131 research outputs found

    Modelleren van extreme neerslag in België.

    No full text
    Neerslag is wellicht het meest problematische aspect van de weersvoorspe lling in elk atmosfeermodel, omwille van de verschillende schalen waarop de neerslagvorming speelt en het amalgaam van interagerende processen d ie uiteindelijk tot neerslag aan het oppervlak leiden. Dankzij toenemend e rekenkracht van computers en een beter begrip en voorstelling van de f ysische processen in atmosfeermodellen, is het vandaag technisch mogelij k om individuele buiensystemen operationeel te voorspellen. De vooruitga ng in de simulatie van neerslag is totnogtoe echter eerder teleurstellen d. Gemodelleerde systemen zijn vaak te intens en verschijnen op verkeerd e plaatsen en op verkeerde momenten. Vele aspecten van zulke convectie-o plossende modellen zijn onderwerp geweest van gedetailleerde studies m.b .t. de kwantitatieve neerslagvoorspelling, maar geen enkele was in staat één enkel facet van de modellen aan te duiden dat verantwoordelijk was voor de slechte neerslagvoorspelling. Het belangrijkste doel van deze dissertatie is om een groot aantal recen t beschikbare ruimtelijk verdeelde observatiegegevens te gebruiken om zo veel mogelijk van de relevante gesimuleerde interagerende processen in de atmosfeer te evalueren. Via het uitvoeren van een groot aantal gevoel igheidsstudies naar bodemvochtinitialisatie, de grootteverdelingen van d e verschillende neerslagtypes, de ruimtelijke resolutie en zelfs numerie ke onnauwkeurigheden voor intense neerslagevents, wordt verwacht dat de kennis over de relevantie van elk van deze aspecten voor oppervlakteneer slag verbeterd zal kunnen worden. Voor twee situaties met intense convectie werd gevonden dat het voordeel van ruimtelijk verdeelde bodemeigenschappen in atmosfeermodellen (tegen over ruimtelijk homogene bodemeigenschappen) erg klein was, hoewel het b elangrijk is om het gemiddelde bodemvochtgehalte correct te initialisere n voor een realistische simulatie van koudepoelintensiteit, buienstructu ur en oppervlakteneerslag. Verder werd een mechanisme voorgesteld om de omgekeerde relatie te verklaren tussen oppervlakteneerslag en bodemvocht gehalte, die gevonden werd in onze simulaties maar ook in eerdere studie s. Een hoger bodemvochtgehalte leidt tot gunstigere thermodynamische oms tandigheden voor buienvorming, maar aan de andere kant zwakkere koudepoe len onder de buien, omwille van beperkte verdampingskoeling in vochtige grenslagen. Voor vele buiensystemen zijn zowel de thermodynamische omsta ndigheden als de koudepoelkarakteristieken van groot belang voor de inte nsiteit. Wanneer de horizontale resolutie verder verhoogd werd, bleek de geparameterizeerde turbulentie in de grenslaag te beperkt te worden waa rdoor te veel turbulente bewegingen werden opgelost door het modelgrid z elf. Deze buitensporige turbulenties werder vlot opwaarts getranporteerd in een situatie met sterke windschering, wat aanleiding gaf tot intense buien ter grootte van slechts één enkele grid cell Een groot aantal gevoeligheidsexperimenten naar de grootteverdeling van de neerslaande hydrometeoren (regen, sneeuw en hagel) werden uitgevoerd voor drie situaties met intense neerslag en deze werden rigoreus ge-eval ueerd aan de hand van ruimtelijk verdeelde teledetectiedata (satelliet e n radar). De frequentieverdeling van de wolken-optische dikte kon enkel realistisch gesimuleerd worden wanneer hagel vervangen werd door korrelh agel. Dit kon worden gerelateerd aan overmatige hoeveelheden sneeuw in e xperimenten met hagel. Het verticale radar reflectiviteitsprofiel verbet erde significant tijdens de simulatie van stratiforme neerslag wanneer h agel vervangen werd door korrelhagel. Tijdens convectieve neerslag echte r, was hagel noodzakelijk om de sterk reflectieve neerslagkernen te simu leren. Verder verslechterde de verticale buienstructuur en de oppervlakt eneerslagstructuur sterk wanneer hagel vervangen werd door korrelhagel. Daarom werd geconcludeerd dat in een operationeel model zowel hagel als korrelhagel zouden moeten inbegrepen zijn in de microfysica parameterisa tie. Oppervlakteneerslag was veel minder gevoelig aan de voorgestelde mo dificaties. Tijdens de simulatie van een ondiepe supercell over België werd bevonden dat wanneer hagel vervangen werd door korrelhagel, de oppervlakteneersl ag licht toenam, in tegenstrijd tot vele eerdere studies. Er werd aanget oond dat deze toename te wijten was aan contrasterende effecten van aan de ene kant verminderde neerslagefficiëntie (gerelateerd aan intense kor relhagelsublimatie) en aan de andere kant gunstigere thermodynamische om standigheden (gerelateerd aan rijmingprocessen). We toonden aan dat de g evoeligheid van gesimuleerde buien voor veranderingen aan de grootteverd eling van de grootste ijshydrometeoor in modellen sterk afhangt van de diepte van de buien. In diepe buien treedt namelijk veel meer sublimatie van korrelhagel op en bijgevolgd is de neerslagefficiëntie er lager in vergelijking met ondiep e buien die korrelhagel bevatten. Verder toonden we aan dat terwijl het implementeren van meer realistische sneeuwgrootteverdelingen geen invloe d had op de buienkarakteristieken, meer realistische regengrootteverdeli ngen de geaccumuleerde opppervlakteneerslag duidelijk verbeteren. Dit kw am door het verkleinen van de koudepoel aangezien er minder verdamping v an regen optrad aan de randen van koudepoelen onder buien. Hierdoor werd de neerslagoppervlakte van de buien typisch verkleind. Tenslotte werd o ntdekt dat de bijdrage van het kunstmatig toevoegen van water aan het mo del in verband met numerieke onnauwkeurigheden in het vochttranport van het model niet verwaarloosbaar is en belangrijke hoevelheden water toevo egt aan het model (tot meer dan 30 %). Bij een experiment waarin het mod el geforceerd werd om de totale hoeveelheid water te behouden, werd de o ppervlakteneerslag duidelijk beter gesimuleerd. Voor twee composieten die respectievelijk 15 stratiforme en 15 convectie ve weersituaties bevatten, konden we de meeste van de bevindingen hierbo ven gemaakt werden, bevestigen. Korrelhagel werd noodzakelijk bevonden o m de stralingseigenschappen van wolken correct te simuleren, terwijl opp ervlakteneerslag ongevoelig was voor elk van de experimenten met variabe le grootteverdelingen. De positieve neerslagafwijking kon sterk verbeter d worden door het model te dwingen om de totale hoeveelheid water in het model te behouden. Het grote voordeel van het integreren van atmosfeerm odellen met een hogere resolutie op dit moment is dat de voorstelling va n de structuur van buien en de fysica van de convectieve systemen is ver beterd, hoewel weinig verbetering werd gevonden in de neerslaghoeveelhed en.status: Publishe

