62 research outputs found

    Joan de Haes en de Poëtenoorlog

    No full text
    At the beginning of the eighteenth century Joan de Haes, a rather unkown Dutch poet, played an important role in the so- called ‘Poëtenoorlog’. The main issue was whether the famous poet Vondel ought to be the guiding author of the Dutch poets or the poets of the ‘doctrine classique’, such as Corneille. Joan de Haes was an admirer of Vondel. He hated ‘French’ interference which he regarded as a danger to Dutch poetry. In several pamphlets he attacked his opponents. One time he parodied his adversary, the other time he used irony as a weapon. The conflict between these poets sometimes got very personal. Swearwords often were used. De Haes played an active role in the ‘Poëtenoorlog’. His main concern was defending Vondel and stopping the frenchifying of Dutch literature. In spite of all his efforts he did not succeed in his mission

    Apollo 13. Jos de Haes and the Real of his Desire

    No full text
    This is a rereading of the poetry of the Flemish poet Jos de Haes, the author of a limited body of work which, notwithstanding, had great influence in postwar Flemish poetry

    Quantitative Peptidomics with Isotopic and Isobaric Tags

    No full text
    In differential peptidomics, peptide profiles are compared between biological samples and the resulting expression levels are correlated to a phenotype of interest. This, in turn, allows us insight into how peptides may affect the phenotype of interest. In quantitative differential peptidomics, both label-based and label-free techniques are often employed. Label-based techniques have several advantages over label-free methods, primarily that labels allow for various samples to be pooled prior to liquid chromatography-mass spectrometry (LC-MS) analysis, reducing between-run variation. Here, we detail a method for performing quantitative peptidomics using stable amine-binding isotopic and isobaric tags.status: Publishe

    Eeuwige jeugd komt in een pilletje

    No full text
    status: Publishe

    Functional neuropeptidomics in invertebrates

    No full text
    Neuropeptides are key messengers in almost all physiological processes. They originate from larger precursors and are extensively processed to become bioactive. Neuropeptidomics aims to comprehensively identify the collection of neuropeptides in an organism, organ, tissue or cell. The neuropeptidome of several invertebrates is thoroughly explored since they are important model organisms (and models for human diseases), disease vectors and pest species. The charting of the neuropeptidome is the first step towards understanding peptidergic signaling. This review will first discuss the latest developments in exploring the neuropeptidome. The physiological roles and modes of action of neuropeptides can be explored in two ways, which are largely orthogonal and therefore complementary. The first way consists of inferring the functions of neuropeptides by a forward approach where neuropeptide profiles are compared under different physiological conditions. Second is the reverse approach were neuropeptide collections are used to screen for receptor-binding. This is followed by localization studies and functional tests. This review will focus on how these different functional screening methods contributed to the field of invertebrate neuropeptidomics and expanded our knowledge of peptidergic signaling. This article is part of a Special Issue entitled: Neuroproteomics: Applications in Neuroscience and Neurology.sponsorship: The authors acknowledge the Research Foundation Flanders (FWO-Vlaanderen, Belgium, G.04371.0N) and the European Research Council (ERC-2013-ADG-340318). Wouter De Haes is funded by the KU Leuven Research Fund. Elien Van Sinay and Liesbet Temmerman are research fellows of the FWO-Vlaanderen, and Giel Detienne is funded by the Agency for Innovation by Science and Technology in Flanders (IWT). (Research Foundation Flanders (FWO-Vlaanderen, Belgium)|G.04371.0N, European Research Council|ERC-2013-ADG-340318, KU Leuven Research Fund, Agency for Innovation by Science and Technology in Flanders (IWT))status: Publishe

    Forty years of Leiden environmental science: the history of the Leiden Institute of Environmental Sciences (CML) 1978-2018

    No full text
    Forty years of Leiden environmental sciences relates the story of CML, today one of the Faculty of Science’s eight institutes but with its roots in a more or less in dependent group of ex-activists within the university. Back in the day, many of those at the top of the university would probably have had trouble accepting that ‘those upstarts’ would still be around forty years on – not locked away in some cubbyhole with their stencil duplicator, but as a professor, assistant professor or even a dean. Today they are professors emeritus or have retired: Helias Udo de Haes, Wouter de Groot, Gerard Barendse, Gjalt Huppes, Gerard Persoon, Hans de Iongh and Jan Boersema – which doesn’t stop most of them just carrying on working. And a new generation of environmental scientists is now leading CML’s research and teaching: Geert de Snoo, Arnold Tukker, Martina Vijver, Peter van Bodegom, Jeroen Guinée, Ester van der Voet and René Kleijn.Industrial EcologyConservation Biolog

