9,787 research outputs found

    Nieuwe Langendijk Delft: Bouwhistorisch en archeologisch onderzoek van de panden 22 t/m 28, deel I, beschrijving van de onderzoeksresultaten

    No full text
    Het voor u liggende in drie deeltjes gebundelde pak papier is het verslag van een bouwhistorisch en archeologisch onderzoeK op de locatie Nieuwe Langendijk 22 t/m 28 - Trompetstraat 31 te Delft. Het onderzochte terrein is eigendom van de Delftse Katholieke Stichting voor Bejaardenzorg (DKSB). Het veldwerk van het onderzoek betrof de periode 10 februari t/m 6 augustus 1982, met uitzondering van de eerste weken van juliArchitectureArchitectur

    Optimalisatie van baggerwerkzaamheden op de Midden-Waal

    No full text
    De Waal is de meest bevaren rivier van Europa, jaarlijks wordt er zo'n 150 miljoen ton vracht over getransporteerd. Dit zal de komende 10 jaar met 40% toe nemen. Rijkswaterstaat heeft om de bevaarbaarheid en veiligheid te kunnen blijven waarborgen het Waalproject opgezet. Hoofddoelstelling van dit project is het vergroten van de vaargeul bij OLR (Overeengekomen Lage Rijnafvoer). Voor de Waal is OLR gelijk aan 777 m3/s en zijn de afmetingen van de vaargeul 2,50 m diep en 150 m breed. Voor de nieuwe eisen geldt een diepte van 2,80 m en een breedte van 170 m. Om aan deze eisen te voldoen is voor de Midden-Waal (tussen Nijmegen en Tiel) besloten om alle knelpunten weg te baggeren. Hierbij wordt het gebaggerde zand in diepere delen van de rivier teruggestort. Uit vooronderzoek is gebleken dat deze baggerwerkzaamheden kunnen worden geoptimaliseerd. Dit door gebruik te maken van de natuurlijke morfologische reactie van de rivier op ingrepen in het dwarsprofiel. Met name het nivelleren van bochten, waarbij zand vanuit de ondiepe binnenbocht in de diepe buitenbocht wordt gestort, en opeenvolgende zandvangen zijn veelbelovend. Het doel van dit onderzoek is een analyse van de mogelijkheden om de baggerhoeveelheden te minimaliseren via dergelijke ingrepen in het dwarsprofiel. De morfologische reacties op ingrepen zijn met Sobek-Sedredge berekend. Dit rekenpakket simuleert in een quasi twee-dimensionale omgeving de sedimentbeweging en morfologie in rivieren. Doordat niet eerder met dit pakket was gewerkt is veel tijd besteed aan het opzetten van het model. De optimalisatie van het nivelleren is gedaan door te varieren met de mate van nivellering, de lengte waarover de ingreep plaatsvindt en het tijdsinterval tussen onderhoudsbaggerwerkzaamheden. De resultaten van deze berekeningen zijn vergeleken met de door Rijkswaterstaat geplande werkzaamheden. Bij deze werkzaamheden wordt elk knelpunt weggebaggerd en wordt het vrijgekomen zand in diepe gedeeltes van de rivier teruggestort. Uit deze vergelijking bleek dat de jaarlijkse onderhoudsbaggerwerkzaamheden bij bochtnivellering groter zijn dan bij de huidige aanpak van knelpunten. Eveneens bleek dat door het snelle uitdempen van de morfologische reactie de breedte en diepte winst te gering te zijn om veel knelpunten op te lossen. Bij de berekeningen met zandvangen kon door beperkingen van het rekenmodel alleen worden gekeken naar de gevolgen van een enkele zandvang in plaats van opeenvolgende zandvangen. Hierbij bleek dat de morfologische reactie geYnduceerd door een zandvang snel uitdempt en dat onderhoudsbaggerwerkzaamheden groter zijn dan de geplande werkzaamheden. De hoofdconclusie van dit onderzoek is dat het onderzochte gebruik van de morfologische reactie op ingrepen in het dwarsprofiel om de baggervolumina te minimaliseren geen voordelen oplevert.Sectioin Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    The performance of landscape concepts in spatial planning : branding, bonding and bringing about

    No full text
    Spatial planners are expressive people. They often use landscape concepts, being metaphors that refer to landscape ideas and planning principles. Examples are Green Heart, Nature Pearls and the Camelisation of landscapes. Such landscape concepts seem ‘innocent’ but are ‘guilty’ of powerful effects. The power of a landscape concept is rooted in its colourful, rhetorical and multiple nature, in combination with the drives and political practice of its users. Accordingly, the first part of this study provides a theoretical or philosophical reflection on the use of landscape concepts in spatial planning, including views of Foucault, Deleuze and Latour. The effect of a landscape concept can be subtle and unexpected. For example, media indirectly couple assumptions about 'good planning' to the concept of National Landscape, i.e. the limited ideal of open landscapes. Using a concept also provides opportunities: it can be used for bonding people and promoting landscapes. For example, the concept Waterpark in a vision for the Dutch IJmeer region was a flexible and informal concept. This allowed the organisations involved to identify with the concept and bundle interests, although it was a temporarily success. The second part of this study provides more insight into Dutch regional planning practice and the use of landscape concepts. Finally, this study discusses the benefit of a 'will to connect' by planners in contrast to a 'will to control'