    PARASO source code (no COSMO)

    No full text
    Source code for the PARASO Antarctic configuration, except the COSMO model (atmosphere), which is only accessible to CLM-Community members (free membership charge for all research applications). A full version of these sources, including the COSMO part, has been uploaded to the CLM-Community RedC under "Downloads" -> "COSMO-CLM". Hence, these sources are provided for dicdactical purposes, not for running the full model (which requires COSMO). Model described in: Pelletier, C., Fichefet, T., Goosse, H., Haubner, K., Helsen, S., Huot, P.-V., Kittel, C., Klein, F., Le clec'h, S., van Lipzig, N. P. M., Marchi, S., Massonnet, F., Mathiot, P., Moravveji, E., Moreno-Chamarro, E., Ortega, P., Pattyn, F., Souverijns, N., Van Achter, G., Vanden Broucke, S., Vanhulle, A., Verfaillie, D., and Zipf, L.: PARASO, a circum-Antarctic fully-coupled ice-sheet - ocean - sea-ice - atmosphere - land model involving f.ETISh1.7, NEMO3.6, LIM3.6, COSMO5.0 and CLM4.5, Geosci. Model Dev. Discuss. [preprint], https://doi.org/10.5194/gmd-2021-315, in review, 2021.Developed within the framework of the PARAMOUR project, Decadal predictability and variability of polar climate: the role of atmosphere-ocean-cryosphere multiscale interactions. Fonds de la Recherche Scientifique–FNRS Grant number O0100718F (EOS ID 30454083)

