412 research outputs found
The clinical significance of asymmetric dimethylarginine
Leeuwen, P.A.M. van [Promotor]Teerlink, T. [Copromotor
Intracellular asymmetric dimethylarginine (ADMA) and homoarginine: metabolism and relation to plasma levels
Blom, H.J. [Promotor]Teerlink, T. [Copromotor]Scheffer, P.G. [Copromotor
The interplay of oxidative stress and inflammation in atherosclerosis: an epidemiologic approach
Jakobs, C.A.J.M. [Promotor]Scheffer, P.G. [Copromotor]Teerlink, T. [Copromotor
Letter by Teerlink Regarding Article, " L-arginine supplementation in peripheral arterial disease: No benefit and possible harm"
Menopause, menopausal therapies and asymmetric dimethylarginine, an emerging cardiovascular risk factor
Oestrogenen en asymmetrische dimethylarginine Hart- en vaatziekten (HVZ) vormen de belangrijkste doodsoorzaak in de Westerse wereld. Premenopauzale vrouwen hebben een lager risico op HVZ dan mannen van dezelfde leeftijd, maar na de menopauze neemt de kans op HVZ bij vrouwen snel toe. Door de eierstokken geproduceerde hormonen (oestrogenen en progestagenen) spelen waarschijnlijk een rol bij de bescherming van premenopauzale vrouwen tegen HVZ en mogelijk kan toediening van deze hormonen na de menopauze vrouwen enigszins beschermen tegen de versnelde toename van het risico van HVZ. Asymmetrische dimethylarginine (ADMA) is een stof die door het lichaam zelf wordt gemaakt. Een hoge concentratie van ADMA vermindert een goed functioneren van de bloedvaten en leidt tot een verhoogde kans op HVZ. Of ADMA ook een rol speelt bij de verhoogde kans op HVZ na de menopauze is nog niet eerder onderzocht. Dit proefschrift behandeld het onderzoek naar de relatie tussen oestrogenen en aan oestrogeen verwante stoffen en ADMA bij vrouwen van middelbare leeftijd. Er werd gekeken naar de invloed van de menopauze en naar de effecten van verschillende (hormonale) menopauzale therapieën op ADMA concentraties.
De voornaamste bevinding was dat hogere oestrogeen concentraties gepaard gaan met lagere ADMA concentraties. Het ADMA verlagende effect van oestrogeensuppletie was groter bij orale toediening dan bij gebruik van pleisters of spray en bovendien
afhankelijk van de gebruikte oestrogeen/progestageen combinatie. Hoewel dit onderzoek laat zien dat vrouwelijke geslachtshormonen ADMA spiegels in gunstige zin beïnvloeden, moeten de klinische consequenties hiervan nog nader onderzocht worden.Kenemans, P. [Promotor]Mooren, M.J. [Copromotor]van der Teerlink, T. [Copromotor
Towards the introduction of fit-for-purpose project management: An explorative case study on implementing central planning and risk log
Construction Management and EngineeringStructural EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Tissue distribution and subcellular localization of phosphatidylcholine transfer protein in rats as determined by radioimmunoassay
A radioimmunoassay for the phosphatidylcholine-transfer protein from rat liver was used to measure levels of PC-transfer protein in rat tissues. The assay as described before (Teerlink T., Poorthuis B.J.H.M., Van der Krift T.P. and Wirtz K.W.A., Biochim. Biophys. Acta 665 (1981) 74–80) was modified in order to measure PC-transfer protein in tissue homogenates and subcellular membrane fractions. To this end both a detergent (Triton X-100) and a proteolytic enzyme inhibitor (aprotinin) were added to the assay medium. The radioimmunoassay measured levels of PC-transfer protein in the range of 5–50 ng and was specific for PC-transfer protein from rat tissues. Subcellular distribution studies showed that in 10% (w/v) homogenates of liver approximately 60% of the PC-transfer protein was present in the 105000 × g supernatant fraction, the remainder being evenly distributed over the particulate fractions. PC-transfer protein associated with the particulate fractions was almost completely removed by a single washing step, suggesting a dynamic equilibrium between membrane-bound and soluble PC-transfer protein. Both 