235 research outputs found
Modeling HIV/AIDS and Visceral Leishmaniasis Treatment Outcomes in Northwest Ethiopia
De opkomst van HIV tijdens de laatste drie decennia is een van de grootste uitdagingen
waarmee de wereld wordt geconfronteerd. De ziekte is voorlopig ongeneesbaar maar de
invoering van Antiretroviral Therapy (ART) maakt van het virus een controleerbare
chronische ziekte. Indien er reeds een besmetting is van het HIV virus, is een coinfectie met andere ziekten een extra zware last. Zo is Visceral leishmaniasis (VL) een
endemische en mogelijk levensbedreigend ziekte. Een derde van alle HIV patinten leeft
in regios waar leishmaniasis endemisch is en een co-infectie van VL-HIV verspreidt zich
doorheen deze regios. In deze dissertatie, beoogden we het resultaat van behandelde
genfecteerde HIV and co-genfecteerde V-HIVL patinten in Noordwest Ethiopi in kaart
te brengen.
De hoofdzakelijke doelen van ART op korte termijn zijn de HIV gerelateerde
ziekte- en sterftecijfers reduceren, de overlevingskansen verhogen, de levenskwaliteit
verbeteren, het herstellen en het behouden van het immunologisch functioneren en
het voorkomen van HIV-transmissie. De uitkomsten van ART op lange termijn zijn
anders. Daarom werd een nieuw variabele gedefinieerd met de volgende categorien:
een vervangend geneesmiddel werd toegediend, de patint wordt niet meer opgevolgd,
stopzetting van de behandeling en sterfte. Er was geen significant verschil in het risico
van deze samengestelde variabele tussen patinten die een behandeling begonnen met
EFV of NVP ART na aanpassing van de nul status. De selectie van een juiste behandeling wordt vaak benvloed door de karakteristieken van de patint. Hierbij is
vooringenomenheid voor een bepaalde behandeling een groot probleem indien we de
effect van een behandeling willen bestuderen in observatie studies. Een geneigdheidsscore werd opgesteld voor elke behandeling om zo de selectiebias te reduceren.
Gelijkaardige resultaten werden gevonden.
Een significant verschil werd geobserveerd in het risico tussen patinten gestart met een TDF behandeling die ART bevat and patinten die startte met AZT na het
controleren voor NNRTI medicijnen. Het risico voor TDF gecombineerd met NVP is
in vergelijking met AZT twee keer zo hoog. De studie toonde ook dat er een verhoogd
risico was voor patinten gestart met d4t in vergelijking met AZT. Het risico was niet
significant verschillend voor d4t en de NNRTI medicijnen waarbij werd aangenomen
dat niet meer gevolgde patinten gecenseerd werden. Dit toonde aan dat het verschil
in risico tussen d4t en AZT werd veroorzaakt door de verloren opgevolgde patinten.
Patinten wiens behandeling startte met d4t hadden twee keer het risico niet opgevolgd
te worden in vergelijking met zij die begonnen met AZT. Een mogelijke verklaring
zijn de onomkeerbare bijwerkingen van d4t op lange termijn.
De effecten van de behandeling op de CD4 aantallen variren over tijd en er wordt
aangenomen dat herhaalde metingen van eenzelfde patint geassocieerd zijn. De data
toont een niet lineaire trend en het opleggen van een parametrische functie voor de
gemiddelde evolutie kan ongewenste resultaten opleveren. We namen patint specifieke
random parameters aan voor zowel het lineaire en kwadratische tijdseffect om zo de
verschillende evoluties van het CD4 aantal over de tijd te modelleren. De eerste
afgeleide plot toont dat de snelheid van de CD4 stijging als reactie op de behandeling
hoog is gedurende de eerste 10 maanden en stabiliseert na een jaar. Het resultaat
onthulde ook dat er op lange termijn geen verschil was in de trend van de CD4
aantallen tussen patinten met een EVF of NVP behandeling.