    PARASO ERA5 forcings

    No full text
    External forcings from ERA5, used for forcing the PARASO configuration. Due to their size, only three months are provided here (from 01-JAN-2000 to 31-MAR-2000), for testing purposes. The data should be uncompressed with the uncpr_paraso.sh script. Model described in: PARASO, a circum-Antarctic fully-coupled ice-sheet - ocean - sea-ice - atmosphere - land model involving f.ETISh1.7, NEMO3.6, LIM3.6, COSMO5.0 and CLM4.5. C. Pelletier, T. Fichefet, H. Goosse, K. Haubner, S. Helsen, P.-V. Huot, C. Kittel, F. Klein, S. Le clec'h, N. P. M. van Lipzig, S. Marchi, F. Massonnet, P. Mathiot, E. Moravveji, E. Moreno-Chamarro, P. Ortega, F. Pattyn, N. Souverijns, G. Van Achter, S. Vanden Broucke, D. Verfaillie, L. Zipf. Submitted to Geoscientific Model Development, 2021. Model source code: 10.5281/zenodo.5337510 The ERA5 data (Hersbach, 2018) was downloaded on 01-SEP-2019 from the Copernicus Climate Change Service (C3S) Climate Data Store. The results contain modified Copernicus Climate Change Service information 2020. Neither the European Commission nor ECMWF is responsible for any use that may be made of the Copernicus information or data it contains. Hersbach, H., Bell, B., Berrisford, P., Biavati, G., Horányi, A., Muñoz Sabater, J., Nicolas, J., Peubey, C., Radu, R., Rozum, I., Schepers, D., Simmons, A., Soci, C., Dee, D., and Thépaut, J.-N.: ERA5 hourly data on single levels from 1979 to present, https://doi.org/10.24381/cds.adbb2d47, downloaded from the Copernicus Climate Change Service (C3S); Climate Data Store (CDS) on 01-SEP-2019, 2018.Developed within the framework of the PARAMOUR project, Decadal predictability and variability of polar climate: the role of atmosphere-ocean-cryosphere multiscale interactions. Fonds de la Recherche Scientifique–FNRS Grant number O0100718F (EOS ID 30454083)

    De invloed van landgebruiksveranderingen op neerslag in de Sahel.

