36 research outputs found
De positie van het zeeschip in het internationaal privaatrecht
Meer dan tien jaren zijn verstreken sinds het in werking treden van de Wet van 18 maart, houdende enige bepalingen van international privaatrecht met betrekking tot het zeerecht, het binnenvaartrecht en het luchtrecht op 1 mei 1993. Sinds die datum zijn er belangrijke internationaal eenvormige regels voor het zeeschip bijgekomen zoals vastgelegd in het HNS Verdrag, het Bunkers Verdrag en het protocol van 1996 bij het Londens Limitatieverdrag. Daarnaast zijn er vele nieuwe conflictregels bijgekomen die mede van toepassing zijn op het zeeschip zoals neergelegd in de Insolventie Verordening, de Wet Conflictenrecht Onrechtmatige Daad en in de nabije toekomst in de Verordening Rome II. In dit boek worden de verhoudingen aangegeven tussen de verschillende eenvormige regels, tussen de eenvormige regels en de conflictregels en tussen de conflictregels onderling teneinde het toepasselijke recht op een internationale rechtsverhouding te kunnen bepalen. Daartoe worden drie rechtsgebieden onderzocht, bestaande uit het goederenrecht, het onrechtmatige daadsrecht en het recht betreffende de beperking van aansprakelijkheid. Met betrekking tot deze rechtsgebieden wordt de vraag beantwoord of, en zo ja in hoeverre, het bijzondere karakter van het zeeschip dwingt tot het opstellen van conflictregels die afwijken van de conflictregels die gelden voor internationale rechtsverhoudingen aan land. Ten aanzien van het recht op beperking van aansprakelijkheid wordt niet alleen het conflictenrecht behandeld maar ook de vraag naar de bevoegde rechter, de erkenning van een in het buitenland gevormd fonds en de erkenning van een in het buitenland gegeven beperkingsbeslissing.
Om hart en vurigheid. Over schrijvers / kunstenaars van tijdschrift / uitgeverij De Gemeenschap 1925 – 1941 (boekbespreking)
Over het katholieke literair-culturele tijdschrift De gemeenschap, dat tussen 1925 en 1941 verscheen, en zijn belangrijkste redacteuren is veel gepubliceerd. Zo promoveerde Harry Scholten in 1978 op de studie Aspecten van het tijdschrift De gemeenschap en kwam in 1986 een Schrijversprentenboek over dit tijdschrift uit. Van meer recente datum zijn onder meer de biografie van Michel van der Plas Daarom, mijnheer, noem ik mij katholiek (2000) over Anton van Duinkerken en de bundel Anton van Duinkerken: een veelomvattend mens (2003). Over Jan Engelman verscheen in 2000 een verzameling artikelen in de uitgave Op gezang en vlees belust en Mathijs Sanders besteedde in het hoofdstuk ‘Om hart en vurigheid’ van zijn dissertatie Het spiegelend venster (2002) aandacht aan de poëtica van De gemeenschap
Assessment of effects of chemical contaminants in dredged material on marine ecosystems and human health
Om te voorkomen dat scheepvaartroutes dichtslibben moeten waterwegen en havens in deltagebieden regelmatig worden gebaggerd. Wereldwijd worden op jaarbasis honderden miljoenen tonnen baggerspecie en sediment verwijderd. Nederland verspreidt jaarlijks meer dan 25 miljoen kubieke meter gebaggerd sediment in de Noordzee. Hierbij is het van belang te kunnen bepalen wat de risico's zijn voor het ecosysteem. Het in sediment identificeren van chemische stoffen die een potentieel risico vormen voor het ecosysteem of voor de menselijke gezondheid is dan ook het onderwerp van veel studies. Dit proefschrift onderzoekt de toepasbaarheid van in vitro, in vivo bioassays en bio-indicatoren als mogelijke beoordelingsinstrument voor het vaststellen van de schadelijke effecten op zeeorganismen van complexe chemische verbindingen in sedimen
A Guide to Solving Pathfinding Problems with Multiple Agents
Currently, literature regarding Multiagent Path Finding (MAPF) does not give a broad enough overview of all the different approaches. Many papers are hard to read and require proper knowledge of MAPF. The goal of this report is to give a global overview of MAPF. To achieve this goal, we provide a detailed explanation of what MAPF problems look like, as well as giving a clear overview of the strength and weaknesses of different solutions. Besides this theoretical analysis, we also analyse and critique benchmarking performed by other researchers. Following all this, we conclude that the field of MAPF lacks agreement on terminology. Furthermore, performance analysis is limited to researchers choice, skewing research in their own favour
