1,285 research outputs found
Supplements – Supplemental material for Long-term outcome of elderly out-of-hospital cardiac arrest survivors as compared with their younger counterparts and the general population
Supplemental material, Supplements for Long-term outcome of elderly out-of-hospital cardiac arrest survivors as compared with their younger counterparts and the general population by Bart Hiemstra, Remco Bergman, Anthony R. Absalom, Joukje van der Naalt, Pim van der Harst, Ronald de Vos, Wybe Nieuwland, Maarten W. Nijsten and Iwan C. C. van der Horst in Therapeutic Advances in Cardiovascular Disease</p
Development of bioinformatic tools and application of novel statistical methods in genome-wide analysis
Een genoom-brede associatie studie is een methode die genen betrokken bij complexe fenotypes identificeert door het hele genoom te scannen. Deze studies leggen over het algemeen de nadruk op kwantiteit in plaats van kwaliteit: eenvoudige statistische methodes worden toegepast op genetische data van een grote groep mensen. In dit proefschrift onderzochten wij methodes om de kwaliteit van deze methoden te verbeteren. Ten eerste ontwikkelden we software voor het uitvoeren van een automatische en volledige kwaliteitscontrole over de resultaten van zulke analyses. Ten tweede pasten we survival-analyse toe op zowel time-to-event fenotypes (in dit geval: de leeftijd waarop iemand cannabis gaat gebruiken) en biomarkers met een detectielimiet. Ten derde gebruikten we een nieuwe, volledigere referentie van het genoom waarmee we 10 nieuwe genen voor nierziekte hebben gevonden. Het tweede deel van dit proefschrift richtte zich op het ontleden van de erfelijkheid. Hiertoe onderzochten wij voor 32 complexe fenotypes (waaronder lengte, bloeddruk en cholesterol niveau) hoeveel erfelijkheid verklaard wordt door reeds bekende genetische varianten, en hoeveel er maximaal verklaard kan worden door alle veelvoorkomende genetische varianten. Dit onthulde, onder andere, dat zelfs up-to-date genetische voorspellingen van complexe fenotypes nog niet accuraat genoeg zijn voor gepersonaliseerde medische voorspellingen. Ook probeerden wij de erfelijkheid van neuroticisme te verhelderen door het op verschillende nieuwe manieren te analyseren. Concluderend: de in dit proefschrift beschreven en toegepaste methodes staan toe om kwalitatief betere genoom-brede analyses en erfelijkheidsanalyses uit te voeren
Genetic variation, telomeres and heart failure
Het begrijpen van onderliggende factoren en mechanismen die leiden tot cardiovasculaire aandoeningen is van groot belang om voorspellingen te doen over het ontstaan en beloop van deze ziekten. Telomeren, welke zich bevinden aan het einde van chromosomen, beschermen tegen verlies van genetische code tijdens celdeling. Telomeren verkorten in samenhang met celdeling en oudere personen worden gekarakteriseerd door verkorte telomeren. Tevens zijn telomeren van patiënten die leiden aan cardiovasculaire aandoeningen verkort ten opzichte van leeftijdsgenoten zonder cardiovasculaire aandoeningen. In deze thesis is onderzocht of leukocyten telomeerlengte het ontstaan van hartfalen kan voorspellen. Dit bleek het geval, echter was de voorspellende waarde niet sterker dan leeftijd. Daarnaast is onderzocht of leukocyten telomeerlengte bij hartinfarctpatiënten de uitkomst van het infarct op lange termijn kan voorspellen. De pompfunctie van het hart vier maanden na het infarct bleek niet gerelateerd aan de gemeten telomeerlengte. In patiënten met hartfalen op basis van coronairlijden was telomeerlengte voorspellend voor het beloop van de ziekte, echter de voorspellende waarde was niet sterker dan de leeftijd van de patiënt. Om de rol van genetische achtergrond van hartfalen uitkomsten te onderzoeken, is geanalyseerd of risicovarianten voor coronairlijden gerelateerd zijn aan hartfalen uitkomsten. Hiervoor vonden we geen bewijs. Gebaseerd op deze onderzoeken, hebben telomeerlengte en risicovarianten van coronairlijden geen meerwaarde bovenop leeftijd, om het ontstaan en de uitkomst van cardiovasculaire aandoeningen te voorspellen