    No full text
    Gedurende de afgelopen decennia heeft de invloed van het landoppervlak o p het klimaat en de neerslag in de Afrikaanse Sahel veel aandacht gekreg en in wetenschappelijke kringen. Dit kwetsbare gebied heeft in de jaren ’70 en ’80 te kampen gehad met een serieuze droogte waarbij veranderinge n in het landgebruik aanzien werden als één van de mogelijke oorzaken. H et begrijpen van het effect van vegetatieveranderingen op de ontwikkelin g van neerslag is dus cruciaal om het klimaat in de Sahel te doorgronden en de impact van toekomstige landgebruiksveranderingen te kunnen inscha tten. Verschillende aspecten van de interactie tussen het land en de atm osfeer zijn nog steeds slecht gekend, zoals bijvoorbeeld het effect op d e initiatie en ontwikkeling van Mesoschaal Convectieve Systemen (MCS), d e grootschalige stormsystemen die neerslag naar deze regio brengen. Het ontbreken van langdurige en ruimtelijke verspreide veldmetingen in de Sa hel om de klimaatmodellen mee te calibreren en valideren, draagt nog bij tot de onzekerheden. Het doel van dit doctoraat is dan ook een bijdrage te leveren aan het be grijpen van de invloed van geobserveerde veranderingen in het landgebrui k, en de betrokken mechanismen, op de vorming van neerslag in de Sahel. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een grondig opgezet en geëvalueerd re gionaal atmosferisch model dat in staat is om de karakteristieken van ee n MCS weer te geven. In dit doctoraat is speciale aandacht gegeven aan het grondig en correct opzetten van een Bodem-Vegetatie-Atmosfeer Transfer model voor de Sahel . Dit is erg belangrijk omdat een correcte simulatie van de energiefluxe n tussen land en atmosfeer cruciaal is om het klimaat te modelleren. De parameters van het model zijn afgeleid uit metingen van het Hydrologisch en Atmosferisch Piloot Experiment in de Sahel uit 1992. Na de evaluatie van het landoppervlak model is dit gekoppeld aan een regionaal atmosfer isch model om de ontwikkeling van de grenslaag te simuleren tijdens 4 ve rschillende dagen. Hierna is een gevoeligheidstudie uitgevoerd om de mee st belangrijke bodem- en vegetatieparameters te identificeren die een ef fect hebben op de simulatie van convectief beschikbare potentiële energi e (CAPE), een variabele die nauw gerelateerd is aan convectie en neersla g in de Sahel. De vochttoestand van de bodem blijkt duidelijk de gevoeli gheid te bepalen: bij een natte bodem hebben de bodemparameters de groot ste invloed, bij een droge bodem zijn de vegetatieparameters belangrijke r. Een aanpassing van de parameters binnen realistische grenzen leidt to t verschillen in CAPE tot 400 J kg-1, hetgeen genoeg is om de ontwikkeli ng van convectie te beïnvloeden. Gedurende de laatste 20 jaar heeft de plantengroei in de Sahel zich hers teld van de droogte in de jaren ’80 en de vegetatiebedekking is met onge veer 20% gestegen. De invloed van zowel een toename als een afname van d e vegetatie met deze hoeveelheden is bestudeerd met behulp van driedimen sionele modelexperimenten tijdens een groot deel van het regenseizoen in 1992. De totale hoeveelheid neerslag blijkt ongevoelig te zijn voor de veranderingen maar deze hebben wel een effect op het neerslagpatroon. De kern van de neerslag schuift op naar het noorden in het geval van een t oename van de vegetatie en naar het zuiden in geval van een afname. Hier bij spelen twee mechanismen een rol. Ten eerste beïnvloeden de vegetatie veranderingen de oppervlaktefluxen die op hun beurt een effect hebben op de CAPE waarden en bijgevolg de intensiteit van MCS. Deze relatie blijk t afhankelijk te zijn van de tijd tussen opeenvolgende neerslagevenement en. Ten tweede is er een verandering in de midden-troposferische zonale wind als gevolg van een verandering in het ruimtelijk patroon van de tem peratuur- en vochtverdeling. Deze wind heeft een grote invloed op de lok atie en de progressie van convectieve systemen. Om het effect van vegetatieveranderingen op een MCS in detail te kunnen bestuderen, is een goed gedocumenteerd MCS, die verscheen op 11 juni 200 6, gemodelleerd met een hoge horizontale resolutie (3 km). Het model is in staat om de belangrijkste karakteristieken van het MCS en de atmosfer ische omgeving te reproduceren. Hierna is de gevoeligheid van het MCS vo or verschillende vegetatiescenarios onderzocht. In dit geval blijkt er g een duidelijk verband te bestaan tussen de vegetatieveranderingen en de neerslag van het MCS. De veranderingen hebben een effect op de oppervlak tefluxen in de dagen voor het systeem ontstaat, die op hun beurt een gev oelig effect hebben op de CAPE waarden. Een duidelijke link tussen CAPE en de intensiteit van het MCS kan in dit geval echter niet gelegd worden . Er is een mechanisme gevonden dat het CAPE signaal tegenwerkt, met nam e de dynamica van de koude poel van het MCS. Wanneer de vegetatie vermin dert, wordt de grenslaag droger hetgeen de evaporatief afgekoelde neerwa artse wind in het MCS versterkt. Dit leidt tot koudere en meer intense k oude poelen die de intensiteit van het MCS op een hoog niveau kunnen hou den waarbij de lagere CAPE waarden teniet gedaan worden. De invloed van vegetatieveranderingen op een MCS is dus niet eenduidig maar een complex e interactie tussen verschillende processen. Een laatste deel van dit doctoraat focust op een ander type landgebruikv erandering, namelijk het uitdrogen van het Tsjaadmeer. Sinds 1960 kromp het meer van een oppervlakte van 25000 km² naar slechts 1350 km² als gev olg van droogteperiodes en menselijke invloeden. Er kan verwacht worden dat het verdwijnen van zulk een open wateroppervlak in het droge Sahelge bied een gevoelige invloed heeft op de nabije meteorologie. Het antwoord op deze vraag is gezocht door drie scenarios voor het Tsjaadmeer toe te passen in modelsimulaties van het regenseizoen in 2006. De scenarios ge ven de toestand weer in 1960, de huidige situatie en een potentieel toek omstscenario waarbij het meer en de omliggende moerassen zijn uitgedroog d. De modelexperimenten wijzen uit dat de totale hoeveelheid neerslag in de regio niet wordt beïnvloed door het bestaan van het meer. Dicht bij het meer zijn er echter wel significante veranderingen in het neerslagpa troon. De oorzaak hiervan ligt bij windafwaartse veranderingen in de tem peratuur- en vochtprofielen van de grenslaag. Deze hebben een effect op de ontwikkeling en de progressie van MCS door hen eerst te intensifiëren als gevolg van hogere CAPE waarden. Daarna wordt de persistentie van de systemen echter onderbroken omdat de voortgang van de koude poel afgere md wordt in de koude en vochtige lucht die vanaf het meer komt. Dit illu streert de lokale gevoeligheid voor het uitdrogen van het Tsjaadmeer al worden de grootschalige atmosferische processen er niet door beïnvloed.status: Publishe