    Stapelen: Een alternatieve spooruitbreiding van 2 naar 4 sporen

    No full text
    Inleiding De Nederlandse overheid is er veel aan gelegen het treingebruik te bevorderen. Enerzijds ontlast dat Schiphol, anderzijds zou het aantal files kunnen afnemen. Om dit doel te bereiken worden op een groot aantal locaties spoorlijnen van 2 naar 4 sporen uitgebreid. Omdat u it kostenoverweging vaak voor een uitbreiding op maaiveld wordt gekozen neemt de hinder voor de omgeving toe. Het gevolg ervan is dat gemeenten die met spooruitbreiding te maken krijgen zich sterk maken voor een tunnel. Het stapelen van spoorlijnen wordt zelden overwogen, mede doordat men er sceptisch over is. Een oplossing in een bebouwde omgeving waarbij de bestaande sporen blijven liggen en de twee nieuwe sporen ondergronds worden aangelegd (de Stapeloplossing) l i j k t een groot aantal voordelen te hebben. De kosten kunnen i n vergelijking tot de tunnel worden beperkt, en de meest hinderlijke treinen (sneltreinen en goederentreinen) verdwijnen i n tunnels. Daarnaast kan een lokaal station op maaiveld gehandhaafd blijven en kunnen spoorwegovergangen in de directe omgeving van het station die moeilijk tot ongelijkvloerse kruisingen kunnen worden omgebouwd gehandhaafd worden. In deze studie is uitgezocht of een dergelijk ontwerp inderdaad reëel kan zijn, en zo ja: wanneer (onder welke voorwaarden). Uitbreiding spoorcapaciteit Er is een aantal maatregelen denkbaar waarmee de capaciteit van spoorlijnen kan worden uitgebreid. Er zijn maatregelen aan het bestaande spoor waarbij er geen extra infrastructuur wordt aangelegd (nieuwe trajectbeveiliging, sluiten stations, treinsturing door computers, etc.) en maatregelen waarbij er wel extra infrastructuur wordt aangelegd (nieuw parallel traject, (lokale) spoorverdubbeling). I n deze studie is gekeken naar de mogelijkheden die er zijn om in een bebouwde omgeving het spoor van 2 naar 4 sporen te verdubbelen. Bij de inventarisatie geldt de ligging van het bestaande spoor ah uitgangspunt (verdiept, maaiveld of verhoogd). Met dit i n gedachten kunnen de nieuwe sporen op verschillende posities ten opzichte van het bestaande spoor worden aangelegd. Voorbeelden zijn (schuin) boven, (schuin) onder en ernaast. Hier komen de stapelmogelijkheden voor het eerst aan bod. Uit een eerste selectieronde, waarin de uitbreidingsmogelijkheden worden getoetst op onder andere dwarsrelaties, hinder en uitvoerbaarheid, bleek dat de stapelmogelijkheden voor bestaande lijnen op maaiveld of met een verhoogde ligging het grootst zijn. De varianten waarbij de nieuwe sporen (schuin) onder de bestaande sporen worden aangelegd lijken het meest kansrijk. De Stapeloplossing Bij de uitwerking van de kansrijke mogelijkheden van de Stapeloplossing zijn er drie basisconcepten te onderscheiden die afhankelijk zijn van de inrichting van de treindienst in de 4-sporige eindsituatie: - Richtingbedrijf met de snelsporen aan de binnenzijde - Richtingbedrijf met de snelsporen aan de buitenzijde - Lijnbedrijf Een belangrijke voorwaarde waaraan een spoorlijn i n de 4-sporige eindsituatie dient te voldoen om toepassing van de Stapeloplossing mogelijk te maken is dat er een volledige scheiding van de spoorfunctionaliteit bewerkstelligd moet kunnen worden. Dit houdt i n dat de doorgaande treinen en stoptreinen over aparte sporen rijden (de doorgaande treinen door de tunnel in de Stapeloplossing en de stoptreinen over maaiveld waarbij deze het station op maaiveld kunnen bedienen). De tunnellengte in de Stapeloplossing kan tot ruim 350 meter worden beperkt. Hiermee wordt het mogelijk boven de tunnel perrons met een lengte van 270 voor een stoptreinstation aan te leggen. Daarnaast b l i j f t er ruimte beschikbaar voor spoorwegovergangen aan de uiteinden van de perrons, en kunnen schachten worden aangebracht. De schachten zijn noodzakelijk om drukgolven in de tunnels voor de doorgaande treinen die ontstaan wanneer een trein (met hoge snelheid) een tunnel inrijdt te dempen. Voorwaarden voor toepassing Stapeloplossing Van belang is nu aan welke voorwaarden een locatie moet voldoen om toepassing van de Stapeloplossing mogelijk te maken. Er is een viertal voorwaarden waaraan een locatie dient te voldoen: - Ten eerste is de uitgangssituatie van belang. De bestaande l i j n dient op maaiveld te liggen, of verhoogd. - Er dient een relatie aanwezig te zijn tussen de gebieden aan weerszijden van het uit te breiden spoor waardoor er dwarsrelaties bestaan, en er moet sprake zijn van een bebouwde omgeving. - In de 4-sporige eindsituatie moet een volledige