129 research outputs found
Evaluation of the effect of transder¬mal substitution therapy in postmenopausal patients by hysteroscopy
Endometrial response to percutaneous estradiol combined with low-dose oral micronized progesterone: hysteroscopic aspects
Quality indicators for pharmacist follow-up of diabetes mellitus: A RAND-modified Delphi method
IntroductionDiabetes mellitus is a complex condition with high morbidity which requires a multidisciplinary approach including pharmacist follow-up. Within primary care medicine, quality indicators combined with audit and feedback are described as quality improvement actions which facilitate change. However, since existing guidelines regarding pharmaceutical care for people living with diabetes mellitus are not validated in Belgium, their recommendations cannot be translated into quality indicators without content validation.AimWe aimed to define a set of validated and pharmaceutical record extractable quality indicators, to evaluate the quality of care provided by Belgian pharmacists to people living with diabetes.MethodWe used a RAND-modified Delphi method. Recommendations from (inter)national guidelines were selected according to the SMART principle. A multidisciplinary Belgian panel (N = 12), consisting of pharmacists, general practitioners, an endocrinologist, a representative of the pharmacists' association, a population manager, a data provider representative, and two diabetes patients, assessed the appropriateness of recommendations for their use as quality indicators. Recommendations received a first preliminary classification after analysis of the median Likert scale scores, prioritization rates, and agreement. Hereafter the recommendations were discussed by the panel in an online consensus meeting. A final validation round resulted in high-potential recommendations which were converted into QIs.ResultsA total of 82 recommendations were presented to the panel, which resulted in a set of 24 high-potential recommendations that were merged and modified into 14 recommendations based on the panel members' advice. Three of these, related to influenza and pneumococcal polysaccharide vaccine delivery, and dispensing of blood glucose influencing and sugar-containing medication, could be converted into extractable quality indicators.ConclusionThis study defines a set of 14 quality indicators - covering screening, pharmacological treatment and patient education and lifestyle management - to evaluate the quality of care provided by Belgian pharmacists to people living with diabetes. Based on this quality assessment, the necessary improvement actions can be identified, implemented, and evaluated to strive for the most optimal care provision, aligning with evidence-based recommendations.We acknowledge the members of the expert and patient panel for their participation in the development of quality indicators for Diabetes mellitus: S. Van den Bulck (general practitioner), S. Teughels (general practitioner), D. Broeckx (pharmacist), S. Lenaerts (pharmacist), K. Verlinde (pharmacist), A. Slabbaert (pharmacist), I. De Wulf (pharmacist and representative of the pharmacists’ association), M. Claeys (pharmacist and population manager), M. Buyl (pharmacist and data provider representative), Prof. Dr. A. Mertens (endocrinologist), R. Laureys (patient) and B. Maes (patient). The final set of quality indicators is a consolidation of the group’s consensus. The opinion of individual panel members on individual indicators may by slightly diferent
De rol van televisiekijken in de seksuele socialisatie van de adolescent
