak worden van het nieuwe Directoraat-generaal Water. De meeste geïnterviewden, afkomstig uit de waterrecreatiesector, de provincies, de beroepsvaart en de recreatieschappen, kiezen voor deze benadering op voorwaarde dat afstemming plaatsvindt met het ministerie van LNV. 2. Het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Een deel van de respondenten, vooral uit de hoek van de ministeries en Rijkswaterstaat, pleit ervoor, dat het ministerie van LNV primair verantwoordelijk blijft, waardoor het totale recreatie- en toerismebeleid in één hand blijft. De rol van Rijkswaterstaat zou zich dan concentreren op het faciliteren van beleid (de uitvoering van maatregelen, aangestuurd door V&W). 3. Andere mogelijkheden. Enkele respondenten zien in het ministerie van Economische Zaken het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu als mogelijk primaire trekker. OPTIES UITVOERING VAN WATERRECREATIEBELEID RIJKSWATEREN Optie 1 Rijkswaterstaat als regisseur Er zijn veel voorstanders van Rijkswaterstaat als regisseur van de uitvoering van beleid. Een dergelijke rol houdt in, dat Rijkswaterstaat op basis van het vastgestelde beleid richting geeft aan de manier waarop dit beleid samen met andere actoren en in samenhang met andere waterfuncties wordt ingevuld. Als het gaat om de rijkswateren wordt die gedachte in ruime mate ondersteund door de partijen in het veld. Binnen V&W en RWS zelf bestaat nog de meeste scepsis over deze nieuwe rol. Men ziet deze regierol als iets dat komt boven op de bestaande werklast en bestaand budget. Wil Rijkswaterstaat de rol van regisseur vervullen, dan dient men wel te beschikken over: \u95 Visie op het thema waterrecreatie die wordt ingepast in de integrale benadering van het waterbeheer, \u95 medewerkers die op dat terrein goed thuis zijn, \u95 kennis van de recreatiewensen in de samenleving, \u95 de noodzakelijke contacten met de sector en met andere overheden (inclusief andere ministeries) en \u95 de noodzakelijke budgetten. Bovendien dient men aan alle rijkswateren de (neven)functie recreatie toe te kennen en zou Rijkswaterstaat het voortouw moeten nemen in het opstellen van een landelijk Waterrecreatie(uitvoerings)plan voor zowel rijks- en niet-rijkswateren. Dit plan komt tot stand in overleg met alle relevante partijen en het bestaat in ieder geval uit een globale landelijke Waterrecreatiekansenkaart en een investeringsplan. Het plan wordt verankerd in het Beheersplan voor de Rijkswateren. Op regionaal niveau vindt een zelfde exercitie plaats. Op deze wijze zal waterrecreatie mede sturend worden in de beleidsvoorbereiding. Optie 2 Rijkswaterstaat als facilitator Een keuze voor de rol als facilitator betekent, dat Rijkswaterstaat zich alleen richt op de uitvoering van door anderen opgesteld beleid. Niettemin zou RWS aan alle rijkswateren de (neven)functie recreatie toe moeten kennen. Dit is een logische vertaling van het begrip integraal waterbeleid. Hierdoor kan in een vroeg stadium in de planvorming de mogelijkheden voor recreatie worden meegenomen. Op de lange termijn is dit kostenbesparend. In het Beheersplan voor de Rijkswateren wordt een paragraaf/hoofdstuk gewijd aan waterrecreatie. Rijkswaterstaat laat hierin duidelijk zien dat recreatie als een van de waterfuncties meer prioriteit zou moeten krijgen dan nu het geval is, via het instrument van de waterrecreatiekansenkaarten. Waterrecreatie kan mede sturend worden in de beleidsvoorbereiding. WATERRECREATIE BIEDT KANSEN Een duidelijker profilering van Rijkswaterstaat op het gebied van de waterrecreatie draagt bij aan een breder draagvlak voor de andere taken, bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid. Waterrecreatie is een populair thema bij de burger. Er liggen grote ontplooiingskansen en er is een roep op een sterke partij die in het gat springt om die kansen te benutten. De partijen in het veld gunnen Rijkswaterstaat hierin een belangrijke rol. Het is aan Rijkswaterstaat om voor zichzelf hierin een nieuwe uitdaging te ontdekken. Anders gezegd: Rijkswaterstaat zou niet alleen moeten kijken naar de aspecten \u91vlot\u92 en \u91veilig\u92, maar ook naar het aspect \u91veelzijdig\u92.WVK*NW

    Aanzet tot het probabilistisch ontwerpen van breasting dolphins

    No full text
    Dit rapport bevat 5 deelrapporten waarin aanzet wordt gegeven tot het probabilistisch ontwerpen van breasting dolphins. Deelrapport 1: vergelijking afgeleid aanmeren schip Deelrapport 2: afmeermanoeuvres Deelrapport 3: metingen met geodimeter Deelrapport 4: numeriek model afmeren van een schip Deelrapport 5: faalkansHydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
    corecore