scheiding van de spoorfunctionaliteit mogelijk zijn zodat alle doorgaande treinen door de tunnel(s) kunnen worden geleid. - Er dient ruimte te zijn in zowel de lengterichting als in de breedterichting van het spoor om uitvoering van de Stapeloplossing mogelijk te maken. Ruimtegebrek in de lengterichting van het spoor wordt veroorzaakt door dwangpunten zoals grootschalige infrastructuur. Dit ruimtegebrek kan eventueel worden opgelost door de locatie van de Stapeloplossing te verschuiven langs het spoor, door het ontwerp zodanig aan te passen dat de totale lengte van de Stapeloplossing beperkt wordt, of door de tunnels voor de doorgaande treinen te verlengen, zodat er meer gelijkvloerse kruisingen in de stopsporen (op maaiveld) gerealiseerd kunnen worden. Ruimtegebrek in de breedterichting kan door sloop van bebouwing die de beschikbare ruimte beperkt worden opgelost. Belangrijk is dat bovenstaande eisen bij het toetsen van een locatie op de toepasbaarheid van de Stapeloplossing niet alleen voor de Stapeloplossing gecheckt worden. Ook voor andere uitbreidingsvarianten (tunnel, maaiveld, eventueel verhoogd) dient die check plaats te vinden omdat daarmee een goede vergelijking gemaakt kan worden. Vergelijking 4 sporen op maaiveld - 4-sporige tunnel - Stapeloplossing Om te kunnen toetsen of de Stapeloplossing inderdaad een reëel alternatief is, is een case gedaan. Als casus is Vleuten gekozen, een kern langs de spoorlijn Woerden - Utrecht. Voor deze locatie is bepaald hoe een uitbreiding van 2 naar 4 sporen op maaiveld, een uitbreiding tot een 4-sporige tunnel en een uitbreiding tot de Stapeloplossing eruit zien. Deze varianten zijn op verschillende aspecten vergeleken. Op het gebied van aanlegkosten blijkt de verhouding maaiveld - Stapeloplossing - tunnel ongeveer gelijk te zijn aan 1 ; 2 : 3. Op het gebied van hinder (geluid, trilling en visueel) scoort de 4-sporige tunnel het best, gevolgd door de Stapeloplossing. De 4 sporen op maaiveld scoren beduidend slechter. De sociale veiligheid voor reizigers is in de 4-sporige tunnel het slechtst. De ondergrondse ligging van het stoptreinstation is daarvan de oorzaak: er is een zeer beperkte toezicht vanuit de omgeving mogelijk. De maaivelduitbreiding en de Stapeloplossing scoren relatief gunstig. Doordat i n de Stapeloplossing gelijkvloerse kruisingen boven de tunnel gehandhaafd kunnen blijven (die worden alleen nog door stoptreinen gekruist) scoort de Stapeloplossing net als de 4-sporige tunnel gunstig op het gebied van dwarsrelaties. De maaivelduitbreiding daarentegen scoort slecht omdat kruisingen ongelijkvloers dienen te worden gemaakt. De totale breedte van de Stapeloplossing (maximaal 29 meter) is kleiner dan die van de 4- sporige tunnel, en iets groter dan die van de 4 sporen op maaiveld. Op het gebied van ruimtebeslag liggen de scores van de verschillende uitbreidingsvarianten dicht bij elkaar. Op het gebied van uitvoering scoren de Stapeloplossing en de 4-sporige tunnel wat uitvoeringstijd betreft ongunstig. De aanleg van de tunneldelen kost veel t i j d . Echter, wat uitvoerbaarheid betreft scoren de Stapeloplossing en de 4-sporige tunnel gunstig. De aanleg van ongelijkvloerse kruisingen voor kruisend verkeer (die bij een uitbreiding op maaiveld noodzakelijk zijn) kan zeker in een bebouwde omgeving veel problemen opleveren. Uit de vergelijking is gebleken dat de Stapeloplossing een interessant alternatief kan zijn hij een spooruitbreiding van 2 naar 4 sporen in een bebouwde omgeving. Quick Scan Tenslotte zijn de voorwaarden waaraan een locatie moet voldoen om toepassing van de Stapeloplossing mogelijk te maken verwerkt i n een stappenschema (Quick Scan). Na het doorlopen ervan geeft deze Quick Scan globaal aan of de Stapeloplossing op een bepaalde locatie wel o f niet interessant kan zijn. De Quick Scan is op een aantal locaties toegepast. Hieruit bleek dat de Stapeloplossing in Rijswijk (waar inmiddels een tunnel ligt) en Houten mogelijk kan zijn, en dat deze in Culemborg en Best niet interessant lijken. Ook Utrecht Lunetten en Geldermalsen lijken voor de toepassing van de Stapeloplossing niet geschikt. Conclusie Uiteindelijk kan worden geconcludeerd dat de Stapeloplossing met twee sporen op maaiveld (voor stoptreinen) en twee ondergronds (voor doorgaande treinen) in een bebouwde omgeving zeker reëel en interessant kan zijn, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. In de planvormingsfase van spooruitbreidingsprojecten mag deze uitbreidingsvariant dan ook niet zonder meer worden gepasseerd.Transport & PlanningCivil Engineering and Geoscience