Inhoudsanalyses geven aan dat seksueel-georiënteerde boodschappen freque nt voorkomen in televisieprogramma's; zowel voor, in als na primetime; s oms visueel manifest, maar vooral verwerkt in verhaallijnen en dialogen. Deze vaststelling heeft een beperkt maar groeiend aantal onderzoekers i n de Verenigde Staten geïnspireerd om na te gaan of blootstelling aan de ze boodschappen gevolgen heeft voor jonge televisiekijkers. Geïnspireerd door de cultivatie-, priming of social learning theorie, hebben zij een relatie gerapporteerd tussen televisiekijken en de seksuele verwachting en en gedragingen van Amerikaanse adolescenten. Verifiëren of zulke verb anden ook in een Vlaamse context optreden, was het eerste doel van dit o nderzoek. In 9 Vlaamse scholen werd een panel van 883 12-jarigen gevolgd tot de leeftijd van 14 en een panel van 651 15-jarigen tot de leeftijd van 17. Analyses tonen een positieve samenhang tussen de hoeveelheid tel evisiekijken enerzijds en stereotype opvattingen over seksueel gedrag en verwachtingen over de seksuele ervaring van leeftijdsgenoten anderzijds . De betekenis van dergelijke bevindingen wordt echter overschaduwd door h et aangrijpen van een aantal ongecontroleerde veronderstellingen als ver klaring. Zo gaan de bestaande studies ervan uit (1) dat enkel na manifes te blootstelling een effect kan optreden, (2) dat specifiek onervaren ad olescenten bijzonder kwetsbaar zijn voor seksuele media-effecten, en (3) dat adolescenten, precies omdat ze adolescent zijn, doelbewust op zoek gaan naar seksueel-georiënteerde programmas. Deze ongecontroleerde maar invloedrijke veronderstellingen empirisch toetsen was het tweede doel v an de studie. 1/ Het onderzoek naar seksuele televisie-effecten is op de leest geschoeid van onderzoek naar de effecten van televisiegeweld. In geweldstudies wordt de nadruk gelegd op blootstelling aan relevante v oorbeelden. In navolging daarvan is men ervan uitgegaan dat ook seksuele effecten voortkomen uit de observatie van manifeste seksuele modellen. Het sexual socialization perspective wijst er echter op dat de seksuel e ontwikkeling vooral bestaat uit het oppikken van genderrollen, van nor men over geschikt omgangsgedrag, van opvattingen over schoonheid, enzovo ort. Dergelijke aspecten worden niet zozeer opgenomen uit manifest seksu eel-georiënteerde voorbeelden maar veeleer impliciet meegegeven via inho uden die bijvoorbeeld bepaalde waarden communiceren of bepaalde man-vrou wverhoudingen portretteren. De hypothese is dan dat seksuele televisie-e ffecten het resultaat zijn van zogenoemde metanarratives, impliciete b oodschappen verweven in diverse soorten van televisie-inhouden. Deze hyp othese krijgt indirecte steun. Zo is de relatie met algemeen televisieki jkvolume doorgaans sterker dan de relatie met specifiek seksueel-georiën teerde blootstelling. Bovendien onthullen de analyses ook relaties met g enres die doorgaans niet als seksueel-georiënteerd worden beschouwd. 2/ Seksueel effectonderzoek heeft zich uitsluitend op kijkers in d e adolescentie gericht. Men heeft verondersteld dat jonge, onervaren tel evisiekijkers geen verweer hebben tegen de boodschappen van televisie, d at adolescenten, vanaf een bepaald ontwikkelingsniveau en tot ze een bep aalde graad van seksuele ervaring hebben bereikt, bijzonder kwetsbaar zi jn voor een seksueel televisie-effect. Deze susceptibility hypothesis werd nog niet empirisch getoetst. Uit deze studie blijkt dat het e ffect van televisiekijken inderdaad pas nadrukkelijk optreedt wanneer d e jonge kijker een bepaald niveau van puberale ontwikkeling heeft bereik t. Omgekeerd verdwijnt de impact van televisie echter niet als de jonge televisiekijker meer eigen seksuele ervaring verwerft. Een latent grow th curve analysis specificeert dat de kans op een effect van televisieki jken groter is bij jonge kijkers die vroegrijp zijn; in een later stadiu m verdwijnt die verhoogde kwetsbaarheid bij vroegrijpe jongeren en worde n vooral adolescenten wier lichamelijke en seksuele ontwikkeling veeleer traag verloopt sterker beïnvloed. 3/ De veronderstelde kwetsbaarheid voor een effect is de eers te reden waarom onderzoek zich op adolescenten heeft gericht. Een tweede reden is de veronderstelde betrokkenheid van adolescenten bij seksueel- georiënteerde boodschappen. Precies omdat adolescenten lichamelijke, cog nitieve en psychische veranderingen doormaken die seksualiteit op het vo orplan brengen, wordt geopperd dat jongeren intentioneel op zoek gaan na ar seksueel georiënteerde boodschappen (op bv. televisie). De daarbij aa nsluitende hypothese is dat adolescenten door die actieve betrokkenheid extra worden beïnvloed. De resultaten van deze studie tonen inderdaad een zekere betrokkenheid b ij seksueel-georiënteerde