1,721,168 research outputs found
Overzicht van rechtspraak. Personenrecht (2009-2022) - Meerderjarigen: Vertrouwenspersoon van een beschermde persoon
324. Luidens artikel 501 Oud BW heeft de te beschermen of beschermde persoon het recht zich, tijdens de hele duur van het bewind, te laten bijstaan door een door hemzelf aangewezen vertrouwenspersoon. Hoewel vrijwel alle procedurebepalingen bij de wet van 21 december 2018 werden hervormd, zij opgemerkt dat de laagdrempelige manier waarop de homologatie van de aanwijzing van een vertrouwenspersoon kan worden gevraagd, namelijk door een schriftelijk of mondeling verzoek gericht aan de vrederechter daartoe te formuleren bij aanvang of tijdens de duur van het bewind door de beschermde of de te beschermen persoon, door een derde in diens belang dan wel door de procureur des Konings (art. 501 lid 2 BW), niet werd gewijzigd door deze wet. Het Hof van Cassatie verduidelijkte in dat verband dat uit artikel 501 lid 1 en 2 Oud BW niet volgt dat de beschermde of te beschermen persoon de wens die hij heeft kenbaar gemaakt inzake de aanwijzing van een vertrouwens-persoon, voor de rechter dient te bevestigen. Evenmin volgt volgens het Hof uit de samenvoeging van artikel 501 lid 1 en lid 9 en 10 Oud BW dat de te beschermen persoon of beschermde persoon niet meerdere vertrouwensper-sonen in eigen naam zou mogen aanwijzen om hem bij te staan 1161. De aanstel-ling van een vertrouwenspersoon werd door de wetgever precies gestimuleerd bij de hervorming in 2013 1162 , gelet op de belangrijke rol die deze persoon vervult. De creatie van bijkomende drempels zou afbreuk hebben gedaan aan het laagdrempelige karakter en had niet gestrookt met de bedoeling van de wetgever. Het arrest van het Hof van Cassatie ligt dan ook volledig in de lijn van de betrachtingen van de wetgever in 2013 1163. 325. De wet bepaalt wie er niet als vertrouwenspersoon kan worden aange-wezen (art. 501 lid 5 Oud BW): 1° de bewindvoerder van de beschermde persoon; 2° personen ten aanzien van wie een rechterlijke of een buitengerechtelijke beschermingsmaatregel werd genomen; 3° rechtspersonen; 4° personen die volledig ontzet zijn uit het ouderlijk gezag; 1161 Cass. 19 februari 2018, C.17.0273.F/3 concl. Genicot, JLMB 2018, afl. 40, 1902 = RABG 2019, afl. 2, 106 noot M. Govaerts = RW 2018-19 (samenv.), afl. 39, 1545 noot: in casu wilde de te beschermen persoon haar zussen en haar moeder aanwijzen als vertrouwenspersonen. Zij had haar wens bij brief kenbaar gemaakt, maar niet herhaald tijdens het verhoor. 116
Zijn er nog grenzen aan het optreden van een bewindvoerder in het kader van een echtscheidingsprocedure?
Overzicht van rechtspraak. Personenrecht (2009-2022) - Meerderjarigen: Buitengerechtelijke bescherming
203. Luidens artikel 490 Oud BW kan iedere wilsbekwame meerderja-rige of ontvoogde minderjarige persoon waarvoor geen enkele rechterlijke beschermingsmaatregel werd getroffen een bijzondere of algemene lastgeving verlenen die in het bijzonder tot doel heeft om voor hem een buitengerechte-lijke bescherming te regelen. Deze lastgeving evenals de beëindiging ervan worden geregistreerd in het centraal register dat wordt bijgehouden door de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat. De vraag of een buitengerechtelijke beschermingsmaatregel wel rechtsgeldig is tot stand gekomen, maakte in de besproken periode regelmatig het voorwerp uit van betwisting. In de eerste plaats is vereist dat er op het ogenblik van het sluiten van de lastgeving met het oog op de organisatie van een buiten-gerechtelijke bescherming (zgn. 'zorgvolmacht') er nog geen rechterlijke bescherming werd bevolen 740. 204. De lastgever moet voorts nog wilsbekwaam zijn op dat tijdstip 741. Het komt diegene die de rechtsgeldigheid betwist van de lastgeving gesloten met het oog op de organisatie van een buitengerechtelijke bescherming toe het bewijs te leveren dat niet voldaan zou zijn aan de geldigheidsvoorwaarden, onder andere door het bewijs te leveren van wilsonbekwaamheid van de last-gever op het ogenblik van ondertekening 742. De tussenkomst van de notaris op het ogenblik van het sluiten van de lastgevingsovereenkomst biedt een bijko-mende garantie dat de lastgever wilsbekwaam was 743. Van de notaris wordt immers verwacht dat hij de wilsbekwaamheid ten tijde van de rechtshande-ling onderzoekt 744 en bij twijfel een medisch attest laat overhandigen 745. Er zijn echter ook omstandigheden waarvoor zelfs de notariële omkadering geen soelaas biedt 746. Een lastgevingsovereenkomst gesloten met het oog op de organisatie van een buitengerechtelijke bescherming op een ogenblik waarop er reeds een verzoek tot rechterlijke bescherming werd ingediend, doet terecht de vraag 740 Vred. Antwerpen (II) 31 mei 2018, T.Vred. 2019, 258: in casu werd een lastgevingsover-eenkomst gesloten kort nadat er een rechterlijke beschermingsmaatregel werd bevolen. 74
Kan een bewindsclausule als last rechtsgeldig worden toegevoegd aan een schenking of legaat?