Evaluation of pericoronary adipose tissue attenuation on CT
Pericoronary adipose tissue (PCAT) is the fat deposit surrounding coronary arteries. Although PCAT is part of the larger epicardial adipose tissue (EAT) depot, it has different pathophysiological features and roles in the atherosclerosis process. While EAT evaluation has been studied for years, PCAT evaluation is a relatively new concept. PCAT, especially the mean attenuation derived from CT images may be used to evaluate the inflammatory status of coronary arteries non-invasively. The most commonly used measure, PCATMA, is the mean attenuation of adipose tissue of 3 mm thickness around the proximal right coronary artery with a length of 40 mm. PCATMA can be analyzed on a per-lesion, per-vessel or per-patient basis. Apart from PCATMA, other measures for PCAT have been studied, such as thickness, and volume. Studies have shown associations between PCATMA and anatomical and functional severity of coronary artery disease. PCATMA is associated with plaque components and high-risk plaque features, and can discriminate patients with flow obstructing stenosis and myocardial infarction. Whether PCATMA has value on an individual patient basis remains to be determined. Furthermore, CT imaging settings, such as kV levels and clinical factors such as age and sex affect PCATMA measurements, which complicate implementation in clinical practice. For PCATMA to be widely implemented, a standardized methodology is needed. This review gives an overview of reported PCAT methodologies used in current literature and the potential use cases in clinical practice.</p
Genetics of human cardiovascular traits
Dit proefschrift rapporteert over nieuwe genetische bevindingen die belangrijk zijn voor het hart- en vaatstelsel, in het bijzonder voor eigenschappen die gerelateerd zijn aan de linkerkamerfunctie en de geleiding van het hart. De bevindingen zijn vervolgens onderzocht op biologische relevantie met behulp van cel-modellen, dier-modellen en computer algoritmes. Hart- en vaatziekten behoren wereldwijd tot één van de belangrijkste doodsoorzaken en worden een steeds groter probleem in de westerse wereld door de alsmaar ouder wordende populatie. Onze kennis over de pathofysiologie van menselijke hartcellen en over factoren die de gevoeligheid voor het krijgen van hartfalen bepalen is beperkt, wat het ontwikkelen van nieuwe therapeutische middelen bemoeilijkt. Bestaande therapieën voor hart- en vaatziekten zijn begrensd, in het bijzonder de behandeling van hartfalen, en er zijn in de afgelopen decennia weinig vernieuwende therapieën ontwikkeld. In tegenstelling tot de relatieve stagnatie van de ontwikkeling in hart- en vaatziektebehandelingen, is de kennis over het menselijke genoom explosief gestegen sinds het rond 2000 in kaart werd gebracht. Genoomwijde associatie scans naar cardiovasculaire risico factoren stellen ons in staat om systematisch te onderzoeken welke variaties in het DNA belangrijk zijn voor ons hart- en vaatstelsel. Deze scans hebben in dit onderzoek veel nieuwe biologische inzichten opgeleverd en therapeutische doelwitten aangewezen. Zo hebben we genetische varianten gevonden in het kallikreine-kinine systeem die gerelateerd zijn aan bloedeigenschappen en indicatoren zijn voor falen van de linkerkamer. Deze genetische bevindingen leveren een belangrijke bijdrage aan de kennis van de werking van het hart en kunnen uiteindelijk als uitgangspunt dienen voor het ontwikkelen van nieuwe medicijnen
The burden of myocardial infarction