Thermocompression assembling device used to connect together a wire with an IC
The conical diamond is retained in material of specific thermal expansion coefficient to ensure that it is not loosened when the temperature rises. The tool comprises a head which includes a small diamond (2) fixed to a support body (3). The diamond has a conical shape with its base retained in the support body, and its tip projecting freely. The diamond is fastened by a system which avoids the diamond becoming unseated as a result of different thermal expansion of the diamond and base material. This may comprise a seating in the block which is also conical in shape, or may comprises a welding material (5) surrounding the base of the cone, within a recess formed in the block. Materials are chosen such that their respective degrees of thermal expansion do not allow the diamond to become loose when the device is heated.IMXAlternative title(s) :
(de) Vorrichtung zur thermokompressionsammlung eines drahtes mit einem ic
(fr) Dispositif d'assemblage par thermocompression pour la connexion d'un fil sur un circuit intégré
(en) Thermocompression assembling device used to connect together a wire with an i
Phytosanitary risk perception and management : development of a conceptual framework
This report presents a conceptual framework for assessing and understanding phytosanitary risk perception and risk-management in plant production chains. The framework is based on the Theory of Planned Behaviour. It is explored for three sectors (pot plants, seed potatoes, and tulip bulbs). These explorations show that the conceptual framework can provide insight into the way actors in plant production chains perceive phytosanitary risk and how this affects their risk-management behaviour. The framework provides a useful tool for identifying bottlenecks in actors' phytosanitary risk-management and creating more focus in optimising phytosanitary risk-management in plant production chain
Gratia in Augustine's sermones ad populum during the Pelagian Controversy. Do different contexts furnish different insights?
Dupont Anthony De gratia-thematiek in Augustinus sermones ad populum ten tijde v an de pelagiaanse controverse Leveren andere contexten andere inzichten? Samenvatting Dit doctoraatsproject bestudeerde de aanwezigheid en de behandeling van de thematiek van de verhouding tussen de menselijke vrijheid en de godde lijke genade in Augustinus sermones ad populum met bijzondere aandac ht voor de sermones gehouden tijdens de periode van de pelagiaanse co ntroverse en de sermones met een anti-pelagiaans oogmerk. De onderzoe ksvraag bij dit onderzoek was: leveren andere contexten andere inzich ten op? Meer specifiek stelden we de vraag of de genade-thematiek op eenzelfde wijze aanwezig is en gethematiseerd wordt in de sermones al s in de systematische verhandelingen die geëngageerd zijn in de pelagiaa nse controverse. Levert het verschil in genre een verschil in inhoud en/ of behandeling? Het gevoerde onderzoek formuleerde een tweevoudig antwoo rd op deze vraag. Ten eerste verschilt de gratia-inhoud van de sermones niet van deze van de systematische verhandelingen. Ten tweed e is de thematisering en de behandeling van dit onderwerp soms wel ve rschillend. Voorliggend onderzoek leert dat deze verschilpunten bepaald worden door het Bijbels, liturgisch, retorisch en contextueel kader van de sermones. 