2,798 research outputs found

    Alle de gedichten van J. Antonides van der Goes : hier by komt het leven des dichters.

    No full text
    Includes index.Introduction and life of the author by David van Hoogstraten.Includes portrait plate of the author engraved by Philipp van Gunst and 5 engravings by Romeyn de Hooghe.Title printed in red and black; engraved title vignette by Bernard Picart; decorative initials; tail-pieces.Mode of access: Internet.Bound in sprinkled calf; sprinkled edges; spine and edges of boards gilt tooled; label with gilt title on spine; Leonard Baskin's pencilled initial B written after signature letter L; his printed labels for Fort Hill and Lurley Manor on front pastedown and his signature on back pastedown; signed on front free endpaper by L. van Sasse van Ysselt who appears to have purchased the book in March of 1884 for 2 florins

    Transformatielandkaart: Thema’s, actoren, instrumenten en lessen uit projecten

    No full text
    Leegstand van kantoren is van alle tijden. Enige leegstand is normaal, bijvoorbeeld kort na oplevering of bij wisseling van huurders, en ook nodig, bijvoorbeeld om verhuisbewegingen mogelijk te maken (‘frictieleegstand’). De laatste jaren is de leegstand echter schrikbarend gestegen. Anno 2006 wordt in Nederland voor ca. 6,3 miljoen m2 kantoorruimte een huurder gezocht. Volgens sommige deskundigen geen reden om ons hierover erg druk te maken. Een dip in de kantorenmarkt is een normaal verschijnsel van de bekende varkenscyclus. In een tijd van een grote vraag naar nieuwe kantoorruimte bij een beperkt marktaanbod, worden veel nieuwbouwprojecten op stapel gezet. Gezien de lange ontwikkelings- en realisatietijd kan in die periode de marktvraag door conjuncturele marktontwikkelingen aanzienlijk afnemen. Bij oplevering van de nieuwbouw ontstaat daarmee direct een leegstand. Omgekeerd genereert leegstand een afnemend aanbod, waarvan het effect pas op lange termijn zichtbaar wordt. Volgens sommige deskundigen trekt de markt wel weer aan. Anderen zijn minder optimistisch. Volgens hen is er een structureel overschot aan kantoorruimte en zal ook bij een aantrekkende markt een fors deel van het huidige aanbod leeg blijven staan. Dit geldt vooral voor de onderkant van de markt. Bedrijven die naar een ander, beter kantoorgebouw verhuizen, op een gunstiger locatie, laten vaak een gebouw achter dat nauwelijks nog verhuurbaar is als kantoor. Daar komt bij dat door de vergrijzing van de beroepsbevolking, afnemende immigratie, flexibel gebruik van werkplekken (‘kantoorinnovatie’) en verplaatsing van arbeid naar lagelonenlanden eerder een daling dan een stijging in vraag naar kantoorruimte te verwachten valt. Om langdurige leegstand tegen te gaan, is het noodzakelijk dat een substantieel deel van het incourante aanbod van de markt wordt gehaald. Naast sloop en nieuwbouw kan transformatie van leegstaande kantoren en herbestemming tot nieuwe functies een aantrekkelijke optie zijn. Er zijn diverse kantoorpanden met succes verbouwd voor andere functies, zoals woningen voor studenten, (door)starters en senioren, permanent of tijdelijk. Dit boek laat vele voorbeelden zien.Accepted manuscriptReal Estate Managemen