Een flexibele parametrisch benadering werd gebruikt voor de vroege predictie van
CD4 aantallen voor een specifieke behandeling en om de nodige tijd te schatten dat
het CD4 aantal een bepaalde drempelwaarde zal overschrijden. We pasten een cross
validatie toe om de prestatie van een fractioneel polynomiaal gemengd model te evalueren in voorspellingsnauwkeurigheid. Het model wordt vervolgens gebruikt om de
verwachtte tijd te voorspellen die nodig is om de CD4 drempelwaarde te overschrijden
na het opstarten van ART. Zo kan de verdeling van de tijd nodig om de vooropgestelde
CD4 drempelwaarde worden opgesteld en kan deze verdeling worden gebruikt om behandelingen te vergelijken.
Vervolgens wordt de kans om een voldoende hoog CD4 aantal te bereiken voorspeld
voor elk individu. Meer dan de helft van de patinten met een ART behandeling en
CD4 aantallen minder dan 200 cells/mm3
overstijgen de drempelwaarde binnen zes
maanden na het opstarten van de behandeling. De tijd nodig om de drempel te
overschrijden is korter voor patinten met een NVP behandeling in vergelijking met
een EFV behandeling. Het verschil werd ook vergeleken gebruik makend van een logrank test door de tijd die het kost om de drempelwaarde te overschrijden te nemen
als de survival tijd. Het resultaat toonde aan dat de mediane tijd die het kost om de drempelwaarde van 200 CD4 cells/mm3 korter is voor patinten met een NVP dan met
een EFV behandeling. Een mogelijke reden is dat NVP wordt gebruikt voor patinten
met een laag CD4 aantal om de bijwerking van EFV te reduceren. Deze trend is
anders indien de behandeling begint met hogere CD4 aantallen. Dit kan mogelijk
veroorzaakt worden door de sterke natuur van de EFV behandeling.
De heropleving van VL in VL-HIV co-genfecteerde patinten is zeer hoog. Een
vroege detectie van herval kan worden gemaakt aan de hand van biomarkers. Dit
impliceert het testen van verschillende klinische, laboratorische en immunologische
opgevolgde variabelen voor het mogelijk gebruik als biomarker voor terugval. We
implementeerde een joint model voor longitudinale metingen, toegepast op het voorspellen van de tijd tot VL herval in VL-HIV co-genfecteerde patinten onder behandeling. Resultaten toonden aan dat sterke WBC en hemoglobine kunnen worden
gebruikt als een biomarker voor het voorspellen van een VL herval. De snelheid van
de verandering in hemoglobine niveaus werd een significante predictor bevonden voor
het voorkomen van een herval. Gelijkaardig kan het voorkomen van een herval kan
ook worden voorspeld door de huidige waarde van WBC.
De kansen op een terugval vrije overleving werden bepaald voor elk individu en dynamisch gepdatet door het toevoegen van bijkomstige informatie van de biomarker.
De kans op herval in latere opvolg periodes werden voorspeld aan de hand van de
metingen van de biomarkers gedurende 84 dagen. Hoe meer metingen van de biomarkers, hoe nauwkeuriger de kans kon worden voorspeld zoals aangetoond door het 95%
betrouwbaarheidsinterval. De voorspellende kracht van de hemoglobine marker is
groter dan deze van WBC. Dit is gebaseerd op de AUC waarden van voor herval.
Lagere waarden van hemoglobine heeft een hogere discriminerend vermogen tussen
patinten die een terugval zullen ondervinden en zij die terugval vrij zullen blijven.
Ter besluit, de lange termijn effecten van ART zijn vergelijkbaar in EFV en NVP
behandelingsgroepen. Een significant verschil werd geobserveerd voor de NNRTI
behandeling voor HIV patinten. Het maximum voordeel van ART wordt bereikt
gedurende de eerste 10 maanden na de opstart van de behandeling. Bij hogere CD4
aantallen, verbetert het CD4 aantal sneller met een EFV behandeling in vergelijking
met een NVP behandeling. Er is een sterke associatie tussen het risico van de eind
variabele en de snelheid van de verandering in het CD4 aantal. Een vroege voorspelling in de verandering van het CD4 aantal kan een argument zijn voor het type
behandeling. De kans op VL herval kan worden voorspeld door de verandering van
het hemoglobine niveau en de huidige waarde van de WBC aantallen. In het maken
van het onderscheid tussen patinten met een terugval en zij zonder terugval, heeft
hemoglobine meer kracht dan WBC. Een daling van 20% in hemoglobine kan een onderscheid maken met patinten die binnen 14 dagen een terugval zullen ondervinden
Modeling HIV/AIDS and Visceral Leishmaniasis Treatment Outcomes in Northwest Ethiopia
De opkomst van HIV tijdens de laatste drie decennia is een van de grootste uitdagingen
waarmee de wereld wordt geconfronteerd. De ziekte is voorlopig ongeneesbaar maar de
invoering van Antiretroviral Therapy (ART) maakt van het virus een controleerbare
chronische ziekte. Indien er reeds een besmetting is van het HIV virus, is een coinfectie met andere ziekten een extra zware last. Zo is Visceral leishmaniasis (VL) een
endemische en mogelijk levensbedreigend ziekte. Een derde van alle HIV patinten leeft
in regios waar leishmaniasis endemisch is en een co-infectie van VL-HIV verspreidt zich
doorheen deze regios. In deze dissertatie, beoogden we het resultaat van behandelde
genfecteerde HIV and co-genfecteerde V-HIVL patinten in Noordwest Ethiopi in kaart
te brengen.