    The essence of insect metamorphosis and aging: Electrical rewiring of cells driven by the principles of juvenile hormone-dependent Ca2+ homeostasis

    No full text
    In holometabolous insects the fall to zero of the titer of Juvenile Hormone ends its still poorly understood "status quo" mode of action in larvae. Concurrently it initiates metamorphosis of which the programmed cell death of all internal tissues that actively secrete proteins, such as the fat body, midgut, salivary glands, prothoracic glands, etc. is the most drastic aspect. These tissues have a very well developed rough endoplasmic reticulum, a known storage site of intracellular Ca(2+). A persistent high [Ca(2+)]i is toxic, lethal and causal to apoptosis. Metamorphosis becomes a logical phenomenon if analyzed from: (1) the causal link between calcium toxicity and apoptosis; (2) the largely overlooked fact that at least some isoforms of Ca(2+)-ATPases have a binding site for farnesol-like endogenous sesquiterpenoids (FRS). The Ca(2+)-ATPase blocker thapsigargin, like JH a sesquiterpenoid derivative, illustrates how absence of JH might work. The Ca(2+)-homeostasis system is concurrently extremely well conserved in evolution and highly variable, enabling tissue-, developmental-, and species specificity. As long as JH succeeds in keeping [Ca(2+)]i low by keeping the Ca(2+)-ATPases pumping, it acts as "the status quo" hormone. When it disappears, its various inhibitory effects are lifted. The electrical wiring system of cells, in particular in the regenerating tissues, is subject to change during metamorphosis. The possibility is discussed that in vertebrates an endogenous farnesol-like sesquiterpenoid, probably farnesol itself, acts as a functional, but hitherto completely overlooked Juvenile anti-aging "Inbrome", a novel concept in signaling.sponsorship: Thanks to the colleagues who provided relevant information concerning the apoptosis-calcium link, in particular to Prof. Sten Orrenius and colleagues for giving permission to use Fig. 3 that they designed. Also thanks to Marijke Christiaens for help with the illustrations. W. De Haes is supported by a Grant from the Fund for Scientific Research-Flanders (G.04371.0N). T. Janssen is postdoctoral researcher supported by the FWO Flanders. (Fund for Scientific Research Flanders|G.04371.0N, FWO Flanders)status: Publishe

    Genetische modulatie van gezondheidsduur in het C. elegans model organisme

    No full text
    status: Publishe

    Een pil op je dertigste, en je blijft jong op je tachtigste

    No full text
    status: Publishe
    corecore