boodschappen. Adolescenten lijken de programma s waarin het vaak over relaties en seksualiteit gaat echter niet doelbe wust op te zoeken; concepten als inheritance en channel loyalty blij ken de beste voorspellers van seksueel-georiënteerde blootstelling. Voor ts geven de analyses aan dat betrokkenheid niet de veronderstelde rol sp eelt. Zo is de betrokkenheid bij seksueel-georiënteerde programmas niet gerelateerd aan ontwikkelingskenmerken. In tegenstelling tot de essenti e van de hypothese, die stelt dat de betrokkenheid hoog is omdat men in een bepaalde ontwikkelingsfase komt en een bepaald seksueel ervaringsniv eau heeft, hangt betrokkenheid niet samen met dergelijke ontwikkelingen. De betrokkenheid is bijvoorbeeld niet noodzakelijk hoog bij adolescente n met beperkte seksuele ervaring. Bovendien zien we dat de betrokkenheid niet inspeelt op de sterkte van het televisie-effect. Deze resultaten werpen een wat ambigu licht op studies die een relatie r apporteerden tussen televisiekijken en seksuele opvattingen en gedraging en. De veronderstellingen die het verband moesten verklaren - een beperk te ervaring en ontwikkelende puberteit verhogen de betrokkenheid en verl agen de weerstand - blijken niet evident. De actuele televisie-effectthe orieën volstaan niet om seksuele televisie-effecten te verklaren. Anderz ijds kunnen onze bevindingen ook geïnterpreteerd worden als een bevestig ing van de maatschappelijke bezorgdheid die door Amerikaanse studies is ontstaan. Zo geeft deze studie aan dat het veronderstelde proces van beï nvloeding niet beperkt hoeft te blijven tot een bepaalde periode van bij zondere kwetsbaarheid. Bovendien zijn de effecten wellicht niet het gevo lg van een intentioneel zoekgedrag, maar treden ze incidenteel op, d.w.z . ook bij de onschuldige kijker die niet op zoek was naar indrukken en kennis over seksualiteit.status: Publishe
"It could happen to you." Television and health risk perception.
Dagelijks maken we allemaal bewust of onbewust een aantal risicobeoordelingen. We schatten dan de kans in dat er ons een negatieve gebeurtenis of gevaar zou kunnen overkomen. Vooral gezondheidsproblemen zoals kanker of hartaandoeningen lijken een grote zorg voor veel mensen. Televisie wordt over het algemeen beschouwd als een belangrijke bron van informatie over zulke gezondheidsproblemen. Maar beïnvloedt televisie de risicoperceptie van kijkers over gezondheid (vb: het geloof dat er een kans is dat jij of anderen kanker zullen krijgen)? En als dat zo is, hoe gebeurt dat dan? Dat zijn d e belangrijkste onderzoeksvragen die in deze doctoraatsstudie werden onderzocht. In de eerste plaats wilden we met deze studie nagaan of er een verband is tussen kijken naar boodschappen over gezondheidsproblemen op televisie en risicoperceptie over gezondheid. In een eerste deel van het doctoraatsproject voerden we een inhoudsanalyse uit naar de voorstelling van gezondheidsboodschappen op de Vlaamse televisie. De inhoudsanalyse ging na hoe vaak boodschappen over gezondheidsproblemen aan bod komen op televisie en of die boodschappen op een zodanige manier gepresenteerd worden dat ze de risicoperceptie van kijkers kunnen beïnvloeden en positief gezondheidsgedrag kunnen promoten of juist verhinderen. De resultaten toonden aan dat zowel nieuws & duidingprogrammas als entertainmentprogrammas een grote hoeveelheid gezondheidboodschappen tonen. Bovendien worden gezondheidsboodschappen op zon manier geportretteerd dat kijkers ervan zouden kunnen leren dat ze een grote kans hebben om een gezondheidaandoening te krijgen. Televisie besteedt opmerkelijk minder aandacht aan boodschappen over preventie of behandeling. In het kader van gezondheidspromotie is dat zorgwekkend. Onderzoek toont immers aan dat een hoog ingeschat risico in c ombinatie met geen of weinig informatie over hoe dat risico voorkomen kan worden, niet leidt tot preventief gedrag maar eerder tot het negeren van dit risico. Een tweede studie in deze doctoraatsthesis had als doel te onderzoeken of er een verband bestaat tussen kijken naar televisieboodschappen over gezondheidsproblemen enerzijds en risicoperceptie over gezondheid anderzijds. Gegevens van