105000 × g supernatants and homogenates of various rat tissues were assayed. The highest levels of PC-transfer protein were measured in liver and intestinal mucosa. Lower values were found in kidney, spleen and lung, whereas heart and brain contained hardly any PC-transfer protein. PC-transfer protein levels in regenerating rat liver did not differ significantly from levels in normal liver. In fetal lung a change in PC-transfer protein content during development was observed, with a clear maximum 2 days before term, suggesting an involvement of PC-transfer protein in the secretion of lung surfactant
Postprandial Dysmetabolism and Non-Alcoholic Fatty Liver Disease in Relation to Type 2 Diabetes Mellitus and Cardiovascular Risk
Het aantal gevallen van “ouderdomssuikerziekte” (type 2 diabetes mellitus) neemt in de Westerse wereld snel toe als gevolg van veranderingen in leefstijl (verhoogde consumptie van vet- en energierijke
voeding en verminderde lichaamsbeweging), en als gevolg van de vergrijzing van de bevolking. Mensen met type 2 diabetes mellitus hebben een verhoogd risico op het krijgen van hart- en vaatziekten. Dit verhoogde risico kan voor een deel verklaard
worden door reeds bekende risicofactoren voor hart- en vaatziekten, zoals hoge bloeddruk (hypertensie), roken, afwijkende vetspiegels in het bloed (een verhoogd LDL-cholesterol (het “slechte” cholesterol), laag HDL cholesterol (goede cholesterol) en
verhoogde hoeveelheden triglyceriden), alsook hoge glucose (suiker) concentraties in het bloed. Met name bij vrouwen na de menopauze (overgang) is het risico op hart- en vaatziekten hoger dan bij vrouwen vóór de menopauze. Na de overgang stijgt de
hoeveelheid triglyceriden en daalt de hoeveelheid HDL-cholesterol in het bloed. Dit heeft ons aangespoord de effecten van maaltijden te bestuderen bij vrouwen na menopauze.
Het is al langer bekend dat glucose en triglyceriden, en verbindingen die hieruit gevormd kunnen worden, schadelijk kunnen zijn voor de bloedvaten en daardoor kunnen bijdragen aan het ontwikkelen van hart- en vaatziekten. Ruim een kwart eeuw geleden
is geopperd dat verstoringen in de vet- en glucosestofwisseling die optreden na een maaltijd mogelijk kunnen bijdragen aan het verhoogde risico op hart- en vaatziekten. Na het eten van een maaltijd stijgen de triglyceriden- en glucoseconcentraties in het
bloed. De triglyceriden en de glucose worden gebruikt als bouwstoffen of als brandstoffen voor het lichaam. De mate waarin deze stoffen worden verwerkt en opgeslagen verschilt tussen gezonde mensen en mensen met type diabetes mellitus. De lever
speelt hierbij een belangrijke rol. Een verhoogde hoeveelheid vet in de lever (steatose), een aandoening die vaker voorkomt bij mensen met diabetes en overgewicht, kan deze processen verstoren, alsook het risico op hart- en vaatziekten verhogen. Het
hormoon insuline speelt een belangrijke rol bij het verwerken van de triglyceriden en de glucose. Bij mensen met type 2 diabetes mellitus werkt het insuline minder goed waardoor de triglyceriden en de glucose trager worden opgenomen en verwerkt. De
vraag is welke stof schadelijker is voor de vaatwand: de glucose of de triglyceriden?
De onderzoeken die in dit proefschrift beschreven zijn, proberen antwoord te geven op de volgende vragen: 1a) hoe is het beloop van glucose en triglyceriden in het bloed na twee vetrijke en twee koolhydraatrijke maaltijden, 1b) wat is de relatieve bijdrage
van glucose en triglyceriden in relatie tot hart- en vaatziekten en 1c) welke mechanismen kunnen het verhoogde risico op hart- en vaatzieken verklaren bij patiënten met type 2 diabetes mellitus; 2a) hebben mensen met leververvetting een verhoogde kans
op het risico van hart- en vaatzieken en 2b) wat zijn de mogelijke mechanismen waardoor dit verklaard kan worden?Heine, R.J. [Promotor]Diamant, M. [Copromotor]Teerlink, T. [Copromotor
Relaxin, a pleiotropic vasodilator for the treatment of heart failure
PUBBLICATO ONLINE PRIMA DELLA STAMP
- …