De hoofdzakelijke doelen van ART op korte termijn zijn de HIV gerelateerde
ziekte- en sterftecijfers reduceren, de overlevingskansen verhogen, de levenskwaliteit
verbeteren, het herstellen en het behouden van het immunologisch functioneren en
het voorkomen van HIV-transmissie. De uitkomsten van ART op lange termijn zijn
anders. Daarom werd een nieuw variabele gedefinieerd met de volgende categorien:
een vervangend geneesmiddel werd toegediend, de patint wordt niet meer opgevolgd,
stopzetting van de behandeling en sterfte. Er was geen significant verschil in het risico
van deze samengestelde variabele tussen patinten die een behandeling begonnen met
EFV of NVP ART na aanpassing van de nul status. De selectie van een juiste behandeling wordt vaak benvloed door de karakteristieken van de patint. Hierbij is
vooringenomenheid voor een bepaalde behandeling een groot probleem indien we de
effect van een behandeling willen bestuderen in observatie studies. Een geneigdheidsscore werd opgesteld voor elke behandeling om zo de selectiebias te reduceren.
Gelijkaardige resultaten werden gevonden.
Een significant verschil werd geobserveerd in het risico tussen patinten gestart met een TDF behandeling die ART bevat and patinten die startte met AZT na het
controleren voor NNRTI medicijnen. Het risico voor TDF gecombineerd met NVP is
in vergelijking met AZT twee keer zo hoog. De studie toonde ook dat er een verhoogd
risico was voor patinten gestart met d4t in vergelijking met AZT. Het risico was niet
significant verschillend voor d4t en de NNRTI medicijnen waarbij werd aangenomen
dat niet meer gevolgde patinten gecenseerd werden. Dit toonde aan dat het verschil
in risico tussen d4t en AZT werd veroorzaakt door de verloren opgevolgde patinten.
Patinten wiens behandeling startte met d4t hadden twee keer het risico niet opgevolgd
te worden in vergelijking met zij die begonnen met AZT. Een mogelijke verklaring
zijn de onomkeerbare bijwerkingen van d4t op lange termijn.
De effecten van de behandeling op de CD4 aantallen variren over tijd en er wordt
aangenomen dat herhaalde metingen van eenzelfde patint geassocieerd zijn. De data
toont een niet lineaire trend en het opleggen van een parametrische functie voor de
gemiddelde evolutie kan ongewenste resultaten opleveren. We namen patint specifieke
random parameters aan voor zowel het lineaire en kwadratische tijdseffect om zo de
verschillende evoluties van het CD4 aantal over de tijd te modelleren. De eerste
afgeleide plot toont dat de snelheid van de CD4 stijging als reactie op de behandeling
hoog is gedurende de eerste 10 maanden en stabiliseert na een jaar. Het resultaat
onthulde ook dat er op lange termijn geen verschil was in de trend van de CD4
aantallen tussen patinten met een EVF of NVP behandeling.
Een flexibele parametrisch benadering werd gebruikt voor de vroege predictie van
CD4 aantallen voor een specifieke behandeling en om de nodige tijd te schatten dat
het CD4 aantal een bepaalde drempelwaarde zal overschrijden. We pasten een cross
validatie toe om de prestatie van een fractioneel polynomiaal gemengd model te evalueren in voorspellingsnauwkeurigheid. Het model wordt vervolgens gebruikt om de
verwachtte tijd te voorspellen die nodig is om de CD4 drempelwaarde te overschrijden
na het opstarten van ART. Zo kan de verdeling van de tijd nodig om de vooropgestelde
CD4 drempelwaarde worden opgesteld en kan deze verdeling worden gebruikt om behandelingen te vergelijken.