    Influence of the circumglobal wave-train on European summer precipitation

    No full text
    We investigate European summer (July-August) precipitation variability and its global teleconnections using the NCEP/NCAR reanalysis data (1950-2010) and a historical Coupled Model Intercomparison Project climate simulation (1901-2005) carried out using the ECHAM6/MPIOM climate model. A wavelike pattern is found in the upper tropospheric levels (200 hPa) similar to the summer circumglobal wave train (CGT) extending from the North Pacific to the Eurasian region. The positive phase of the CGT is associated with upper level anomalous low (high) pressure over western (eastern) Europe. It is further associated with a dipole-like precipitation pattern over Europe entailing significantly enhanced (reduced) precipitation over the western (eastern) region. The anomalous circulation features and associated summer precipitation pattern over Europe inverts for the negative CGT phase. Accordingly, the global teleconnection pattern of a precipitation index summarizing summer precipitation over Western Europe entails an upper level signature which consists of a CGT-like wave pattern extending from the North Pacific to Eurasia. The imprint of the CGT on European summer precipitation is distinct from that of the summer North Atlantic Oscillation, despite the two modes of variability bear strong similarities in their upper level atmospheric pattern over Western Europe. The analysis of simulated CGT features and of its climatic implications for the European region substantiates the existence of the CGT-European summer precipitation connection. The summer CGT in the mid-latitude therefore adds to the list of the modes of large-scale atmospheric variability significantly influencing European summer precipitation variability. © 2013 Springer-Verlag Berlin Heidelberg