1. Eigensoortig kader Om toegang tot en inzicht in de eigensoortige gratia-behandeling in d e preken te verwerven werden een aantal Schriftcitaten verzameld die centraal staan in de anti-pelagiaanse sermones en vergeleken met hun aanwezigheid in het gehele oeuvre van Augustinus. Het onderzoek van deze Schriftcitaten onthulde enerzijds een eigensoortig gebruik van de Sc hrift binnen de anti-pelagiaanse sermones (en het hele preekgenre bij uitbreiding). Dat de preken er op Schriftuurlijk gebied soms een eigens oortige behandeling op nahouden legt de vinger op één van de mogelijke o orzaken van het verschil van behandelingswijze van gratia binnen en b uiten de preken. Preken zijn liturgische Schriftcommentaren. De Schri ft is het uitgangspunt voor de preken. Binnen de controverse past die Sc hriftuitleg binnen een anti-pelagiaans discours. Zijn anti-pelagiaanse g eschriften worden ook gekenmerkt door een groot gebruik van de Schrift. Hier is het perspectief echter anders. Eerst komt de anti-pelagiaanse re denering waarbij de Schrift ten tweede als argument en als illustratie k omt. Dit verklaart dat er in de preken soms andere anti-pelagiaanse Schr iftcitaten voorkomen. Augustinus stoot in de liturgische lezingen van ee n bepaalde dag op een Schriftcitaat dat hij anti-pelagiaans verklaart, m aar in zijn anti-pelagiaanse geschriften vindt hij het niet nodig om dit zelfde citaat als argument te gebruiken. Anderzijds bleken andere Schriftcitaten de brug te vormen tussen anti -pelagiaanse sermones en anti-pelagiaanse geschriften, tussen langs d e ene kant anti-pelagiaanse sermones en langs de andere kant geschrif ten en preken die zich buiten deze controverse bevinden. Net als in zijn anti-pelagiaanse verhandelingen gebruikt Augustinus de Schrift in zijn preken ook als verzamelplaats van argumenten en voorbeelden. Net zoal s hij in zijn anti-pelagiaanse geschriften Caelestius, Pelagius, Julianu s en de broeders van Hadrumetum, Marseille en de Provence, in zijn briev en bisschoppen, theologen en geïnteresseerde gelovigen van het ongelijk van het pelagianisme wil overtuigen aan de hand van Schriftcitaten, zo doet hij dat ook in zijn preken. De vaststelling dat de behandeling van de gratia-thematiek in de sermones Schriftuurlijke banden heeft m et de anti-pelagiaanse geschriften en Augustinus oeuvre in het algemeen is een pleidooi om Augustinus denken over genade, vrijheid, zonde, Chr istus en Adam niet te beperken tot de pelagiaanse controverse. Deze o bservatie leert dat het steeds nodig is om voor deze themas ook te kijk en naar de voorafgaande controverses, naar zijn denken in het algemeen e n naar zijn activiteiten als predikant. Pas dan kan men tot een volledig beeld van Augustinus visie over deze onderwerpen en van een eventuele inhoudelijk ontwikkeling hierin komen. Tegelijk is deze overeenkomst in Schriftgebruik genuanceerd, en dit opni euw door de specifieke context van de homilie. Deze vindt namelijk plaat s binnen de liturgie. De liturgische context bezorgt het gebruik van bepaalde Schriftcitaten dikwijls een bepaald coloriet die het gebruik va n dezelfde citaten in polemische geschriften niet heeft. Dit is vooral h et geval wanneer Augustinus Schriftuurlijke lex orandi, lex credendi- argumenten hanteert. Deze argumenten vinden immers plaats in een context van liturgisch gebed, waardoor de liturgie Augustinus Schriftuurlijke preek-argumentatie concretiseert. De Bijbelse inbedding van de sermones onthult ook op een andere wijze de specificiteit van het literair genre van een preek. Typisch voor de sermones is Augustinus voorliefde voor het verwijzen naar Bijbels e voorbeelden. Deze beelden behoorden tot de theologische en Bijbelse bagage van zijn gehoor. Hierbij aansluitend maakt Augustinus in zijn pr eken dikwijls gebruik van beeldspraak, zoals die van de Christus Medi cus, die nauw aansluit bij de leefwereld van zijn publiek. Voorts geb ruikt hij een breed gamma van retorische technieken. In de anti-pelag iaanse sermones doet hij dit met klem om het ongelijk van het pelagia nisme aan te tonen. Hij gebruikt auctoritas-argumenten en laat deze a utoriteiten zoals Paulus en Christus in een fictieve dialoog met het publiek treden. In zijn preken, net zoals in zijn geschriften, durft Au gustinus het pelagiaans denken wel eens op flessen te trekken. Hij ope nt hierbij in zijn preken een fictieve dialoog met