    Reconstructie van de ontwikkeling van de Hollandse kust in de laatste 2500 jaar

    No full text
    Onderzoekskader In het kader van het KUST*2000 programma van Rijkswaterstaat wordt onder meer onderzoek gedaan naar de grootschalige en lange-termijn ontwikkeling van de Nederlandse kust. Een goed begrip van de lange-termijn ontwikkeling van onze huidige kust in het verleden is essentieel voor het inzicht in de gevolgen van grootschalige ingrepen in de kustzone. Het doel van het hier gerapporteerde onderzoek is het in detail vaststellen van de grootschalige en lange-termijn trend in de ontwikkeling van de Hollandse kust tussen Zandvoort en Den Haag gedurende de afgelopen 2500 jaar. De volgende vragen zijn hierbij van belang: 1. Wat is de natuurlijke lange-termijn ontwikkeling van de Hollandse kust gedurende de afgelopen 2500 jaar: netto aanzanding of netto erosie? Wat is de omvang in tijd van de fluctuaties rond deze grootschalige trend? 2. Wat zijn de sturende factoren en belangrijkste processen die hierin een rol spelen? 3. Kunnen we de conclusies met betrekking tot de lange-termijn ontwikkeling van de kust bij Haarlem extrapoleren naar de rest van de Hollandse kust? 4. Past de ontwikkelingstrend van de laatste 30 jaar in deze natuurlijke ontwikkeling of is het effect van menselijk ingrijpen hierin dominant? Activiteiten In het kader van dit project zijn de volgende activiteiten uitgevoerd: 1. Integratie van de kennis van de ontwikkeling van de strandwallenkust tussen Haarlem en Monster door middel van literatuurstudie; 2. Aanvulling en verfijning van het tijdsframe van de afzettingen van de uitbouwende Hollandse kust, met name voor de laatste 2500 jaar, door middel van nieuwe boringen en dateringen; 3. Aanvulling van deze gegevens met grondradaronderzoek waarmee de werkelijke opbouw van de ondergrond vast te stellen is. Resultaten -Lange termijn ontwikkeling Gedurende de laatse 2500 jaar komt er een einde aan de uitbouw (en dus netto aanzanding) van de kust van Holland. De kust moet in de Romeinse tijd of kort daarna zijn meest westelijke ligging bereikt hebben. Hierna begon de terugtrekking, waarbij zeewaarts uitstekende delen van de kust opgeruimd werden. Het begin van grootschalige duinvorming vanaf de 8e eeuw doet vermoeden dat de erosie van de Hollandse kust toen begonnen is of veel aanzienlijker geworden is dan daarvoor. De oorzaak voor deze erosie is niet duidelijk. Het Jonge Duinzand is rijk aan schelpgruis, hetgeen suggereert dat dit zand afkomstig moet zijn van de onderwateroever. Rond 1300 AD was de deha van de Oude Rijn bij Katwijk opgeruimd, hetgeen gepaard ging met een forse erosie. Ten zuiden van Katwijk was de terugtrekking minder, zij het niet verwaarloosbaar. Ten noorden van Katwijk was de afslag klein tot nihil. Het einde van de Jonge Duinvorming wordt rond 1600 AD geplaatst. Nadien zijn er slechts locale en kleinschalige veranderingen opgetreden. Registraties van de kustligging over ca. de afgelopen eeuw tonen een uitbouw van de gemiddeld laagwaterlijn tussen Egmond en Scheveningen. Gedurende deze periode trad er op de hele onderwateroever van de Hollandse kust beneden NAP- 8m zandverlies op, met uitzondering van de omgeving van IJmuiden en Scheveningen (effect havendammen). Het overgrote deel van dit verlies vindt plaats ten noorden van IJmuiden. Ten zuiden van IJmuiden zijn de zandverliezen gering en is de kust min of meer stabiel. Fluctuaties op de ontwikkelingstrend van de kust blijken onder meer uit afzettingen van zo'n 300 tot 400 jaar voor heden direct onder de huidige strandafzettingen. Rond die tijd heeft een aanzienlijk erosie van het strand plaatsgevonden (de hoogwaterlijn lag toen 100 tot 200 m verder zeewaarts), waarna er weer verticale opbouw plaatsvond. -Factoren en processen De erosie van de onderwateroever van de terugtrekkende kust was grotendeels voltooid vóór de uitbouw van de strandwallen. Dit houdt in dat de opbouw van de strandwallen gevoed moeten zijn met zand uit een andere bron. Waarschijnlijk speelt langstransport hierbij een belangrijke rol. In de afzettingen van de uitbouwende kust bij Haarlem neemt de omwerking van de afzettingen in met name de brandingszone toe in zeewaartse richting. Dit hangt waarschijnlijk samen met de afname in uitbouwsnelheid. De afwisseling van strandwallen en strandvlaktes tijdens de uitbouw van de kust kan wijzen op schommelingen in de aanvoer van sediment per tijdseenheid. Het voorkomen van transgressieve elementen in de uitbouwende serie, zoals bijv. washovers, duidt op schommelingen rond de trend van uitbouw. Het gaat hier waarschijnlijk echter om kleinschalige en kortdurende gebeurtenissen, veroorzaakt door bijvoorbeeld stormen. -Uniformiteit ontwikkeling Hollandse kust Uit vergelijking van de profielen bij Haarlem en Wassenaar blijkt dat de ontwikkeling van beide gebieden niet direct vergelijkbaar is. De ontwikkelingen bij Wassenaar staan onder invloed van de ontwikkeling van de monding van de Oude Rijn. De uitbouw ging hier aanzienlijk sneller. Nadien is hier een sterke erosie opgetreden, samenhangend met het opruimen van de Oude Rijn delta. De ontwikkeling van het gebied bij Haarlem verloopt langzamer. De uitbouw van de kust is hier aanzienlijk langer doorgegaan. Vervolgens is er veel minder erosie opgetreden dan bij Wassenaar. -Rol menselijke ingrijpen Gedurende de laatste 30 jaar is de kustnabije zone van het hier beschouwde deel van de Hollandse kust ten noorden van Katwijk min of meer stabiel of aanzandend, terwijl het deel ten zuiden van Katwijk eroderend is. Dit is in overeenstemming met het beeld dat naar voren komt uit de ontwikkeling over de laatste 2500 jaar. Lokaal verstoren de effecten van met name de aanleg van havendammen dit beeld. Daarnaast leidt het vasthouden van de waterlijn en de zeereep, door middel van respectievelijk strandsuppleties en beplanting, waarschijnlijk tot een verstoring van het natuurlijk kustprofïel.005.60044/01.03 Programma Kust 200