Vervolgens wordt de kans om een voldoende hoog CD4 aantal te bereiken voorspeld
voor elk individu. Meer dan de helft van de patinten met een ART behandeling en
CD4 aantallen minder dan 200 cells/mm3
overstijgen de drempelwaarde binnen zes
maanden na het opstarten van de behandeling. De tijd nodig om de drempel te
overschrijden is korter voor patinten met een NVP behandeling in vergelijking met
een EFV behandeling. Het verschil werd ook vergeleken gebruik makend van een logrank test door de tijd die het kost om de drempelwaarde te overschrijden te nemen
als de survival tijd. Het resultaat toonde aan dat de mediane tijd die het kost om de drempelwaarde van 200 CD4 cells/mm3 korter is voor patinten met een NVP dan met
een EFV behandeling. Een mogelijke reden is dat NVP wordt gebruikt voor patinten
met een laag CD4 aantal om de bijwerking van EFV te reduceren. Deze trend is
anders indien de behandeling begint met hogere CD4 aantallen. Dit kan mogelijk
veroorzaakt worden door de sterke natuur van de EFV behandeling.
De heropleving van VL in VL-HIV co-genfecteerde patinten is zeer hoog. Een
vroege detectie van herval kan worden gemaakt aan de hand van biomarkers. Dit
impliceert het testen van verschillende klinische, laboratorische en immunologische
opgevolgde variabelen voor het mogelijk gebruik als biomarker voor terugval. We
implementeerde een joint model voor longitudinale metingen, toegepast op het voorspellen van de tijd tot VL herval in VL-HIV co-genfecteerde patinten onder behandeling. Resultaten toonden aan dat sterke WBC en hemoglobine kunnen worden
gebruikt als een biomarker voor het voorspellen van een VL herval. De snelheid van
de verandering in hemoglobine niveaus werd een significante predictor bevonden voor
het voorkomen van een herval. Gelijkaardig kan het voorkomen van een herval kan
ook worden voorspeld door de huidige waarde van WBC.
De kansen op een terugval vrije overleving werden bepaald voor elk individu en dynamisch gepdatet door het toevoegen van bijkomstige informatie van de biomarker.
De kans op herval in latere opvolg periodes werden voorspeld aan de hand van de
metingen van de biomarkers gedurende 84 dagen. Hoe meer metingen van de biomarkers, hoe nauwkeuriger de kans kon worden voorspeld zoals aangetoond door het 95%
betrouwbaarheidsinterval. De voorspellende kracht van de hemoglobine marker is
groter dan deze van WBC. Dit is gebaseerd op de AUC waarden van voor herval.
Lagere waarden van hemoglobine heeft een hogere discriminerend vermogen tussen
patinten die een terugval zullen ondervinden en zij die terugval vrij zullen blijven.