survey-interviews bij 905 Vlaamse respondenten toonden aan dat televisie een significante voorspeller kan zijn van risicopercepties. Kijkers die frequent waren blootgesteld aan televisieboodschappen over gezondheidsproblemen schatten het risico dat zijzelf of andere personen in de toekomst een gezondheidsaandoening zouden krijgen over het algemeen hoger in dan kijkers die minder vaak zulke televisiebeelden hadden gezien. Een tweede doel van deze doctoraatsstudie was om na te gaan hoe televisiekijken risicoperceptie over gezondheid zou kunnen beïnvloeden. Op basis van voorgaand onderzoek en bestaande theorieën over hoe individuen risicos inschatten werd een nieuw theoretisch model opgesteld. Volgens dit model kan risicoperceptie gevormd worden op basis van (a) cognitieve evaluaties van een gezondheidsaandoening (gepercipieerde ernst, gepercipieerde self-efficacy) en (b) affectieve of emotionele reacties op de gezondheidsaandoening, zoals angst. Zowel de cognitieve als de emotionele evaluatie kunnen beïnvloed worden door televisiekijken. Resultaten van het survey-onderzoek toonden aan dat deelnemers die vaak waren blootgesteld aan televisieboodschappen over gezondheidsproblemen angstiger waren om een aandoening te krijgen. Verder bleek dat de meeste individuen hun risico eerst gevoelsmatig inschatten (affectieve risicoperceptie) vooraleer ze een meer cognitieve risico-inschatting maakten (cognitieve risicoperceptie). Wat betreft gepercipieerde ernst en gepercipieerde self-efficacy waren de resultaten minder eenduidig. Tenslotte bleek dat blootstelling aan televisieboodschappen over gezondheidsaandoeningen indirect en positief gerelateerd was aan intenties om positief gezondheidsgedrag te stellen. Respondenten die vaak boodschappen over gezondheidsproblemen hadden gezien rapporteerden een hogere angst om een aandoening te krijgen en die angst leidde op haar beurt tot verhoogde gedragsintenties. &nbs p; In een derde deel van deze doctoraatsthesis wilden we (1) de causale richting van het verband tussen televisiekijken en risicoperceptie nagaan en (2) de rol van angst als tussenliggende variabele verder onderzoeken. In een experiment testten we het effect van blootstelling aan een narratieve en een non-narratieve boodschap over huidkanker op risicoperceptie over huidkanker, angst, positief gezondheidsgedrag en zoekgedrag naar bijkomende informatie over huidkanker. Zowel korte als lange termijn effecten werden onderzocht. Over het algemeen lagen de resultaten in lijn met de bevindingen van het survey-onderzoek. Blootstelling aan een narratieve boodschap over huidkanker leidde tot meer angstreacties, meer angst om huidkanker te krijgen en een verhoogde risicoperceptie. Angstreacties en angst om huidkanker te krijgen medieerden het effect van de narratieve boodschap op risicoperceptie. Door het verhogen van angst was blootstelling aan de narratieve boodschap positief gerelateerd aan intenties om preventieve actie te ondernemen en aan intenties om bijkomende informatie over huidkanker op te zoeken. Sterker nog, deelnemers die waren blootgesteld aan de narratieve boodschap hadden een maand na het experiment twee tot vier keer meer kans om preventief gedrag te hebben gesteld om huidkanker te voorkomen dan deelnemers uit de controlegroep.status: Publishe
Impactanalyse Stichting Palga:De impact van Palga op de Nederlandse gezondheidszorg volgens stakeholders: huidige stand van zaken en innovatiekansen
SamenvattingAanleiding en doelstellingStichting Palga, het Pathologisch Anatomisch Landelijk Geautomatiseerd Archief, is opgericht met alsdoel excellente ondersteuning aan de patholoog te leveren bij diagnostiek en behandelkeuzes. Daarnaastverzamelt en beheert Palga gestructureerde pathologiedata in een centrale gepseudonimiseerdepatiëntendatabase voor wetenschappelijk onderzoek, beleid en innovatie. Externe partijen kunnen dezeraadplegen om de kwaliteit en patiëntveiligheid te monitoren en bevorderen. De stichting wordt jaarlijksgesubsidieerd door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).Om de waarde van Palga duidelijker te kunnen maken aan VWS en anderen wil Palga onder andere metstakeholders in gesprek over