    Morfologische analyse van het Sluftergebied

    No full text
    In dit rapport is een onderzoek uitgevoerd naar de morfologische ontwikkeling van het gebied rond de Slufter. De Slufter is een depot voor de berging van verontreinigde baggerspecie uit het benedenrivierengebied en is gesitueerd voor de kust van de Maasvlakte. In de Projectnota/MER (1985) van het Slufterproject zijn voorspellingen gedaan over de te verwachten hoeveelheden erosie en aanzanding van de Slufterdam. Het Waterloopkundig Laboratorium heeft in 1992 de ontwikkeling van de Slufterdam over de periode 1988 tim 1991 beschreven. Het eerste deel van het onderzoek richt zich op de jaarlijkse hoogte- en dieptemetingen van de Slufterdam. Met deze metingen worden voor de jaren 1988 t/m 1994 kuberingen uitgevoerd. Vervolgens is er met deze kuberingen een lineaire trendanalyse uitgevoerd om de ontwikkeling van de Slufterdam goed te kunnen beschrijven. Er zijn vergelijkingen gemaakt met de voorspelling van de projectnota/MER en de kuberingen van het Waterloopkundig Laboratorium. Ook zijn de lodingskaarten (1986 t/m 1994) van het gebied bestudeerd. Het tweede deel omvat een studie met het morfodynamische programma DELFT3D. Hiermee wordt geprobeerd de sedimenttransportpatronen van het mondingsgebied van het Haringvliet in kaart te brengen. Voor een aantal golfcondities wordt het getijgemiddelde sedimenttransport berekend. Hieruit wordt vervolgens het jaar- en getijgemiddelde transport bepaald. Uit de uitgevoerde kuberingen blijkt dat er in werkelijkheid twee keer zoveel erosie bij de Slufterdam optreedt als in de projectnota/MER is voorspeld. De door het Waterloopkundig Laboratorium uitgevoerde kuberingen blijken niet nauwkeurig te zijn uitgevoerd, waardoor er destijds een verkeerd beeld van de situatie is geschetst. Het mondingsgebied van het Haringvliet blijkt nog steeds volop in beweging te zijn. De Hinderplaat en het Hindergat hebben in de periode 1988 t/m 1994 een behoorlijke verplaatsing ondergaan. Voor een gedetailleerde beschrijving van het sedimenttransportpatroon in het mondingsgebied van het Haringvliet blijkt het binnen DELFT3D gebruikte RijMaMo-grid te grof te zijn. Lokale processen en het zandtransport rond de Slufterdam kunnen daarom niet goed in kaart worden gebracht. Het lokaal verfijnen van het model-grid is dan ook een van de aanbevelingen.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    Tijdelijk transformeren

    No full text
    Het lijkt niet logisch: eerst een leeg kantoorpand of ander bouwwerk verbouwen om het geschikt te maken voor een andere functie, om het na een aantal jaren weer terug te verbouwen naar de oorspronkelijke functie. Toch kan het een interessante optie zijn voor (naar verwachting) langdurig leegstaande panden. Bijvoorbeeld als de kantorenmarkt een tijdelijke dip vertoont en naar verwachting over enkele jaren weer aantrekt. Of wanneer een kantorenpark op de schop wordt genomen en gebouwen enkele jaren leeg staan, in afwachting van een grondige renovatie. Tijdelijke bewoning kan dan veelvoorkomende ellende zoals kraken, verpaupering en vandalisme voorkomen. Inkomsten uit tijdelijke verhuur kan de huurderving door leegstand voor een deel compenseren. Een andere situatie waarin tijdelijk transformeren zinvol kan zijn, is herbestemming in afwachting van sloop. Nederland kent hiervan diverse voorbeelden. Verschillende organisaties hebben zich gespecialiseerd in tijdelijk wonen. De meeste hiervan richten zich op antikraak: met minimale voorzieningen wordt het voor een beperkt aantal personen (zonder gebruiksvergunning) mogelijk om te wonen. Voorbeelden van organisaties die een vrijkomend pand volledig benutten en volgens de wettelijke regels aanpakken, zijn Bureau Magnus (voorheen Stichting Tijdelijke Huisvesting Utrecht), dat landelijk actief is, en de Stichting Tijdelijk Wonen (STW) in Utrecht. Het zal duidelijk zijn dat tijdelijke transformatie beperkingen oplegt aan de investeringsruimte en niet voor iedere doelgroep geschikt is. In dit hoofdstuk beschrijven we enkele ervaringen met tijdelijk transformeren.Accepted manuscriptReal Estate Managemen

    Amerika op weg naar een toegankelijke samenleving: Een kwestie van beschaving...