Ter besluit, de lange termijn effecten van ART zijn vergelijkbaar in EFV en NVP
behandelingsgroepen. Een significant verschil werd geobserveerd voor de NNRTI
behandeling voor HIV patinten. Het maximum voordeel van ART wordt bereikt
gedurende de eerste 10 maanden na de opstart van de behandeling. Bij hogere CD4
aantallen, verbetert het CD4 aantal sneller met een EFV behandeling in vergelijking
met een NVP behandeling. Er is een sterke associatie tussen het risico van de eind
variabele en de snelheid van de verandering in het CD4 aantal. Een vroege voorspelling in de verandering van het CD4 aantal kan een argument zijn voor het type
behandeling. De kans op VL herval kan worden voorspeld door de verandering van
het hemoglobine niveau en de huidige waarde van de WBC aantallen. In het maken
van het onderscheid tussen patinten met een terugval en zij zonder terugval, heeft
hemoglobine meer kracht dan WBC. Een daling van 20% in hemoglobine kan een onderscheid maken met patinten die binnen 14 dagen een terugval zullen ondervinden
Choice of initial antiretroviral drugs and treatment outcomes among HIV-infected patients in sub-Saharan Africa: systematic review and meta-analysis of observational studies
Background: The effectiveness of antiretroviral therapy (ART) depends on the choice of regimens during initiation. Most evidences from developed countries indicated that there is difference between efavirenz (EFV) and nevirapine (NVP). However, the evidences are limited in resource poor countries particularly in Africa. Thus, this systematic review and meta-analysis was carried out to summarize reported long-term treatment outcomes among people on first line therapy in sub-Saharan Africa.Methods: Observational studies that reported odds ratio, relative risk, hazard ratio, or standardized incidence ratio to compare risk of treatment failure among HIV/AIDS patients who initiated ART with EFV versus NVP were systematically searched. Searches were conducted using the MEDLINE database within PubMed, Google Scholar, HINARI, and Research Gates between 2007 and 2016. Information was extracted using standardized form. Pooled risk ratios (RR) and 95% confidence intervals (CI) were calculated using random-effect, generic inverse variance method.Result: A total of 6394 articles were identified, of which, 29 were eligible for review and abstraction in sub-Saharan Africa. Seventeen articles were used for the meta-analysis. Of a total of 121,092 independent study participants, 76,719 (63.36%) were females. Of these, 40,480 (33.43%) initiated with NVP containing regimen. Two studies did not report the median CD4 cell counts at initiation. Patients who have low CD4 cell counts initiated with EFV containing regimen. The pooled effect size indicated that treatment failure was reduced by 15%, 0.85 (95% CI: 0.75-0.98), and non-nucleoside reverse transcriptase inhibitor (NNRTI) switch was reduced by 43%, 0.57 (95% CI: 0.37-0.89).Conclusion: The risk of treatment failure and NNRTI switch were lower in patients who initiated with EFV than NVP-containing regimen. The review suggests that initiation of patients with EFV-containing regimen will reduce treatment failure and NNRTI switch.Funding
No funding was obtained for this study.
Acknowledgements
The authors would like to acknowledge University of Gondar, College of Medicine and Health Sciences for the opportunity given to conduct this review
Modeling Outcomes of First-Line Antiretroviral Therapy and Rate of CD4 Counts Change among a Cohort of HIV/AIDS Patients in Ethiopia: A Retrospective Cohort Study.
BackgroundAntiretroviral therapy has shown to be effective in reducing morbidity and mortality in patients infected with HIV for the past couples of decades. However, there remains a need to better understand the characteristics of long-term treatment outcomes in resource poor settings. The main aim of this study was to determine and compare the long-term response of patients on nevirapine and efavirenz based first line antiretroviral therapy regimen in Ethiopia.MethodsHospital based retrospective cohort study was conducted from January 2009 to December 2013 at University hospital located in Northwest Ethiopia. Human subject research approval for this study was received from University of Gondar Research Ethics Committee and the medical director of the hospital. Cox-proportional hazards model was used to assess the effect of baseline covariates on composite outcome and a semi-parametric mixed effect model was used to investigate CD4 counts response to treatments.ResultsA total of 2386 HIV/AIDS naive patients were included in this study. Nearly one-in-four patients experienced the events, of which death, lost to follow up, treatment substitution and discontinuation of Non-Nucleoside Reverse Transcriptase Inhibitors(NNRTI) accounted: 99 (26.8%), 122 (33.0%), 137 (37.0%) and 12 (3.2%), respectively. The hazard of composite outcome on nevirapine compared with efavirenz was 1.02(95%CI: 0.52-1.99) with p-value = 0.96. Similarly, the hazard of composite outcome on tenofovir and stavudine compared with zidovudine were 1.87 (95%CI: 1.52-2.32), p-value ConclusionsThis study revealed that treatment responses were comparable whether nevirapine or efavirenz was chosen to initiate antiretroviral therapy for HIV/AIDS patients in Ethiopia. There was significant difference on risk of composite outcome between patients who were initiated with Tenofovir containing ART regimen compared with zidovudine after controlling for NNRTI drug combinations