    Scripts and data for the PARASO Geoscientific Model Development paper figures

    No full text
    Scripts and data for reproducing all figures from the PARASO model description paper. *.tex sources generate Tikz pdf figures calling pdflatex . they require a working LaTeX installation with some standard libraries (e.g. Tikz and others). *.py are python scripts generating figures. They require standard python libraires such as matplotlib, numpy, cartopy... Model description: Pelletier, C., Fichefet, T., Goosse, H., Haubner, K., Helsen, S., Huot, P.-V., Kittel, C., Klein, F., Le clec'h, S., van Lipzig, N. P. M., Marchi, S., Massonnet, F., Mathiot, P., Moravveji, E., Moreno-Chamarro, E., Ortega, P., Pattyn, F., Souverijns, N., Van Achter, G., Vanden Broucke, S., Vanhulle, A., Verfaillie, D., and Zipf, L.: PARASO, a circum-Antarctic fully-coupled ice-sheet - ocean - sea-ice - atmosphere - land model involving f.ETISh1.7, NEMO3.6, LIM3.6, COSMO5.0 and CLM4.5, Geosci. Model Dev. Discuss. [preprint], https://doi.org/10.5194/gmd-2021-315, in review, 2021. Source code (no COSMO): Pelletier, Charles, Klein, François, Zipf, Lars, Haubner, Konstanze, Mathiot, Pierre, Pattyn, Frank, Moravveji, Ehsan, & Vanden Broucke, Sam. (2021). PARASO source code (no COSMO) (v1.4.3). Zenodo. https://doi.org/10.5281/zenodo.5576201 Input data: Pelletier, Charles, Klein, François, Zipf, Lars, Vanden Broucke, Sam, Haubner, Konstanze, & Helsen, Samuel. (2021). Input data for PARASO, a circum-Antarctic fully-coupled 5-component model (v1.4.3) [Data set]. Zenodo. https://doi.org/10.5281/zenodo.5588468 Forcings: Pelletier, Charles, & Helsen, Samuel. (2021). PARASO ERA5 forcings (1.4.3) [Data set]. Zenodo. https://doi.org/10.5281/zenodo.5590053 Acknowledgements The ERA5 data (Hersbach, 2019) was downloaded on 01-09-2019 from the Copernicus Climate Change Service (C3S) Climate Data Store. The results contain modified Copernicus Climate Change Service information 2020. Neither the European Commission nor ECMWF is responsible for any use that may be made of the Copernicus information or data it contains. Reference: Hersbach, H., Bell, B., Berrisford, P., Biavati, G., Horányi, A., Muñoz Sabater, J., Nicolas, J., Peubey, C., Radu, R., Rozum, I., Schepers, D., Simmons, A., Soci, C., Dee, D., Thépaut, J-N. (2018): ERA5 hourly data on single levels from 1979 to present. Copernicus Climate Change Service (C3S) Climate Data Store (CDS). (Accessed on 01-SEP-2019), https://doi.org/10.24381/cds.adbb2d47. The sea-ice index (NSIDC-G02315) was downloaded on 01-09-2019 from the National Snow & Ice Data Center. Reference: Fetterer, F., K. Knowles, W. N. Meier, M. Savoie, and A. K. Windnagel. 2017, updated daily. Sea Ice Index, Version 3. Daily Antarctic. Boulder, Colorado USA. NSIDC: National Snow and Ice Data Center. https://doi.org/10.7265/N5K072F8. Accessed on 01-SEP-2019. The World Ocean Atlas 2018 (WOA18): Reference: Boyer, Tim P.; Garcia, Hernan E.; Locarnini, Ricardo A.; Zweng, Melissa M.; Mishonov, Alexey V.; Reagan, James R.; Weathers, Katharine A.; Baranova, Olga K.; Seidov, Dan; Smolyar, Igor V. (2018). World Ocean Atlas 2018. Statistical means of temperature and salinity on 0.250.25^\circ grid.. NOAA National Centers for Environmental Information. Dataset. https://accession.nodc.noaa.gov/NCEI-WOA18. Accessed 01-SEP-2020. Ice-shelf melt rates observations: Reference: Rignot, E., Jacobs, S., Mouginot, J., & Scheuchl, B. (2013). Ice-shelf melting around Antarctica (Supplementary Material) Science, 341(6143), 266-270. https://doi.org/10.1126/science.1235798. Reference: Adusumilli, Susheel; Fricker, Helen A.; Medley, Brooke C.; Padman, Laurie; Siegfried, Matthew R. (2020). Data from: Interannual variations in meltwater input to the Southern Ocean from Antarctic ice shelves. UC San Diego Library Digital Collections. https://doi.org/10.6075/J04Q7SHT JRA-55 reanalysis: Reference: Kobayashi, S., Y. Ota, Y. Harada, A. Ebita, M. Moriya, H. Onoda, K. Onogi, H. Kamahori, C. Kobayashi, H. Endo, K. Miyaoka, and K. Takahashi , 2015: The JRA-55 Reanalysis: General specifications and basic characteristics. J. Meteor. Soc. Japan, 93, 5-48, https://doi.org/10.2151/jmsj.2015-001 BedMachine Antarctic topography: Reference: Morlighem, M., Rignot, E., Binder, T. et al. Deep glacial troughs and stabilizing ridges unveiled beneath the margins of the Antarctic ice sheet. Nature Geoscience 13, 132–137 (2020). https://doi.org/10.1038/s41561-019-0510-8 Reference: Morlighem, M. 2020. MEaSUREs BedMachine Antarctica, Version 2. Ice-sheet thickness, surface elevation and mask. Boulder, Colorado USA. NASA National Snow and Ice Data Center Distributed Active Archive Center. doi: https://doi.org/10.5067/E1QL9HFQ7A8M (accessed 01-FEB-2020).Developed within the framework of the PARAMOUR project, Decadal predictability and variability of polar climate: the role of atmosphere-ocean-cryosphere multiscale interactions. Fonds de la Recherche Scientifique–FNRS Grant number O0100718F (EOS ID 30454083)

    Een waerachtighe fyne reden vnde ghespreck tusschen twee ghebroederen A. vnde N. wt den goeden schat eens milden herten ghebersten oder ghevloeyt [...].