    No full text
    Verslag van een studiereis naar de opzet en implementatie van de Americans with Disabilities Act (ADA) . 14 t/m 22 november 199

    Verslag van de stormvloed van 18 t/m 21 maart 2007

    No full text
    Een combinatie van westerstorm boven de Noordzee en springtij veroorzaakte hoge waterstanden langs de Nederlandse kust. De Stormvloedwaarschuwingsdienst (SVSD) heeft (voor)waarschuwingen gegeven voor de sectoren Schelde, West Holland, Den Helder, Harlingen en Delfzijl. Deze stormvloed is geclassificeerd als een lage stormvloed. Tijdens de passage van de stormvloed is de stormvloedkering in de Hollandsche IJssel gedurende twee getijden gesloten geweest. De lage stormvloed van 18 t/m 21 maart was, gezien in het licht van de opgetreden waterstanden, niet zo uitzonderlijk. In het noordelijke kustgebied zijn waterstanden opgetreden die gemiddeld 27 tot 24 maal per 100 jaar voorkomen. Opmerkelijk is dat tijdens het stormseizoen 2006 / 2007 zowel bij Den Helder als bij Harlingen 4 maal het grenspeil werd overschreden. Sinds de afsluiting van de Zuiderzee in 1932 is het nog niet eerder voorgekomen dat bij die stations in één stormseizoen 4 maal het grenspeil werd overschreden. Het waarschuwingsbureau van de SVSD is geopend geweest van zaterdag 18 maart 23h00 t/m maandag 20 maart 1h00 en van dinsdag 20 maart 5h00 t/m 15h45

