357 research outputs found
Joan de Haes en de Poëtenoorlog
At the beginning of the eighteenth century Joan de Haes, a rather unkown Dutch poet, played an important role in the so- called ‘Poëtenoorlog’. The main issue was whether the famous poet Vondel ought to be the guiding author of the Dutch poets or the poets of the ‘doctrine classique’, such as Corneille.
Joan de Haes was an admirer of Vondel. He hated ‘French’ interference which he regarded as a danger to Dutch poetry. In several pamphlets he attacked his opponents. One time he parodied his adversary, the other time he used irony as a weapon. The conflict between these poets sometimes got very personal. Swearwords often were used.
De Haes played an active role in the ‘Poëtenoorlog’. His main concern was defending Vondel and stopping the frenchifying of Dutch literature. In spite of all his efforts he did not succeed in his mission
Apollo 13. Jos de Haes and the Real of his Desire
This is a rereading of the poetry of the Flemish poet Jos de Haes, the author of a limited body of work which, notwithstanding, had great influence in postwar Flemish poetry
Leveraging the IT Balanced Scorecard as Alignment Instrument
In Chapter I, the IT balanced scorecard was introduced as a possible measurement and management tool to support the achievement of strategic alignment. In this chapter, the application of the balanced scorecard is illustrated in more detail through a case study of a major Canadian financial group, where the balanced scorecard was adopted in its full scope. This chapter is based on the publication “Linking the IT balanced scorecard to the business objectives at a major Canadian Financial Group” (Van Grembergen, Saull, & De Haes, 2003).</jats:p
Organizational learning in the context of IT governance : an exploration of the theory-practice gap
Abstract: \u201cWhy is it that, despite the large amount of studies on IT governance, many professionals still fail to put these theories into practice?\u201d Nowadays, Information Technology (IT) has become crucial in the support, sustainability and growth of many contemporary organization. In addition, a growing number of these organizations is going through a Digital Transformation which requires them to invest in developing skills which are necessary to implement and exploit new technologies. This includes the skills required to realize highly efficient and effective IT governance. The goal of IT governance is to establish appropriate control over an organization\u2019s current and future use of IT. As such, it requires the implementation of practices which enable the creation of IT business value and appropriate management of IT related business risks. Unfortunately, many organizations still experience difficulties in their journey to implement IT governance. Therefore, disparities exist between the normative best practices related to IT governance and the actual state of practice in organizations. In the academic literature, this problem is known as the theory-practice gap. While organizational learning has been widely suggested as an approach to reduce a theory-practice gap in general, there is a lack of research about organizational learning in the context of IT governance. In response, this study examines the theory-practice gap through the lens of organizational learning and proposes a model that can be used to analyse and resolve the problem. Lastly, we also examine how some concepts of organizational learning apply to the role of the Chief Information Officer (CIO). This includes the conditions which enable the CIO to create a learning organization
Stapelen: Een alternatieve spooruitbreiding van 2 naar 4 sporen