een pelagiaanse teg enstander, die volgens Augustinus voorstelling hardnekkig vasthoudt aan absurde consequenties van het pelagianisme, waarmee Augustinus trac ht het ongelijk van het gehele pelagianisme aan te tonen. Augustinus beschouwt zijn preken als een verkondiging van het woord G ods. In de polemische geschriften tracht Augustinus zijn tegenstanders t e overtuigen van het ongelijk van hun stellingen. Hij treedt op als syst ematisch theoloog en als polemicus. Deze twee functies vervult Augustinu s ook in zijn sermones. Hierin is hij ook verkondiger van het Woord G ods. In deze zin heeft een homilie voor Augustinus niet alleen een litur gische betekenis, maar zelfs een sacramentele betekenis. Hij spree kt namelijk niet zelf of uit eigen naam. God spreekt door hem en het is in Zijn naam dat hij preekt. Dit aspect komt terug in geheel van Augusti nus preken, en ook in de hier bestudeerde anti-pelagiaanse sermones. Enerzijds verleent dit Augustinus argumentatie in zijn preken een grot ere autoriteit, God spreekt namelijk doorheen de predikant. Anderzijds k an dit misschien ook een verklaring bieden voor het feit dat Augustinus in zijn preken ofschoon er een aantal voorbeelden zijn van hevige pole mische uitvallen het pelagianisme meestal gematigd benadert. In de pre ken is hij immers niet op de eerste plaats als polemicus uit op het eige n gelijk, maar staat hij als verkondiger nederig in dienst van het Woord van God en van zijn gemeenschap. Ook dit benadrukt Augustinus verschill ende keren in de anti-pelagiaanse sermones. De eigensoortigheid van de sermones wordt bovendien ook bepaald door de invloed van de concrete Sitz-im-Leben. Ze getuigen bijvoorbeeld van discussies en onrust in Carthago en in Hippo. Meer specifiek zijn z e getekend door de fysieke aanwezigheid van een concreet en reagerend pu bliek. 2. Eigensoortige thematisering De Schriftuurlijke eigenheid van de gratia-thematiek in de sermones</ > wees op een onderliggende eigenheid in thematisering en behandel ing, met name betreffende de gratia fidei en de gratia orationi s. Het initium fidei en de perseuerantia fidei worden in de sermones niet geloochend als zijnde genade. Toch wordt heel zelden in de preken gethematiseerd dat het geloof gratia is. Op gelijkaardi g wijze hebben we kunnen vaststellen dat het onderwerp van de gratia ora tionis in de preken weinig of niet wordt gethematiseerd. Het gave- karakter van het gebed wordt niet gethematiseerd. In de anti-pelagiaanse traktaten blijken de genade van het geloof en de genade van het gebed d aarentegen bijzondere anti-pelagiaanse themas en eigenstandige onderwer pen te zijn. Een eerste mogelijke verklaring voor dit verschil is dat Au gustinus ervan uitgaat dat het in een preek voor gelovigen in het midden van een liturgische gebedsdienst eerder overbodig is om te spreken o ver het begin van het geloof en het gebed, om beide aan te duiden als ge nade voor een publiek dat reeds geëngageerd is in geloof en gebed. Ten t weede zijn preken fundamenteel exhortatief en normatief van aard. Eer der dan de gratia-essentie van het morele goede leven, van het gebed en van het geloof te beschrijven willen de preken oproepen tot de mensel ijke taak om moreel hoogstaand te leven, om te bidden, om voor het juist e geloof te kiezen en om dit steeds opnieuw actief te doen. Het kinderdoopsel wordt omwille van dezelfde reden, op dezelfde wijze en met dezelfde Schriftcitaten in de anti-pelagiaanse preken als in de anti-pelagiaanse geschriften gethematiseerd, namelijk als aanduiding van de oorsprongszonde. Wel doet Augustinus dit opvallend minder in de prek en dan in de geschriften. Wellicht moet de reden hiervoor gezocht worden in het feit dat de consequentie van zijn denken over de noodzaak van de baptismus paruulorum, namelijk dat ongedoopte zuigelingen gedoemd zi jn tot de hel, pastoraal moeilijk verteerbaar is voor een breed pu bliek van gelovigen, zeker in een tijd waarin de kindersterfte aanzienli jk was. De Schriftuurlijke overeenkomst tussen de geschriften en preken betreffe nde zonde wees op een