De laatste jaren is er veel vooruitgang geboekt in de behandeling van hartinfarct. Er valt echter nog steeds veel te verbeteren in het voorkomen van een hartinfarct en het verbeteren van de prognose na een hartinfarct. In dit proefschrift wordt beschreven dat het merendeel van de ca. 160.000 deelnemers van de LifeLines Cohort studie een of meerdere risicofactoren (zoals hoge bloeddruk of diabetes) heeft voor het krijgen van een hartinfarct en dat meer dan de helft niet met medicijnen behandeld wordt voor deze risicofactoren. Ook komt naar voren dat bij Noord-Nederlandse vrouwen onder de 50 jaar meer dan de helft van alle hartinfarcten niet onderkend was, bij mannen was dit een derde. In het tweede deel wordt beschreven dat hart-specifieke biomarkers (creatine kinase MB) de sterkste voorspellers zijn voor infarct grootte en pompfunctie van het hart na een hartinfarct. In het derde deel wordt beschreven dat een behandeling met metformine, een medicijn voor diabetes, bij mensen met een hartinfarct geen verbetering geeft van uitkomsten op lange termijn. Daarnaast wordt een overzicht gegeven van de effecten van ontstekingsremmende therapieën in de behandeling van hartinfarct en hartfalen. Een van de ontstekingsremmende therapieën, namelijk het remmen van de interleukine 6 receptor, is verder onderzocht in een dierexperimenteel model van hartinfarct en daarbij werden helaas geen positieve effecten gevonden
Heart disease in women and men:insights from Big Data
In this thesis, occurrence and detection of cardiovascular diseases and risk factors were explored and associated sex differences were investigated.It was shown that primary prevention and detection of cardiovascular disease is suboptimal is in the northern part of the Netherlands. The number of individuals with cardiovascular risk factors and cardiovascular disease is high and cardiovascular risk management is being underutilized. It was demonstrated that an increase in awareness of individuals and general practitioners on risk profiles might expand the amount of preventive medication. Interestingly, it was demonstrated that women are at higher risk for not detecting cardiovascular disease compared to men. In women, the proportion of MIs that remain unrecognized is higher compared to men in the northern part of the Netherlands. Also, electrocardiographic criteria for detecting left ventricular hypertrophy show lower accuracy in women. New sex-specific electrocardiogram criteria for detecting left ventricular hypertrophy criteria were suggested, with similar accuracy in men and women. Lastly, (novel) risk factors of cardiovascular disease were explored. Evidence for a causal relationship between blood pressure and left ventricular hypertrophy was established, but not between resting heart rate and coronary artery disease and myocardial infarction
Genomics and metabolomics insights into cardiovascular disease
Hart- en vaatziekten vormen samen de belangrijkste doodsoorzaak wereldwijd. In de afgelopen 50 jaar is er aanzienlijke vooruitgang geboekt in de definitie en identificatie van de risicofactoren en behandeling van hart- en vaatziekten, waaronder de ontwikkeling van passende medische en interventiebehandelingen. Al deze maatregelen hebben geleid tot een daling van de cardiovasculaire sterfte. Ondanks deze inspanningen zijn de mechanismen die aan de pathofysiologie van hart- en vaatziekten ten grondslag liggen, nog steeds gedeeltelijk begrepen. Het eerste ontwerp van het menselijke genoom werd vijftien jaar geleden geproduceerd (Human Genome Project), wat leidde tot een beter begrip van de genetische bijdrage van gemeenschappelijke varianten aan hart- en vaatziekten. Genoom-brede associatiestudies naar cardiovasculaire risico factoren stellen ons in staat om systematisch te onderzoeken welke variaties in het DNA belangrijk zijn voor ons hart- en vaatstelsel. Met behulp van deze scans hebben we bewijzen gevonden dat genetische varianten, die verband houden met een hogere rusthartslag, zorgen voor een hoger risico op overlijden. Verder hebben we voor coronaire hartziekte nieuwe biologische inzichten