    Rapportage veldmetingen Westerschelde september 1997 t/m december 2002

    No full text
    In de Westerschelde worden op verscheidene locaties golf-, waterstand- en windmetingen uitgevoerd. De golfmetingen hebben onder andere als doel om numerieke golfmodellen te kunnen valideren. Numerieke golfmodellen zoals bijvoorbeeld SWAN worden ingezet om golfrandvoorwaarden te bepalen die nodig zijn bij het ontwerp en onderhoud van de zeedijken. Tot op heden ontbreekt een goed overdraagbare rapportage van de uitgevoerde veldmetingen van de periode 1997 t/m december 2002 op de Westerschelde. De metingen zijn wel gearchiveerd, maar niet gedocumenteerd. Het doel van dit rapport is het inzichtelijk maken van de uitgevoerde metingen en tevens het beschrijven van de data, zodat deze overdraagbaar is en ter beschikking gesteld kunnen worden door Rijkswaterstaat. De rapportage zal duidelijk maken welke metingen op welke locatie gedurende welke periode beschikbaar zijn. De complete set gegevens kan worden gebruikt voor de validatie van golfberekeningen voor projectbureau Zeeweringen. De conclusies met betrekking tot de golfmetingen zijn: \u95 De golfmetingen bevatten - van de geselecteerde parameters (zie paragraaf 3.1) - Hm0, HE10, Tm02 en Tm-1,0. Alleen station CDD heeft gedurende de hele periode ook golfrichting en golfspreiding gemeten. Deurloo bevat alleen van het jaar 2000 golfrichtingen. \u95 De registratiedichtheid van de golfmetingen ligt over het algemeen rond de 85\u9695%. Stations die bij laag water droogvallen registreren circa 40-60%. \u95 De grootste golfhoogte Hm0 is bij Schouwenbank gemeten, en bedraagt 5.8 m. Dit was tijdens de oktoberstorm van 2002. \u95 De meetlocaties van het project 'Dijkbekleding' (Cadzand, Hoofdplaat, Hansweert, Bath) bestaan uit paren, waarvan één station dieper en één station ondieper ligt. In de meeste gevallen zijn de golven op de ondiepe locatie lager. Uitzondering hierop is Cadzand. \u95 De deining is vrij laag en neemt af naarmate de meetlocatie oosterlijker op de Westerschelde is gelegen. \u95 Hoe oostelijker op de Westerschelde hoe lager de golfhoogte Hm0 en golfperioden Tm02 en Tm-1,0 . \u95 De reeksen van Tm-1,0 bevatten onrealistische uitschieters. Nadere validatie is nodig om tot een betrouwbare dataset te komen. De conclusies met betrekking tot de waterstandmetingen zijn: \u95 De registratiedichtheden zijn vrijwel 100%. Alleen bij de waterstandmeetlocatie Brouwershavense Gat 2 is hierop een uitzondering, daar vertonen de waterstandmetingen van de jaren 1997 t/m 2000 enige hiaten. De jaren 2001 t/m 2002 zijn weer volledig gemeten. \u95 De hoogste en laagste waterstand wordt gemeten op de locatie Bath (BAT)en bedragen respectievelijk 4,19 meter t.o.v. NAP en \u963.23 meter t.o.v. NAP. \u95 De getijslag is op de zeelocaties kleiner dan op de Westerschelde (zie tabel 4.2). \u95 De registratie van de Vlakte van de Raan bevat enkele onrealistische waarden (zie paragraaf 4.3). \u95 Hoe verder stroomopwaarts op de Westerschelde hoe hoger de maximale waterstand en de maximale rechte opzet van de waterstand. Dit komt door \u93 het bekken effect\u94 . \u95 Op de meest oostelijk gelegen meetlocatie (BAT) is de rechte opzet van de waterstand gemiddeld 9 uur per jaar lager dan \u960.9 m en gemiddeld negen uur per jaar hoger dan 1.6 m. \u95 Op de meest op zee gelegen meetlocatie (BG2) is de rechte opzet van de waterstand gemiddeld 9 uur per jaar lager dan \u960.7 m en gemiddeld negen uur per jaar hoger dan 1.1 m. De conclusies met betrekking tot de windmetingen zijn: \u95 De registratiedichtheid van de windmetingen is vrijwel 100%. \u95 Op alle locaties komen in de winddatasets op dezelfde momenten dummy waarden voor (zie paragraaf 5.2), hiervoor is geen verklaring beschikbaar. \u95 De grootste windsnelheid is gemeten bij Vlakte van de Raan, bedraagt 27.3 m/s en vond plaats op 27 oktober 2002 om 10:00, wat dus valt in de oktober storm. \u95 Op zee zijn de windsnelheden hoger dan op de Westerschelde. Verschillen, bijvoorbeeld bij een overschrijdingskans van 0.1%, zijn ca 2 m/s. \u95 De helft van de tijd is de windsnelheid boven de 7.5 m/s \u95 De hoge maxima van de windsnelheden bij de meetlocaties HFP en BG2 zijn onrealistisch (zie paragraaf 5.3). Het betreft waarschijnlijk meetfouten. \u95 Voor de Vlakte van de Raan geldt dat gedurende 40% van de meetperiode de wind uit de richtingen Z-ZW en ZW-W komt. De hoogste windsnelheden zijn ook uit deze richtingen. De conclusies met betrekking tot de bodemlodingen zijn: \u95 Hoewel sterke erosie/sedimentatie optreedt in de geulen (plaatselijk meer dan 1m/jaar) is de relatieve dieptevariatie in de geulen gering, waardoor de invloed van de bodemvariatie in de geulen op het golfveld gering zal zijn. \u95 Geringe erosie/sedimentatie (enkele decimeters/jaar) kan op het ondiepe voorland een grote invloed hebben op de relatieve diepte verandering en daarmee op de het golfveld op het voorland. \u95 De bodemvariaties zijn sterk plaats- en tijdsafhankelijk. Voor de interpretatie van de variaties is onder andere een goed beeld van de stroming en de baggeractiviteiten noodzakelijk. \u95 Om inzicht te krijgen in de invloed van de jaarlijkse bodemvariatie op het golfveld dienen SWAN-simulaties met verschillende bodemtopografieën uitgevoerd te worden

    Gedrag van vloeibare sliblagen op een hellende bodem

    No full text
    Om de stroom van slib in water te bestuderen, werden verschillende proeven In het Laboratorium voor Vloeistof mechanica van de TU Delft uitgevoerd. De gebruikte vloeistof (een mengsel van kaoliniet en water) gekenmerkt door een rheologische non-Newtoniaan gedrag, zoals een Binghams vloeistof, stroomt op een bodem die een kleine helling vertoont. De gebruikte dichtheden voor de vloeistof variëren tussen 1050 en 1230 kg/m'. Bij elke opstelling werd In drie secties opgemeten: twee secties om het gedrag van het lichaam van de stroom te bestuderen, en de laatste, om het gedrag van de kop te analyseren. De resultaten werden vergeleken met bestaande theorieën die een gelijkaardig verschijnsel behandelen. We hebben gemerkt dat de waarde van de 'entrainment' coëfficiënt (Ew) overeenstemt met de theorie van Garcia. Voor de 'drag' coëfficiënt, werden, voor turbulente stromen, interessante resultaten gevonden, maar niet voor laminaire stromen. In verband met de kop van de stroom konden twee theoretische relaties geverifieerd worden.vloeistofmechanicaHydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
    corecore