In deze bijdrage wordt in het licht van de rechtspraak van het hof van beroep te Antwerpen onderzocht of er vandaag een bewindsclausule als last rechtsgeldig kan worden toegevoegd aan een schenking of legaat. Vastgesteld wordt dat zowel bij niet-ontvoogde minderjarige begunstigden als kwetsbare meerderjarigen juridische struikelblokken rijzen. Bij minderjarigen belet het dwingende beheerrecht van de ouders de toevoeging van een bewindsclausule. Bij kwetsbare volwassenen is het strijdig met de openbare orde omdat de facto een handelingsonbekwaamheid m.b.t. het geschonken of gelegateerde vermogen wordt georganiseerd. In beide gevallen leidt dit tot de toepassing van art. 900 oud BW. Daarenboven moet rekening worden gehouden met het Kinderrechtenverdrag en het Gehandicaptenverdrag bij de organisatie van dergelijke maatregel en moet er dus op maat van de situatie een betrokkenheid van de minderjarige resp. kwetsbare meerderjarige worden georganiseerd
Overzicht van rechtspraak. Personenrecht (2009-2022) - Juridische staat van de persoon: Geslacht
TPR 2023 derdenverzet kan aantekenen 153. Dit belet evenmin dat de Belgische Staat (FOD Justitie) vrijwillig kan tussenkomen hoewel de zaak werd ingeleid bij eenzijdig verzoekschrift 154. Voornoemde wet verduidelijkte tegelijk dat de vorderingen ingesteld tegen de weigering de naams-of voornaamswijziging toe te staan bedoeld in artikel 370/9 Oud BW voor de familierechtbank van de woonplaats of, bij ontstentenis daarvan, van de gewone verblijfplaats van de verzoeker moeten worden gebracht. Indien de verzoeker geen woonplaats of gewone verblijf-plaats heeft, is de familierechtbank van Brussel bevoegd om kennis te nemen van de vordering (nieuw art. 629bis §2/3 Ger.W.). HOOFDSTUK II. GESLACHT door Tim Wuyts 39. De wetgeving inzake de transgenders werd bij de wet van 25 juni 2017 155 grondig hervormd om deze in overeenstemming te brengen met mensenrechten. Tegelijk werd gewezen op de ontwikkelingen in andere landen 156. De nieuwe wetgeving trad in werking op 1 januari 2018 (art. 15) 157. De bepalingen werden later overgenomen in de nieuwe structuur van Boek 1 (zie art. 135/1 en 135/2 Oud BW). Alle medische vereisten voor de wijziging van de registratie van het geslacht en de voornaam werden geschrapt. Zo vereiste oud artikel 62bis §2, 2° en 3° Oud BW dat de betrokkene een geslachtsaanpassing had ondergaan die hem zodanig in overeenstemming heeft gebracht met het andere geslacht, waartoe betrokkene overtuigd is te behoren, als dit uit medisch oogpunt mogelijk en verantwoord is en mocht betrokkene niet meer in staat zijn om overeen-komstig het vroegere geslacht kinderen te verwekken. De innerlijk beleefde genderidentiteit is voortaan de enige grondslag voor een wijziging van de registratie van het geslacht in de akte van geboorte (zie thans art. 135/1 §1 lid 1 Oud BW). 153 Gent 20 mei 2021, T.Not. 2022, 300: in casu kwam ook het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen vrijwillig tussen met een louter bewarende tussenkomst die uiteindelijk zonder voorwerp en in die zin ongegrond werd verklaard. 15
- …