haar rollen, gepercipieerde impact en mogelijkheden voor de toekomst.Palga heeft de Academische Werkplaats Duurzame Zorg (AWDZ) van de Universiteit Maastricht gevraagddeze impactanalyse onder haar stakeholders wetenschappelijk te begeleiden door middel van eenDelphi studie.De doelstelling van deze impactanalyse was tweeledig:- Om gestructureerd in kaart te brengen welke aspecten van Palga welke impact genereren volgensdiverse stakeholders binnen de Nederlandse gezondheidszorg; en- Te verkennen welke andere mogelijke bijdragen Palga volgens stakeholders al levert of in detoekomst zou kunnen leveren door middel van innovatie.Methodologie en deelnemende expertsMet een Delphi studie, een participatieve onderzoeksmethode, kon de mate van overeenstemmingtussen stakeholders worden bepaald over de gepercipieerde huidige en mogelijke impact van Palga opverschillende gebieden. Op basis van een recent door Palga uitgevoerde stakeholderanalyse werd eenselectie gemaakt van stakeholders voor deelname aan het zogenoemde Delphi panel. Het panel bestonduit 17 experts, met onder andere pathologen en onderzoekers van verscheidene instituten.Inventarisatie van impactindicatorenTer voorbereiding werd door de onderzoekers van de Universiteit Maastricht een document analyseuitgevoerd om mogelijke impactindicatoren te inventariseren. Aan de hand van door Palga aanleverdedocumentatie, hebben de onderzoekers indicatoren geïdentificeerd en voorgelegd aan Palga. Ditresulteerde in een set van 27 indicatoren om de impact en innovatiekansen van Palga op de Nederlandsegezondheidszorg volgens stakeholders in kaart te brengen. Deze indicatoren zijn onderverdeeld in driecategorieën: 1) diagnostiek en patiëntenzorg (n=10); 2) secundair gebruik (n=10); en 3) gezondheidszorgen volksgezondheid (n=7).De 3 fasen van de Delphi studieDe studie begon met een eerste online survey (survey A). In deze eerste survey beoordeelden alle expertsde (mogelijke) impact van Palga op alle 27 indicatoren. Per indicator werd gevraagd naar hun perceptievan de huidige impact van Palga, en of Palga haar impact zou moeten en kunnen vergroten in de toekomst(beiden op een 9-punts schaal). Daarnaast konden experts aanvullende indicatoren toevoegen die niet inde survey waren opgenomen: er werd één indicator toegevoegd, waarmee het totaal op 28 indicatorenkwam. Na deze initiële beoordeling vond een fysieke groepsbijeenkomst plaats met de experts. Het doelwas om inhoudelijke discussie te faciliteren, experts tot nadenken aan te zetten over de impact van PalgaImpact-analyse Stichting Palga3en om te brainstormen over innovatiekansen voor Palga. Tot slot werd een tweede online survey (surveyB) afgenomen, waarin experts de kans kregen een herbeoordeling te geven voor de indicatoren waar zemogelijk op basis van de gedeelde informatie tot nieuwe inzichten waren gekomen.De scores met betrekking tot de impact van Palga, werden geanalyseerd aan de hand van de mediaan eninterkwartielafstand (IKA). De mediaan score bepaalde de richting en mate van gepercipieerde impact,namelijk negatief (mediaan score 1-3), onzeker (mediaan score 4-6) of positief (mediaan score 7-9). Demate van consensus tussen experts werd bepaald aan de hand van de IKA, waarbij IKA≤1,5 consensus enIKA>1,5 geen consensus betekende. Voor de innovatiekansen per indicator werd bekeken hoeveelprocent van de experts hierop een 7, 8 of 9 hadden gescoord.Resultaten gepercipieerde impact van PalgaUit zowel de initiële beoordeling als de eindbeoordeling in survey B bleek dat er onzekerheid en/of eengebrek aan consensus bestaat binnen het Delphi panel over de impact van Palga op vrijwel alleindicatoren. Voor 15 van de 28 indicatoren kwam dit tot uiting door zowel een mediaan score in deonzekere range (i.e. 4, 5 of 6) als een gebrek aan consensus (i.e. IKA >1,5). De impact van geen enkeleindicator werd als negatief beoordeeld. Na survey B varieerde de mediaan score voor de impact van Palgatussen de 5 en 8. De mediaan scores voor indicatoren waren relatief hoger in de categorie ‘Secundairgebruik’, ten opzichte van de andere twee categorieën ‘Diagnostiek en patiëntenzorg’ en ‘Gezondheidzorgen volksgezondheid’. De enige indicator die