    Transformatie van kantoorgebouwen: Van leegstand naar herbestemming

    No full text
    In Nederland staat bijna zes miljoen m2 kantoorruimte leeg. Dat is ca 15% van detotale voorraad! Zelfs de meest optimistische vastgoedexperts geven toe dat vooreen deel hiervan ook bij een aantrekkende markt geen huurder meer te vinden zalzijn. Slopen betekent vaak kapitaalvernietiging. Herbestemming naar anderefuncties kan onder voorwaarden een goede optie zijn. De TU Delft doet onderzoeknaar kansen en risico's en ontwikkelt instrumenten voor verantwoordebesluitvorming. Een beknopt overzicht.Accepted manuscriptDesign & Construction ManagementReal Estate Managemen

    Landschapsoecologisch onderzoek: Slikken van Flakkee

    No full text
    Door de afsluiting van het Brouwershavense Gat in 1971 ontstond het Grevelingen Meer; een zout binnenmeer van ca. 14.000 ha, waarvan ca. 3.000 ha drooggevallen zandplaten, slikken en schorren. Het gebied waarover deze interim nota handelt, wordt gevormd door de buitendijkse gronden direct grenzend aan Goeree-Overflakkee, bekend als de Slikken van Flakkee. Dit gebied bestaat uit 1.400 ha drooggevallen slikken en zandplaten en ca. 300 ha voormalige schorren of kwelders. In dit gebied wordt een landschapsoecologisch onderzoek uitgevoerd, waarvan de eerste resultaten in deze interim nota zijn samengevat. Bij deze interim nota horen een zevental deelrapporten. Deelrapport 3 (Vegetatie), Deelrapport 5 (Microklimaat) en Deelrapport 6 (Loopkevers) zijn beschikbaar hier op de Hydro Repository. Bij het landschapsoecologisch onderzoek staat centraal het behouden en vergroten van de variatie in de ruimte en soms ook van de variatie in de tijd. Overzicht van de hoog te waarderen algemene kenmerken van het gebied: 1. Het gebied als geheel kenmerkt zich door zijn grootschaligheid, met naar verwachting een toenemende kleinschalige diversiteit. In ons land is dit van bijzondere betekenis. Zowel natuurwetenschappelijk als recreatief zijn er ruime mogelijkheden voor een gedifferentieerde ontwikkeling. 2. Van grote waarde zijn de geomorfologische opbouw, de reeds geconstateerde en verder te verwachten verschillen in hydrologie en zouthuishouding en de verschillen in uitgangssituatie voor wat betreft bodem en vegetatie. Er is een duidelijk onderscheid tussen de voormalige schorren en slikken, waarbij juist het overgangsgebied tussen beide een ruime variatie vertoont en daarom van grote waarde is. Dwars op deze overlangse zônering lopen de verschillende krekensystemen welke als natuur-historisch gegeven van betekenis zijn, omdat hieruit de invloed van de vroegere eb- en vloedwerking is af te lezen. 3. In de ondergrond zijn op sommige plaatsen slecht doorlatende klei- en veenlagen aanwezig, terwijl deze op andere plaatsen zijn verdwenen en opgevuld met goed waterdoorlatend materiaal. Dit heeft met verschillen in hoogte en bodemsamenstelling een grote invloed op de water- en zouthuishouding van de diverse plaatsen. 4. Het feit dat grote delen van de voormalige slikken nog af en toe overspoeld worden met zout water is van niet geringe betekenis. Hierdoor ontstaan namelijk interessante gradiënten in dynamiek, blijven grote delen nog lange tijd een open karakter behouden en zullen zowel botanisch als ornithologisch (zoölogisch) zeer waardevolle gebieden kunnen ontstaan. Dit geldt te meer omdat bovendien andere gradiënten, bijvoorbeeld op de grens tussen laag en hoog slik, kunnen voorkomen. 5. Het gebied wordt door de Roxenissepolder en het zanddepot min of meer in tweeën gedeeld. Wat daarbij opvalt is dat het noordelijk en zuidelijk deel naast overeenkomsten ook duidelijke verschillen vertonen. Het noordelijk schor had voor de afsluiting sterk het karakter van een aangroeiend schor. Het heeft daardoor fijnmazige structuren en er lopen geen grote geulen (prielen) door het slik heen. Het zuidelijk schor is duidelijk ouder en had voor de afsluiting een afslagrand. Een deel van de zuidelijke slikken is hoger dan de overige slikken en er zijn grote geulen (prielen) en inhammen aanwezig. 