Inleiding De Nederlandse overheid is er veel aan gelegen het treingebruik te bevorderen. Enerzijds ontlast dat Schiphol, anderzijds zou het aantal files kunnen afnemen. Om dit doel te bereiken worden op een groot aantal locaties spoorlijnen van 2 naar 4 sporen uitgebreid. Omdat u it kostenoverweging vaak voor een uitbreiding op maaiveld wordt gekozen neemt de hinder voor de omgeving toe. Het gevolg ervan is dat gemeenten die met spooruitbreiding te maken krijgen zich sterk maken voor een tunnel. Het stapelen van spoorlijnen wordt zelden overwogen, mede doordat men er sceptisch over is. Een oplossing in een bebouwde omgeving waarbij de bestaande sporen blijven liggen en de twee nieuwe sporen ondergronds worden aangelegd (de Stapeloplossing) l i j k t een groot aantal voordelen te hebben. De kosten kunnen i n vergelijking tot de tunnel worden beperkt, en de meest hinderlijke treinen (sneltreinen en goederentreinen) verdwijnen i n tunnels. Daarnaast kan een lokaal station op maaiveld gehandhaafd blijven en kunnen spoorwegovergangen in de directe omgeving van het station die moeilijk tot ongelijkvloerse kruisingen kunnen worden omgebouwd gehandhaafd worden. In deze studie is uitgezocht of een dergelijk ontwerp inderdaad reëel kan zijn, en zo ja: wanneer (onder welke voorwaarden). Uitbreiding spoorcapaciteit Er is een aantal maatregelen denkbaar waarmee de capaciteit van spoorlijnen kan worden uitgebreid. Er zijn maatregelen aan het bestaande spoor waarbij er geen extra infrastructuur wordt aangelegd (nieuwe trajectbeveiliging, sluiten stations, treinsturing door computers, etc.) en maatregelen waarbij er wel extra infrastructuur wordt aangelegd (nieuw parallel traject, (lokale) spoorverdubbeling). I n deze studie is gekeken naar de mogelijkheden die er zijn om in een bebouwde omgeving het spoor van 2 naar 4 sporen te verdubbelen. Bij de inventarisatie geldt de ligging van het bestaande spoor ah uitgangspunt (verdiept, maaiveld of verhoogd). Met dit i n gedachten kunnen de nieuwe sporen op verschillende posities ten opzichte van het bestaande spoor worden aangelegd. Voorbeelden zijn (schuin) boven, (schuin) onder en ernaast. Hier komen de stapelmogelijkheden voor het eerst aan bod. Uit een eerste selectieronde, waarin de uitbreidingsmogelijkheden worden getoetst op onder andere dwarsrelaties, hinder en uitvoerbaarheid, bleek dat de stapelmogelijkheden voor bestaande lijnen op maaiveld of met een verhoogde ligging het grootst zijn. De varianten waarbij de nieuwe sporen (schuin) onder de bestaande sporen worden aangelegd lijken het meest kansrijk. De Stapeloplossing Bij de uitwerking van de kansrijke mogelijkheden van de Stapeloplossing zijn er drie basisconcepten te onderscheiden die afhankelijk zijn van de inrichting van de treindienst in de 4-sporige eindsituatie: - Richtingbedrijf met de snelsporen aan de binnenzijde - Richtingbedrijf met de snelsporen aan de buitenzijde - Lijnbedrijf Een belangrijke voorwaarde waaraan een spoorlijn i n de 4-sporige eindsituatie dient te voldoen om toepassing van de Stapeloplossing mogelijk te maken is dat er een volledige scheiding van de spoorfunctionaliteit bewerkstelligd moet kunnen worden. Dit houdt i n dat de doorgaande treinen en stoptreinen over aparte sporen rijden (de doorgaande treinen door de tunnel in de Stapeloplossing en de stoptreinen over maaiveld waarbij deze het station op maaiveld kunnen bedienen). De tunnellengte in de Stapeloplossing kan tot ruim 350 meter worden beperkt. Hiermee wordt het mogelijk boven de tunnel perrons met een lengte van 270 voor een stoptreinstation aan te leggen. Daarnaast b l i j f t er ruimte beschikbaar voor spoorwegovergangen aan de uiteinden van de perrons, en kunnen schachten worden aangebracht. De schachten zijn noodzakelijk om drukgolven in de tunnels voor de doorgaande treinen die ontstaan wanneer een trein (met hoge snelheid) een tunnel inrijdt te dempen. Voorwaarden voor toepassing Stapeloplossing Van belang is nu aan welke voorwaarden een locatie moet voldoen om toepassing van de Stapeloplossing mogelijk te maken. Er is een viertal voorwaarden waaraan een locatie dient te voldoen: - Ten eerste is de uitgangssituatie van belang. De bestaande l i j n dient op maaiveld te liggen, of verhoogd. - Er dient een relatie aanwezig te zijn tussen de gebieden aan weerszijden van het uit te breiden spoor waardoor er dwarsrelaties bestaan, en er moet sprake zijn van een bebouwde omgeving. - In de 4-sporige eindsituatie moet een volledige scheiding van de spoorfunctionaliteit mogelijk zijn zodat alle doorgaande treinen door de tunnel(s) kunnen worden geleid. - Er dient ruimte te zijn in zowel de lengterichting als in de breedterichting van het spoor om uitvoering van de Stapeloplossing mogelijk te maken. Ruimtegebrek in de lengterichting van het spoor wordt veroorzaakt door dwangpunten zoals grootschalige infrastructuur. Dit ruimtegebrek