door de experts als positief werd beoordeeld én waar tevensconsensus over bestond was ‘Waarborging van privacy van patiënten (in wetenschap)’.Resultaten innovatiekansen en richtingen voor de toekomstUit beide surveys en de discussie tijdens de fysieke bijeenkomst kwam naar voren dat experts veelinnovatiekansen zien voor Palga. Het percentage experts dat een 7, 8 of 9 scoorde op de vraag of Palgahaar impact zou moeten en kunnen vergroten varieerde tussen de 35,5% en 100%. Deze laatste betrofde indicator ‘Beschikbaarheid van pathologie en moleculaire data voor secundair gebruik’. Evenals derelatief hogere medianen voor de indicatoren in de categorie ‘Secundair gebruik’, zijn ook de percentagesexperts met hoge scores op de innovatiekansen relatief gezien hoger binnen deze categorie.Innovatiekansen zijn volgens experts mogelijk binnen alle categorieën van indicatoren. Als richting voorinnovatie voor het primaire proces gaven een aantal experts aan behoefte te hebben aan meerspiegelinformatie om de ‘cirkel te sluiten’ van diagnostiek, zorginterventies en patiëntuitkomsten.Hiervoor is centrale regie nodig. Ondanks dat Palga hier volgens de experts niet de regie in hoort tepakken, biedt de infrastructuur van Palga wel de juiste mogelijkheden om spiegelinformatie aan te bieden.Binnen de categorie ‘Secundair gebruik’ gaven de experts aan dat standaardisatie belangrijk is en dat Palgamet de ontwikkeling van protocollen hier al een belangrijke stap in heeft gezet. Tegelijkertijd geven deexperts aan dat er nog te veel variatie bestaat in hoe gegevens worden ingevuld en geëxtraheerd. Dit kanvolgens de experts worden toegeschreven aan onder andere de leesbaarheid van de protocollen endiverse voorkeuren onder stakeholders over de vastlegging van gegevens. Verbeteringen in deprotocollen van Palga, evenals een uniformere aanpak qua registratie, kunnen de variatie indatavastlegging verminderen en de efficiëntie van secundair gebruik vergroten. Tot slot gaven experts bijde bespreking van de categorie ‘Gezondheidszorg en volksgezondheid’ aan dat innovaties op het gebiedvan de infrastructuur nodig zijn om tot een zelflerend zorgsysteem te komen. Data- enregistratiesystemen zouden in Nederland veel beter met elkaar moeten kunnen communiceren. Palga kanhier wel een rol in spelen, maar centrale regie is onontbeerlijk.Impact-analyse Stichting Palga4Conclusies en aanbevelingenUit de discussie tijdens de fysieke bijeenkomst komt naar voren dat Palga door haar stakeholders wordtbeschouwd als een unieke ‘best practice’ voor de beschikbaarheid en het delen van pathologiedata, zowelnationaal als internationaal. Daarmee wordt Palga gezien als essentieel voor de Nederlandsegezondheidszorg. De bevindingen uit deze Delphi studie bieden een basis voor Palga om verder in gesprekte gaan met hun diverse stakeholders (e.g. pathologen, andere medische professionals en onderzoekers)en de innovatiekansen voor de toekomst gezamenlijk te prioriteren
Impactanalyse Stichting Palga:De impact van Palga op de Nederlandse gezondheidszorg volgens stakeholders: huidige stand van zaken en innovatiekansen
SamenvattingAanleiding en doelstellingStichting Palga, het Pathologisch Anatomisch Landelijk Geautomatiseerd Archief, is opgericht met alsdoel excellente ondersteuning aan de patholoog te leveren bij diagnostiek en behandelkeuzes. Daarnaastverzamelt en beheert Palga gestructureerde pathologiedata in een centrale gepseudonimiseerdepatiëntendatabase voor wetenschappelijk onderzoek, beleid en innovatie. Externe partijen kunnen dezeraadplegen om de kwaliteit en patiëntveiligheid te monitoren en bevorderen. De stichting wordt jaarlijksgesubsidieerd door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).Om de waarde van Palga duidelijker te kunnen maken aan VWS en anderen wil Palga onder andere metstakeholders in gesprek over haar rollen, gepercipieerde impact en mogelijkheden voor de toekomst.Palga heeft de Academische Werkplaats Duurzame Zorg (AWDZ) van de Universiteit Maastricht gevraagddeze impactanalyse onder haar stakeholders wetenschappelijk te begeleiden door middel van eenDelphi studie.De doelstelling van deze impactanalyse was tweeledig:- Om gestructureerd