6. Ornithologisch wordt een zeer grote waarde toegekend aan de ondiepe vooroever, waarbij het gebied voor het zanddepot en de uiterste zuidpunt van de slikken de belangrijkste gebieden zijn. Recreatief oefent vooral de steile over van het hoge deel van de slikken een grote aantrekkingskracht uit. Voor de ontwikkeling van het gebied dient de weg der voorzichtigheid en geleidelijkheid te worden gekozen. Dit om de integratie van de mens in de natuur harmonisch te doen plaatsvinden, de actuele en potentiële waarde van het gebied te waarborgen en de natuurrecreatie optimaal te laten zijn. Een voortdurende dialoog tussen de inrichter enerzijds en de onderzoeker anderzijds is van het allegrootste belang om de wenselijkheden en de mogelijkheden op de juiste momenten te integreren

    Aanslibbing van een rivierhaven: Vermindering door aanpassing van de vormgeving van jachthavens 't Steel en La Bonne Aventure

    No full text
    Vermindering door aanpassing van de vormgeving van jachthavens 't Steel en la Bonne Aventure. Jachthavens aan rivieren slibben steeds verder dicht. AIs gevolg hiervan lopen de kosten voor het beheer van een dergelijke haven zo hoog op dat enkele havens misschien zelfs moeten sluiten. Daarom is er landelijk een onderzoek gestart om te bezien of de aanslibbing verminderd kan worden door aanpassing van de vormgeving van de haven. Aanslibbing van een haven is afhankelijk van het uitwisselingsdebiet tussen haven en rivier. In principe komen daar drie mechanismen voor in aanmerking, te weten: \u95 Het getijmechanisme \u95 Het dichtheidsmechanisme \u95 Het stromingsmechanisme In dit onderzoek komt alleen het stromingsmechanisme aan de orde, omdat het getij afwezig is en er verwaarloosbare dichtheidsverschillen zijn tussen water in de rivier en water in de haven. Aan de bovenstroomse zijde van de havenmond ontstaat als gevolg van wervelvorming een menglaag, die een primaire neer aandrijft in de havenmond. Deze primaire neer drijft op zijn beurt weer een secundaire neer aan in het havenbekken. Via dit systeem wordt het sedimentrijke water van de rivier de haven ingebracht, waar het bezinkt. Om te onderzoeken of er maatregelen genomen kunnen worden om de aanslibbing in jachthavens te verminderen is een schaalmodel gebruikt van twee jachthavens aan de Maas te Roermond, 't Steel en La Bonne Aventure. Hierin zijn diverse in dit onderzoek ontwikkelde ingrepen toegepast, zoals een geleidescherm, een paalscherm en een gekromde drempel in de havenmond, en vervolgens is hun effectiviteit gemeten. Het uitgangspunt was de bestaande situatie met een gemiddelde waterstand, maar omdat de Maas nogal eens te kampen heeft met hoogwater is ook de situatie gedurende hoogwater beschouwd. Na het vergelijken van de metingen is gebleken dat het mogelijk is om een aanzienlijke reductie in aanslibbing te bewerkstelligen. Het geleidescherm geeft een reductie van ca. 25%, het paalscherm een reductie van ca. 50%, de gekromde drempel een reductie van ca. 70% en een combinatie van het paalscherm met de gekromde drempel geeft zelfs een reductie van ca. 90%. Deze reducties gelden alleen in de niet-overstroomde situatie. Gesteld kan worden dat het zeker mogelijk is om een vermindering van aanslibbing te realiseren. Hoewel natuurlijk nog afgewacht moet worden wat de reducties in werkelijkheid zullen worden.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    Gevolgen van graverij door muskusratten en beverratten voor de veiligheid van waterkeringen