soortgelijke thematisering en behandeling van d it onderwerp in geschriften en preken. Augustinus denken over zonde zoa ls dit aanwezig is in de anti-pelagiaanse geschriften is inhoudelijk en qua behandeling volledig gelijkaardig aanwezig in de sermones. Ofscho on zonde en oorsprongszonde niet het hoofdonderwerp zijn van elke sermo< /> in de periode van de pelagiaanse controverse, komt dit onderwerp onop houdelijk terug, de ene keer eerder summier, de andere keer uitgebreid e n diepgaand. Alle belangrijke aspecten van zijn zondeleer komen aan bod in de preken. Misschien kan de verklaring voor het feit van de frequenti e en de hevigheid van Augustinus behandeling van dit onderwerp in zijn prediking liggen in het feit dat hij de these van de mogelijke zondeloos heid beschouwde als het meest aantrekkelijke aspect van het pelagia nisme voor zijn gelovigen. Augustinus had met zijn confraters nog maar p as het schisma van het donatisme bezworen, een beweging die in Noord-Afr ika heel populair was en ook de mogelijkheid van zondeloosheid naar vore n schoof. Sowieso stond binnen het filosofisch denken van die tijd zowel christelijk als heidens het ascetisme hoog in aanzien, waarbi j de veronderstelling dikwijls was dat men het goede en het rechtvaardig e leven kon bereiken als men maar zijn best deed. Dit was precies ook wa ar het schoentje wrong voor de monastieke gemeenschappen in Hadrumetum, Marseille en de Provence. De frequentie van de behandeling kan wellicht ook verklaard worden door het preekgenre. We hebben namelijk vastgesteld dat Augustinus in zijn preken vóór de controverse reeds uitvoerig en va ak preekt over zonde. Preken zijn immers moreel-exhoratief. Augustinu s wil zijn toehoorders oproepen om te bekennen zondig te zijn, berouw te betonen en te strijden tegen zondige verleidingen. Dit blijft hij ook d oen doorheen de pelagiaanse controverse. 3. Continuïteit en verschil Naast de vaststelling van de eigensoortige behandeling van de gratia- thematiek hebben we bovenstaand ook gewezen op verschillende vormen van overeenkomst en continuïteit tussen de genres. Het onderzoek van de serm ones heeft echter ook op een tweede vorm van continuïteit gewezen, na melijk op een chronologische continuïteit. De behandeling van de grat ia-thematiek binnen de sermones wordt gekenmerkt door een chronolo gische continuïteit, die parallel is aan de chronologische continuïteit van de gratia-thematiek in Augustinus systematische en polemische ge schriften. Door te wijzen op de continuïteit en te ontdekken dat een aan tal basiselementen reeds vanaf het begin in Augustinus denken en preken aanwezig zijn, wordt het ook duidelijk dat bepaalde aspecten van deze e lementen aan evolutie, verdieping, systematisering en theorievorming onderhevig waren. Er is continuïteit en ontwikkeling. Het gebruik van Sc hriftcitaten in een bepaalde betekenis of een bepaalde inhoudelijke beha ndeling van een gratia-onderwerp binnen de preken kan een zekere chro nologie in het algemeen en een situering binnen de controverse in het bi jzonder suggereren. Omwille van de sterke continuïteit is een dergelijke indicatie op zich echter nooit voldoende om tot sluitende dateringconcl usies te komen. Wat betreft de chronologie van de pelagiaanse controverse hebben we echt er wel moeten vaststellen dat het geheel van de anti-pelagiaanse sermone s de verschillende fasen van de pelagiaanse controverse niet weerspie gelt. Bepaalde aspecten van de controverse met Julianus van Aeclanum en van de zogenaamde semi-pelagiaanse controverse ontbreken nameli jk. Het debat met Julianus over de betekenis van de baptismus paruulorum en de seksuele concupiscentia is afwezig in de sermones. Ook h ebben we aangeduid dat Augustinus hoogst zelden het geloof en het gebed thematiseert als genade. Deze thematisering gebeurde uitdrukkelijk in de semi-pelagiaanse controverse. Een ander onderwerp van de discussie met Julianus en van de semi-pelagiaanse controverse, dat afwezig is in de pr eken, is dat van de predestinatie. Bovenstaand hebben we als mogelijke v erklaring voor