in kaart te brengen welke aspecten van Palga welke impact genereren volgensdiverse stakeholders binnen de Nederlandse gezondheidszorg; en- Te verkennen welke andere mogelijke bijdragen Palga volgens stakeholders al levert of in detoekomst zou kunnen leveren door middel van innovatie.Methodologie en deelnemende expertsMet een Delphi studie, een participatieve onderzoeksmethode, kon de mate van overeenstemmingtussen stakeholders worden bepaald over de gepercipieerde huidige en mogelijke impact van Palga opverschillende gebieden. Op basis van een recent door Palga uitgevoerde stakeholderanalyse werd eenselectie gemaakt van stakeholders voor deelname aan het zogenoemde Delphi panel. Het panel bestonduit 17 experts, met onder andere pathologen en onderzoekers van verscheidene instituten.Inventarisatie van impactindicatorenTer voorbereiding werd door de onderzoekers van de Universiteit Maastricht een document analyseuitgevoerd om mogelijke impactindicatoren te inventariseren. Aan de hand van door Palga aanleverdedocumentatie, hebben de onderzoekers indicatoren geïdentificeerd en voorgelegd aan Palga. Ditresulteerde in een set van 27 indicatoren om de impact en innovatiekansen van Palga op de Nederlandsegezondheidszorg volgens stakeholders in kaart te brengen. Deze indicatoren zijn onderverdeeld in driecategorieën: 1) diagnostiek en patiëntenzorg (n=10); 2) secundair gebruik (n=10); en 3) gezondheidszorgen volksgezondheid (n=7).De 3 fasen van de Delphi studieDe studie begon met een eerste online survey (survey A). In deze eerste survey beoordeelden alle expertsde (mogelijke) impact van Palga op alle 27 indicatoren. Per indicator werd gevraagd naar hun perceptievan de huidige impact van Palga, en of Palga haar impact zou moeten en kunnen vergroten in de toekomst(beiden op een 9-punts schaal). Daarnaast konden experts aanvullende indicatoren toevoegen die niet inde survey waren opgenomen: er werd één indicator toegevoegd, waarmee het totaal op 28 indicatorenkwam. Na deze initiële beoordeling vond een fysieke groepsbijeenkomst plaats met de experts. Het doelwas om inhoudelijke discussie te faciliteren, experts tot nadenken aan te zetten over de impact van PalgaImpact-analyse Stichting Palga3en om te brainstormen over innovatiekansen voor Palga. Tot slot werd een tweede online survey (surveyB) afgenomen, waarin experts de kans kregen een herbeoordeling te geven voor de indicatoren waar zemogelijk op basis van de gedeelde informatie tot nieuwe inzichten waren gekomen.De scores met betrekking tot de impact van Palga, werden geanalyseerd aan de hand van de mediaan eninterkwartielafstand (IKA). De mediaan score bepaalde de richting en mate van gepercipieerde impact,namelijk negatief (mediaan score 1-3), onzeker (mediaan score 4-6) of positief (mediaan score 7-9). Demate van consensus tussen experts werd bepaald aan de hand van de IKA, waarbij IKA≤1,5 consensus enIKA>1,5 geen consensus betekende. Voor de innovatiekansen per indicator werd bekeken hoeveelprocent van de experts hierop een 7, 8 of 9 hadden gescoord.Resultaten gepercipieerde impact van PalgaUit zowel de initiële beoordeling als de eindbeoordeling in survey B bleek dat er onzekerheid en/of eengebrek aan consensus bestaat binnen het Delphi panel over de impact van Palga op vrijwel alleindicatoren. Voor 15 van de 28 indicatoren kwam dit tot uiting door zowel een mediaan score in deonzekere range (i.e. 4, 5 of 6) als een gebrek aan consensus (i.e. IKA >1,5). De impact van geen enkeleindicator werd als negatief beoordeeld. Na survey B varieerde de mediaan score voor de impact van Palgatussen de 5 en 8. De mediaan scores voor indicatoren waren relatief hoger in de categorie ‘Secundairgebruik’, ten opzichte van de andere twee categorieën ‘Diagnostiek en patiëntenzorg’ en ‘Gezondheidzorgen volksgezondheid’. De enige indicator die door de experts als positief werd beoordeeld én waar tevensconsensus over bestond was ‘Waarborging van privacy van patiënten (in wetenschap)’.Resultaten innovatiekansen en richtingen voor de toekomstUit beide surveys en de discussie tijdens de fysieke bijeenkomst kwam naar voren dat experts veelinnovatiekansen zien voor Palga. Het percentage