    No full text
    Graverij door muskus- en beverratten wordt in waterkeringen voornamelijk aangetroffen bij waterkeringen die zich bevinden in of grenzen aan een leefgebied (sloten, greppels, plassen, verlandingszones, etc.) van muskus- en beverratten. Over de omvang van graverij door muskusratten is veel informatie aangetroffen, graverij door beverratten is weinig gedocumenteerd. Karakteristieke graverij door muskusratten betreft een bouw met een uitgebreid stelsel van pijpen (diameter: ca. 0,15 m) en enkele nestkommen. De graverij beperkt zich overwegend tot een geringe diepte (< 1 m) in het talud, over de zone van juist onder het laagwaterniveau (overwegend < 0,35 m diep) tot boven een gemiddelde hoogwaterstand. Zodoende komt alleen bij betrekkelijk kleine kaden graverij tot in of zelfs door de kruin van de waterkering voor. Graverij door muskusratten resulteert in een intensief vergraven toplaag van het talud, met gemiddeld één pijp of gang per strekkende meter kade over een aanzienlijke strekkende lengte (meer dan 50 m). Karakteristieke graverij door beverratten betreft een enkele pijp of gang (diameter: ca. 0,25 m) met aan het eind een nestkom. Gang en nestkom bevinden zich overwegend horizontaal in het dijklichaam, op een niveau van juist boven een gemiddelde waterstand. Waargenomen en geregistreerde schaden aan waterkeringen door graverij door muskus- en beverratten zijn: - schade aan het buitentalud en de (harde) bekleding (ook: rietkragen), waardoor erosie van het buitentalud en afkalving van het dijklichaam is opgetreden; - ondermijning van het buitentalud, waardoor afschuiving van het talud is opgetreden; - schade aan en ondermijning van het binnentalud, waardoor afschuiving en inzakking van het talud is opgetreden; - vergraving van stabiliteits- of pipingbermen, waardoor verzakking van deze bermen is opgetreden; - verzakking van de kruin, waardoor tijdens hoogwatersituaties overlopen is opgetreden; - doorgraving van het dijklichaam, waardoor doorsiepeling of kwel is opgetreden; - doorbraak van kleine kaden (m.n. langs visvijvers en vloeivelden). Voorts veroorzaakt perforatie van de bekledingslaag op het buitentalud een sterkere verzadiging van het dijklichaam. Dit vormt geen directe schade aan de waterkering, maar de sterkte van het binnentalud neemt hierdoor wel af.Muskusrattenbestrijdin

    Ontarsening van het spoelwaterslib van waterwinstation ir. C. Biemond te Nieuwegein: Een verkenning