deze lacunes gewezen op het specifieke genre van de se rmones. Een andere mogelijke verklaring is dat sermones met duidel ijke sporen van de twee latere fasen van de controverse niet bewaard zijn gebleven. Een andere optie is dat Augustinus Noord-Afrikaanse publ iek de discussie na 418 als afgesloten beschouwt. Misschien wil Au gustinus trouwens geen slapende honden wakker maken nu de gemoederen in Noord-Afrika bedaard lijken te zijn. Misschien voert hij het debat loute r in zijn briefwisseling, in zijn polemiek met Julianus en in zijn dialo og met de monastieke gemeenschappen van Hadrumetum, Marseille en de Prov ence omdat dit probleem zich niet meer stelt in Noord-Afrika en/of omdat hij dit probleem niet meer opnieuw wil oprakelen. Hij beantwoordt verwi jten en vragen aan wie ze hem stellen, maar blijkbaar werden ze hem niet (meer) gesteld vanuit zijn preekpubliek. 4. Besluit De basislijnen van Augustinus denken over de verhouding tussen de godde lijke genade en de menselijke vrijheid zijn ongewijzigd aanwezig in Augu stinus anti-pelagiaanse sermones. Er is geen inhoudelijk verschil tussen de sermones en de verhandelingen. Wel ontdekten we een eigens oortige behandeling en thematisering van de genadethematiek in de ser mones. Het gebruik van bepaalde Schriftcitaten was in overeenstemm ing met dat van de genade-geschriften. Andere Schriftcitaten waren heel kenmerkend voor de sermones, wat deels door de Schriftuurlijke instee k en deels door het liturgisch kader van de sermones kan verklaard wo rden. Ook in de preken gebruikt Augustinus de Schrift als argument. Veel meer dan in de polemische geschriften is de Schrift hierbij het uitgang spunt, aangezien preken Schriftcommentaren zijn. Net zoals in zijn polem ische geschriften wil Augustinus in zijn prediking zijn gehoor overtuige n. Om de genade-thematiek in zijn preken aan te brengen gebruikt hij zij n homiletische methodologie, die soms verschilt van de retoriek van z ijn polemische geschriften, door bijvoorbeeld uitgebreid beroep te doen op beeldspraak en door dialogen te ontspinnen. Vele van Augustinus anti -pelagiaanse geschriften hadden een concrete oorzaak. Deze concrete invl oed was ook te merken binnen de sermones. Verschillend echter met de polemische geschriften is dat Augustinus in zijn preken te maken heef t met een live audience, dat bovendien interageert met de predikant. Significant verschillend is dat in de sermones de onderwerpen van de gratia fidei en de gratia orationis niet uitdrukkelijk gethe matiseerd worden en het onderwerp van het kinderdoopsel weinig frequent expliciet besproken wordt. Het onderwerp van de zonde en de oorsprongszo nde bleek de constante factor te zijn in Augustinus anti-pelagiaanse pr ediking. Het specifiek pastoraal-exhortatief genre van de preek en de ei gensoortige inhoudelijke thematisering van de genadeproblematiek binnen de sermones bleken wederzijds met elkaar verbonden. De continuïteit t ussen de genres bleek eveneens een chronologische continuïteit te zijn, een continuïteit in ontwikkeling. Het onderzoek van de sermones ad popul um is met andere woorden een waardevolle aanvulling op het beeld van Augustinus genadeleer zoals dit naar voren komt uit zijn anti-pelagiaan se geschriften. Andere contexten leveren geen fundamenteel verschillende inzichten maar wel een verschil in vertolking en thematisering van deze lfde inzichten.status: Publishe
Effects of trunk muscle activation on trunk stability, arm power, blood pressure and performance in wheelchair rugby players with a spinal cord injury