experts dat een 7, 8 of 9 scoorde op de vraag of Palgahaar impact zou moeten en kunnen vergroten varieerde tussen de 35,5% en 100%. Deze laatste betrofde indicator ‘Beschikbaarheid van pathologie en moleculaire data voor secundair gebruik’. Evenals derelatief hogere medianen voor de indicatoren in de categorie ‘Secundair gebruik’, zijn ook de percentagesexperts met hoge scores op de innovatiekansen relatief gezien hoger binnen deze categorie.Innovatiekansen zijn volgens experts mogelijk binnen alle categorieën van indicatoren. Als richting voorinnovatie voor het primaire proces gaven een aantal experts aan behoefte te hebben aan meerspiegelinformatie om de ‘cirkel te sluiten’ van diagnostiek, zorginterventies en patiëntuitkomsten.Hiervoor is centrale regie nodig. Ondanks dat Palga hier volgens de experts niet de regie in hoort tepakken, biedt de infrastructuur van Palga wel de juiste mogelijkheden om spiegelinformatie aan te bieden.Binnen de categorie ‘Secundair gebruik’ gaven de experts aan dat standaardisatie belangrijk is en dat Palgamet de ontwikkeling van protocollen hier al een belangrijke stap in heeft gezet. Tegelijkertijd geven deexperts aan dat er nog te veel variatie bestaat in hoe gegevens worden ingevuld en geëxtraheerd. Dit kanvolgens de experts worden toegeschreven aan onder andere de leesbaarheid van de protocollen endiverse voorkeuren onder stakeholders over de vastlegging van gegevens. Verbeteringen in deprotocollen van Palga, evenals een uniformere aanpak qua registratie, kunnen de variatie indatavastlegging verminderen en de efficiëntie van secundair gebruik vergroten. Tot slot gaven experts bijde bespreking van de categorie ‘Gezondheidszorg en volksgezondheid’ aan dat innovaties op het gebiedvan de infrastructuur nodig zijn om tot een zelflerend zorgsysteem te komen. Data- enregistratiesystemen zouden in Nederland veel beter met elkaar moeten kunnen communiceren. Palga kanhier wel een rol in spelen, maar centrale regie is onontbeerlijk.Impact-analyse Stichting Palga4Conclusies en aanbevelingenUit de discussie tijdens de fysieke bijeenkomst komt naar voren dat Palga door haar stakeholders wordtbeschouwd als een unieke ‘best practice’ voor de beschikbaarheid en het delen van pathologiedata, zowelnationaal als internationaal. Daarmee wordt Palga gezien als essentieel voor de Nederlandsegezondheidszorg. De bevindingen uit deze Delphi studie bieden een basis voor Palga om verder in gesprekte gaan met hun diverse stakeholders (e.g. pathologen, andere medische professionals en onderzoekers)en de innovatiekansen voor de toekomst gezamenlijk te prioriteren
[medal] Penning voor de 850e Verjaardag van de oprichting van de kapel van O.L.V. van Hanswijk te Mechelen.
Oud plaatsnummer B.1838/5Recto: Het beeld van O.L.V. van Hanswijk met kind op de linkerarm gehuld in een Spaanse mantel en staande op een versierde boord ; rondom bovenaan, NOTRE DAME D'HANSWYCK en onderaan op de afsnede, tussen twee engelenkopjes, LE 15 / AOUT 1838 / * ; rondom een geprofileerde rand.Verso: Het gekroonde en met twee bloemenguirlandes versierde wapenschild van Mechelen met rondom bovenaan, JUBILÉ DE 850 ANS en onderaan op de afsnede, MALINES / * ; rondom een geprofileerde rand.Guioth, J-L. Histoire numismatique de la Révolution belge, ou Description raisonnée des médailles, des jetons et des monnaies qui ont été frappés depuis le commencement de cette révolution jusqu'à ce jour. Hasselt: Milis, 1844, p. 253 pl. XXXVI nr. 262.Tourneur, V. Catalogue des Médailles du Royaume de Belgique. Tome premier (1830-1847), Brussel, 1911, p. 130 nr. 460, pl. XV nr. 6.Van Bulck, G., Van Leemput, C. en Smets, G., De gelegenheids- en devotiemedailles van Onze-Lieve-Vrouw van Hanswijk, in het Jaarboek van het Europees Genootschap voor Munt- en Penningkunde 2005, Izegem, 2005, p. 172, nr. 5.Du Monceau de Bergendal, A. Kamer der Volksvertegenwoordigers, Catalogus van de Stukken der Verzameling van Munten en Penningen op 30 juni 1930. Brussel : Oude Drukinrichtingen Th. Dewarichet, 1930, nr. 1838/9, p. 17.Bijzondere collectie
A randomised trial of timed delivery for the compromised preterm fetus: short term outcomes and Bayesian interpretation
- …