Insecticide-treated net ownership and utilization and factors that influence their use in Itang, Gambella region, Ethiopia: cross-sectional study
Aklilu Habte Watiro,1 Worku Awoke,2 1Médecins Sans Frontières OCA (MSF Holland) Ethiopia Mission, Addis Ababa, 2Department of Epidemiology, School of Public Health, College of Medicine and Health Sciences, Bahir Dar University, Bahir Dar, Ethiopia Background: Malaria remains a major public health problem in Ethiopia. Consequently, Ethiopia designed the 2011–2015, Malaria Prevention and Control Strategic Plan to fight the vector. It was discovered that most of the studies conducted on the use of insecticide-treated nets (ITNs) were not in line with the strategic plan of the country. This study aimed to assess ITN ownership and utilization, and includes barriers related to its use among the target-area population at household (HH) level. Materials and methods: A cross-sectional design was employed in Itang for this study. Data were collected by trained nurses through face-to-face interview and observation. A total of 845 participants were selected through multistage sampling, and the size was determined by using a single-population proportion formula. EPI Info and SPSS was used for analysis, and all necessary statistical association was computed in order to explain the outcome variable through explanatory variables of this study. Results: Among 845 HHs interviewed, 81.7% (690) had at least one ITN, while 52.3% (361) had used the ITN the night preceding the data-collection day. HH awareness of malaria prevention, number of ITNs, family size, number of family members sharing sleeping area/beds, sleeping patterns of adolescents, HH-head age, and inconvenience of using ITNs were found to be barriers to the use of ITNs in this study. Conclusion and recommendation: The study concluded that very few HHs owned ITNs and there was very low usage of ITNs. In recommendation, the regional health bureau and district health office should consider bigger nets that can accommodate family members who share the same sleeping area/bed in the area. Keywords: consistent use, household, insecticide-treated nets, Itang, ownership, utilizatio
Birth Preparedness and Complication Readiness and Associated Factors among Pregnant Women in Basoliben District, Amhara Regional State, Northwest Ethiopia, 2013
A cross sectional study: latrine coverage and associated factors among rural communities in the District of Bahir Dar Zuria, Ethiopia
Modeling outcomes of first-line antiretroviral therapy and rate of CD4 counts change among a cohort of HIV/AIDS patients in Ethiopia: a retrospective cohort study
Antiretroviral therapy has shown to be effective in reducing morbidity and mortality in patients infected with HIV for the past couples of decades. However, there remains a need to better understand the characteristics of long-term treatment outcomes in resource poor settings. The main aim of this study was to determine and compare the long-term response of patients on nevirapine and efavirenz based first line antiretroviral therapy regimen in Ethiopia. Hospital based retrospective cohort study was conducted from January 2009 to December 2013 at University hospital located in Northwest Ethiopia. Human subject research approval for this study was received from University of Gondar Research Ethics Committee and the medical director of the hospital. Cox-proportional hazards model was used to assess the effect of baseline covariates on composite outcome and a semi-parametric mixed effect model was used to investigate CD4 counts response to treatments. A total of 2386 HIV/AIDS naive patients were included in this study. Nearly one-in-four patients experienced the events, of which death, lost to follow up, treatment substitution and discontinuation of Non-Nucleoside Reverse Transcriptase Inhibitors(NNRTI) accounted: 99 (26.8%), 122 (33.0%), 137 (37.0%) and 12 (3.2%), respectively. The hazard of composite outcome on nevirapine compared with efavirenz was 1.02(95%CI: 0.52-1.99) with p-value = 0.96. Similarly, the hazard of composite outcome on tenofovir and stavudine compared with zidovudine were 1.87 (95%CI: 1.52-2.32), p-value < 0.0001 and 1.72(95% CI: 1.22-2.32), p-value = 0.002, respectively. The rate of CD4 increase in response to treatment was high during the first 10 months and stabilized later. This study revealed that treatment responses were comparable whether nevirapine or efavirenz was chosen to initiate antiretroviral therapy for HIV/AIDS patients in Ethiopia. There was significant difference on risk of composite outcome between patients who were initiated with Tenofovir containing ART regimen compared with zidovudine after controlling for NNRTI drug combinations.
Acceptability of provider-initiated HIV testing as an intervention for prevention of mother to child transmission of HIV and associated factors among pregnant women attending at Public Health Facilities in Assosa town, Northwest Ethiopia
Prevalence of Intestinal Parasites and Associated Factors among AdultPre-ART and ART Patients in Goncha Siso Enesie Woreda, East Gojjam,Northwest Ethiopia, 2014
- …