Objective: In wheelchair rugby (WR) athletes with tetraplegia, wheelchair performance may be impaired due to (partial) loss of innervation of upper extremity and trunk muscles, and low blood pressure (BP). The objective was to assess the effects of electrical stimulation (ES)-induced co-contraction of trunk muscles on trunk stability, arm force/power, BP, and WR performance. Design: Cross-sectional study. Setting: Rehabilitation research laboratory and WR court. Participants: Eleven WR athletes with tetraplegia. Interventions: ES was applied to the rectus abdominis, obliquus externus abdominis and erector spinae muscles. For every test, the ES condition was compared to the non-ES condition. Outcome measures: Stability was assessed with reaching tasks, arm force/power with an isokinetic test on a dynamometer, BP during an ES protocol and WR skill performance with the USA Wheelchair Rugby Skill Assessment. Results: Overall reaching distance (ES 14.6 ± 7.5 cm, non-ES 13.4 ± 8.2 cm), and BP showed a significant increase with ES. Arm force (ES 154 ± 106 N, non-ES 148 ± 102 N) and power (ES 37 ± 26 W, non-ES 36 ± 25 W), and WR skills were not significantly improved. Conclusion: ES-induced trunk muscle activation positively affects trunk stability and BP, but not arm force/power. No effects were found in WR skill performance, probably due to abdominal strapping. More research is needed to assess different ES (training) protocols and longitudinal effects.</p
Effectiveness of enhanced cognitive behavioral therapy (CBT-E) for eating disorders: Study protocol for a randomized controlled trial
Background While eating disorder not otherwise specified (EDNOS) is the most common eating disorder (ED) diagnosis in routine clinical practice, no specific treatment methods for this diagnosis have yet been developed and studied. Enhanced cognitive behavioral therapy (CBT-E) has been described and put to the test as a transdiagnostic treatment protocol for all EDs, including EDNOS. Initial research in the UK suggests that CBT-E is more effective for EDs, especially bulimia nervosa (BN) and EDNOS, than the earlier version of CBT. These positive results of CBT-E have to be replicated in more detail, preferably by independent researchers in different countries. Being the first Dutch study into CBT-E, the results from this national multicenter study – on three sites specialized in EDs – will deliver important information about the effectiveness of CBT-E in several domains of ED pathology, while providing input for the upcoming update of the Dutch Multidisciplinary Guideline for the Treatment of Eating Disorders. Methods/design A multicenter randomized controlled trial will be conducted. One hundred and thirty-two adult outpatients (aged 18 years and older) with an ED diagnosis and a Body Mass index (BMI) of between 17.5 and 40 will be randomly allocated to the control or the intervention group. Subjects in the control group will receive Treatment as Usual (standard outpatient treatment provided at the participating sites). Subjects in the intervention group will receive 20 sessions of CBT-E in 20 weeks. The design is a 2 (group) × 5 (time) repeated measures factorial design in which neither therapists nor patients will be blinded for treatment allocation. The primary outcome measure is recovery from the ED. Secondary outcome measures include ED psychopathology, common mental disorders, anxiety and depressive symptoms, health-related quality of life, health care use and productivity loss. Self-esteem, perfectionism and interpersonal problems will be examined as putative predictors and mediators of the effect of treatment. Also, an economic evaluation from a societal perspective will be undertaken. All relevant effects, direct and indirect costs will be included. Utility scores will measure the effects. Measurements will take place at pretreatment, 6 weeks, 20 weeks, 40 weeks and 80 weeks. Discussion This effectiveness study into CBT-E has the aim of broadening the scope and generalizability of former studies. If CBT-E appears to be at least as effective as traditional diagnosis-specific treatments for a broad range of ED patients, training in one protocol would be sufficient for clinicians to treat patients with different kinds of EDs. It gives the opportunity to offer treatment for a severe mental disorder with fewer resources, thereby increasing the accessibility of specialized care for patients with an ED. Keywords: Eating disorders Transdiagnostic treatment Cognitive-behavioral therapy CBT-E Treatment outcome Cost-effectiveness RC