    No full text
    Het spoelwaterslib van waterwinstation ir. C. Biemond te Nieuwegein valt tot op heden op grond van zijn arseengehalte (100 - 120 mg arseen per kg droge stof) onder het regime van de Wet chemische afvalstoffen (De Wca staat evenwel momenteel ter discussie). Dit milieuprobleem kan worden opgelost door het arseen uit het slib te verwijderen (zie Vewin Milieubeleidsplan). In een verkennend onderzoek gericht op de ontarsening van het spoelwaterslib is gekozen voor extraktieve verwijdering van het arsenaat. Direkte, enkelvoudige, batch-gewijze extraktie van het ingedikte c.q. ontwaterde slib met geconcentreerde natronloog leidt tot een verlaging van het arseengehalte van het slib tot ca. 30 mg As per kg droge stof, hetgeen een duidelijke onderschrijding van de Wca-concentratiegrenswaarde van 50 betekent. Het behandelde slib kan derhalve, hetzij een nuttige bestemming verkrijgen, hetzij gevoegd worden bij het sedimentatieslib in het depot. Ontarsening van de extraktfase (ca. 3 mg As/I) is mogelijk na verdunning met filtraat (tot een concentratie van ca. 0.4 mg As/I) en pH-verlaging tot 7.5 met CO2 of eventueel een ander zuur. De verwijdering geschiedt door precipitatie met een Fe(III)-zout. Het resterende arseengehalte van de behandelde extraktfase is kleiner dan 50 ?g As/I. Raming van het chemicaliënverbruik voor de arseenverwijdering uit het spoelwaterslib leidt - bij het huidige produktieniveau - tot de volgende hoeveelheden: 0.8 m³ natronloog (33%); 385 kg CO2 en 20 kg Fe(III) per dag. Deze hoeveelheden dienen als indikatief te worden beschouwd. Een aanmerkelijke verlaging door wijziging en optimalisatie van het proces is mogelijk.Water ManagementCivil Engineering and Geoscience

    Aanslibbing van een rivierhaven: Vermindering door aanpassing van de vormgeving van jachthavens 't Steel en La Bonne Aventure

    No full text
    Jachthavens aan rivieren slibben steeds verder dicht. Als gevolg hiervan lopen de kosten voor het beheer van een dergelijke haven zo hoog op dat enkele havens misschien zelfs moeten sluiten. Daarom is er landelijk een onderzoek gestart om te bezien of de aanslibbing verminderd kan worden door aanpassing van de vormgeving van de haven. Aanslibbing van een haven is afhankelijk van het uitwisselingsdebiet tussen haven en rivier. In principe komen daar drie mechanismen voor in aanmerking, te weten: \u95 Het getijmechanisme \u95 Het dichtheidsmechanisme \u95 Het stromingsmechanisme In dit onderzoek komt alleen het stromingsmechanisme aan de orde, omdat het getij afwezig is en er verwaarloosbare dichtheidsverschillen zijn tussen water in de rivier en water in de haven. Aan de bovenstroomse zijde van de havenmond ontstaat als gevolg van wervelvorming een menglaag, die een primaire neer aandrijft in de havenmond. Deze primaire neer drijft op zijn beurt weer een secundaire neer aan in het havenbekken. Via dit systeem wordt het sedimentrijke water van de rivier de haven ingebracht, waar het bezinkt. Om te onderzoeken of er maatregelen genomen kunnen worden om de aanslibbing in jachthavens te verminderen is een schaalmodel gebruikt van twee jachthavens aan de Maas te Roermond, 't Steel en La Bonne Aventure. Hierin zijn diverse in dit onderzoek ontwikkelde ingrepen toegepast, zoals een geleidescherm, een paalscherm en een gekromde drempel in de havenmond, en vervolgens is hun effectiviteit gemeten. Het uitgangspunt was de bestaande situatie met een gemiddelde waterstand, maar omdat de Maas nogal eens te kampen heeft met hoogwater is ook de situatie gedurende hoogwater beschouwd. Na het vergelijken van de metingen is gebleken dat het mogelijk is om een aanzienlijke reductie in aanslibbing te bewerkstelligen. Het geleidescherm geeft een reductie van ca. 25%, het paalscherm een reductie van ca. 50%, de gekromde drempel een reductie van ca. 70% en een combinatie van het paalscherm met de gekromde drempel geeft zelfs een reductie van ca. 90%. Deze reducties gelden alleen in de niet-overstroomde situatie. Gesteld kan worden dat het zeker mogelijk is om een vermindering van aanslibbing te realiseren. Hoewel natuurlijk nog afgewacht moet worden wat de reducties in werkelijkheid zullen worden.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
    corecore