    No full text
    Fol. B6 blanco ontbreektVingerafdruk: 000004 - b1 A2 bbe : b2 B5 IoaHerkomst: J. Fr. Vandevelde 1801 Lipzig ; Vignet F. vander HaeghenGerestaureerde lederen band, fries met koppen, ruit in middenveldMachiels, J. Catalogus van de boeken gedrukt vóór 1600 ; J 206Valkema Blouw, P. Typographia Batava ; 5452Van der Linde, A. . David Joris Bibliografie ; 190Europeana-GoogleBook

    A Novel Framework for Spatiotemporal Analysis of Temperature Profiles Applied to Europe

    No full text
    Vertical temperature profiles influence the wind power generation of large offshore wind farms through stability-dependent effects such as blockage and gravity waves. However, numerical tools that are used to model these effects are often computationally too expensive to cover the large variety of atmospheric states occurring over time. Generally, an informed decision about which representative nonidealized situations to simulate is missing because of the lack of easily available information on representative vertical profiles, taking into account their spatiotemporal variability. Therefore, we present a novel framework that allows a smart selection of vertical temperature profiles. The framework consists of an improved analytical temperature model for the atmospheric boundary layer and lower troposphere, a subsequent clustering of these profiles to identify representatives, and last, a determination of areas with similar spatiotemporal characteristics of vertical profiles. When applying this framework on European ERA5 data, physically realistic representatives were identified for Europe, excluding the Mediterranean. Two or three profiles were found to be dominant for the open ocean, whereas more profiles prevail for land. Over the open ocean, weak temperature gradients in the boundary layer and a clear capping inversions are widespread, and stable profiles are absent except in the region of the East Icelandic Current. Interestingly, according to the ERA5 data, at its resolution, coastal areas and seas surrounded by land behave more similar to the land areas than to the open ocean, implying that a larger set of model integrations are needed for these areas to obtain representative results for offshore wind power assessments in comparison with the open ocean.Green Open Access added to TU Delft Institutional Repository ‘You share, we take care!’ – Taverne project https://www.openaccess.nl/en/you-share-we-take-care Otherwise as indicated in the copyright section: the publisher is the copyright holder of this work and the author uses the Dutch legislation to make this work public.Wind Energ

    The diurnal evolution of the urban heat island of Paris: a model-based case study during Summer 2006

    No full text
    The urban heat island (UHI) over Paris during summer 2006 was simulated using the Advanced Regional Prediction System (ARPS) updated with a simple urban parametrization at a horizontal resolution of 1 km. Two integrations were performed, one with the urban land cover of Paris and another in which Paris was replaced by cropland. The focus is on a five-day clear-sky period, for which the UHI intensity reaches its maximum. The diurnal evolution of the UHI intensity was found to be adequately simulated for this five day period. The maximum difference at night in 2 m temperature between urban and rural areas stemming from the urban heating is reproduced with a relative error of less than 10%. The UHI has an ellipsoidal shape and stretches along the prevailing wind direction. The maximum UHI intensity of 6.1 K occurs at 23:00 UTC located 6 km downstream of the city centre and this largely remains during the whole night. An idealized one-column model study demonstrates that the nocturnal differential sensible heat flux, even though much smaller than its daytime value, is mainly responsible for the maximum UHI intensity. The reason for this nighttime maximum is that additional heat is only affecting a shallow layer of 150 m. An air uplift is explained by the synoptic east wind and a ramp upwind of the city centre, which leads to a considerable nocturnal adiabatic cooling over cropland. The idealized study demonstrates that the reduced vertical adiabatic cooling over the city compared to cropland induces an additional UHI build-up of 25%. The UHI and its vertical extent is affected by the boundary-layer stability, nocturnal low-level jet as well as radiative cooling. Therefore, improvements of representing these boundary-layer features in atmospheric models are important for UHI studies

    Antwoort vnde onderricht D. J. [=David Joris] op die vraghe vnde voorgheuen des welgheleerden heeren Scipionis N. namelijck: of der wysen wijsheyt oder menschelijcke gheleertheydt niet nutlijck oder nootwendich sy voor den gheloouighen, die Heylighe Godtlijcke Schrift te beth te vestaen [...].

    No full text
    Vingerafdruk: 000004 - b1 A2 oo : b2 C3 eWtghegaen in Martio, int iaer 1556.Herkomst: J. Fr. Vandevelde 1801 Lipzig ; Vignet F. vander HaeghenGerestaureerde lederen band, fries met koppen, ruit in middenveldMachiels, J. Catalogus van de boeken gedrukt vóór 1600 ; J 165Valkema Blouw, P. Typographia Batava ; 205Van der Linde, A. . David Joris Bibliografie ; 114Europeana-GoogleBook
    corecore