opgeleverd en therapeutische doelwitten aangewezen. Metabolomics, het bestuderen van de producten van gentranscriptie, biedt nieuwe mogelijkheden om nog onbekende biomarkers te vinden. Het biedt ook nieuwe mogelijkheden om de biologische mechanismen van ziekte te bestuderen, omdat metabolieten de producten van gentranscriptie vertegenwoordigen. Metabolomics hebben in dit onderzoek aangetoond dat bepaalde lipiden subfracties concentraties na een infarct de infarctgrootte en pompfunctie voorspellen. Deze bevindingen leveren een belangrijke bijdrage aan de kennis van de werking van het hart en vaatziekten en kunnen uiteindelijk als uitgangspunt dienen voor het ontwikkelen van nieuwe medicijnen
Alcohol septal ablation:Improving the treatment of obstructive hypertrophic cardiomyopathy
Hypertrofische cardiomyopathie (HCM) is de meest voorkomende overerfbare cardiale aandoening, aanwezig bij 1 op de 500 mensen. HCM wordt gekarakteriseerd door linkerventrikel hypertrofie en gaat vaak samen met (provoceerbare) obstructie van de linkerventrikel uitstroom baan. De eerstelijns behandeling van patiënten met een significante obstructie van de linkerventrikel uitstroom baan is met negatief inotrope medicatie (beta-blokkers, verapamil en disopyramide). In de 5-10% van de patiënten die ernstig symptomatisch blijven ondanks optimale medicamenteuze therapie is septale reductie therapie geïndiceerd, door middel van chirurgische myectomie of alcohol septum ablatie (ASA). ASA werd geïntroduceerd door Ulrich Sigwart in 1995 als een percutaan alternatief voor chirurgische myectomie. Omdat er door de intracoronaire injectie van alcohol een potentieel aritmogeen ablatie-litteken ontstaat, waren er veel zorgen over de veiligheid van ASA. In het polariserende debat over de rol van ASA dat volgde zijn de meeste argumenten gebaseerd op kortlopende follow-up studies. Het doel van deze thesis is om met behulp van lange-termijn resultaten 1) te kunnen beslissen over de rol van ASA binnen de behandeling van obstructieve HCM, ten opzichte van myectomie; 2) manieren te vinden om de uitkomst van ASA te verbeteren; 3) te onderzoeken welke patiënten baat kunnen hebben bij ASA, buiten de huidige ‘expert opinion’ richtlijnen om; en 4) ASA patiënten te betrekken bij huidige risicostratificatie-modellen voor de voorspelling van plotse hartdood
Metformin and preservation of left ventricular function
Metformine is het meest gebruikte geneesmiddel bij de behandeling van diabetes. Verschillende studies hebben gesuggereerd dat metformine beschermende effecten op het hart zou kunnen uitoefenen. Dit proefschrift beschrijft de rol van metformine bij patiënten, zonder diabetes, die zich presenteren met een acuut hartinfarct. In een retrospectivee analyse van een cohort van patiënten met een acuut hartinfarct vonden we dat metformine de myocardbeschadiging (myocard infarct grootte) tijdens het hartinfarct zou kunnen verlagen. Daarom voerden wij de GIPS-III-studie bij Universitair Medisch Centrum Groningen, waarbij patiënten met een acuut myocardinfarct, zonder diabetes, willekeurig werden toegewezen aan ofwel metformine ofwel placebo.De belangrijkste uitkomstmaten waren de linker ventrikel ejectiefractie (een maat voor de pompfunctie van het hart), myocard infarct grootte (een maat voor de hoeveelheid myocardiale schade opgelopen tijdens het hartinfarct) en het cardiovasculair risicoprofiel (een combinatie van parameters die worden gebruikt om het toekomstige risico op cardiovasculaire gebeurtenissen te beoordelen). Metformine verbeterde de linker ventrikel ejectiefractie van het hart, zoals gemeten middels MRI, niet. Daarnaast vonden we geen effecten van metformine op de vermindering van de myocard infarct grootte. Metformine verbeterde wel het cardiovasculair risicoprofiel, zij het marginaal. Concluderend is er geen bewijs voor het gebruik van metformine ondersteunen na een acuut myocard infarct
- …