kan eventueel worden opgelost door de locatie van de Stapeloplossing te verschuiven langs het spoor, door het ontwerp zodanig aan te passen dat de totale lengte van de Stapeloplossing beperkt wordt, of door de tunnels voor de doorgaande treinen te verlengen, zodat er meer gelijkvloerse kruisingen in de stopsporen (op maaiveld) gerealiseerd kunnen worden. Ruimtegebrek in de breedterichting kan door sloop van bebouwing die de beschikbare ruimte beperkt worden opgelost. Belangrijk is dat bovenstaande eisen bij het toetsen van een locatie op de toepasbaarheid van de Stapeloplossing niet alleen voor de Stapeloplossing gecheckt worden. Ook voor andere uitbreidingsvarianten (tunnel, maaiveld, eventueel verhoogd) dient die check plaats te vinden omdat daarmee een goede vergelijking gemaakt kan worden. Vergelijking 4 sporen op maaiveld - 4-sporige tunnel - Stapeloplossing Om te kunnen toetsen of de Stapeloplossing inderdaad een reëel alternatief is, is een case gedaan. Als casus is Vleuten gekozen, een kern langs de spoorlijn Woerden - Utrecht. Voor deze locatie is bepaald hoe een uitbreiding van 2 naar 4 sporen op maaiveld, een uitbreiding tot een 4-sporige tunnel en een uitbreiding tot de Stapeloplossing eruit zien. Deze varianten zijn op verschillende aspecten vergeleken. Op het gebied van aanlegkosten blijkt de verhouding maaiveld - Stapeloplossing - tunnel ongeveer gelijk te zijn aan 1 ; 2 : 3. Op het gebied van hinder (geluid, trilling en visueel) scoort de 4-sporige tunnel het best, gevolgd door de Stapeloplossing. De 4 sporen op maaiveld scoren beduidend slechter. De sociale veiligheid voor reizigers is in de 4-sporige tunnel het slechtst. De ondergrondse ligging van het stoptreinstation is daarvan de oorzaak: er is een zeer beperkte toezicht vanuit de omgeving mogelijk. De maaivelduitbreiding en de Stapeloplossing scoren relatief gunstig. Doordat i n de Stapeloplossing gelijkvloerse kruisingen boven de tunnel gehandhaafd kunnen blijven (die worden alleen nog door stoptreinen gekruist) scoort de Stapeloplossing net als de 4-sporige tunnel gunstig op het gebied van dwarsrelaties. De maaivelduitbreiding daarentegen scoort slecht omdat kruisingen ongelijkvloers dienen te worden gemaakt. De totale breedte van de Stapeloplossing (maximaal 29 meter) is kleiner dan die van de 4- sporige tunnel, en iets groter dan die van de 4 sporen op maaiveld. Op het gebied van ruimtebeslag liggen de scores van de verschillende uitbreidingsvarianten dicht bij elkaar. Op het gebied van uitvoering scoren de Stapeloplossing en de 4-sporige tunnel wat uitvoeringstijd betreft ongunstig. De aanleg van de tunneldelen kost veel t i j d . Echter, wat uitvoerbaarheid betreft scoren de Stapeloplossing en de 4-sporige tunnel gunstig. De aanleg van ongelijkvloerse kruisingen voor kruisend verkeer (die bij een uitbreiding op maaiveld noodzakelijk zijn) kan zeker in een bebouwde omgeving veel problemen opleveren. Uit de vergelijking is gebleken dat de Stapeloplossing een interessant alternatief kan zijn hij een spooruitbreiding van 2 naar 4 sporen in een bebouwde omgeving. Quick Scan Tenslotte zijn de voorwaarden waaraan een locatie moet voldoen om toepassing van de Stapeloplossing mogelijk te maken verwerkt i n een stappenschema (Quick Scan). Na het doorlopen ervan geeft deze Quick Scan globaal aan of de Stapeloplossing op een bepaalde locatie wel o f niet interessant kan zijn. De Quick Scan is op een aantal locaties toegepast. Hieruit bleek dat de Stapeloplossing in Rijswijk (waar inmiddels een tunnel ligt) en Houten mogelijk kan zijn, en dat deze in Culemborg en Best niet interessant lijken. Ook Utrecht Lunetten en Geldermalsen lijken voor de toepassing van de Stapeloplossing niet geschikt. Conclusie Uiteindelijk kan worden geconcludeerd dat de Stapeloplossing met twee sporen op maaiveld (voor stoptreinen) en twee ondergronds (voor doorgaande treinen) in een bebouwde omgeving zeker reëel en interessant kan zijn, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. In de planvormingsfase van spooruitbreidingsprojecten mag deze uitbreidingsvariant dan ook niet zonder meer worden gepasseerd.Transport & PlanningCivil Engineering and Geoscience
The board’s role in the governance of enterprise information and technology
Until recently, firms with competent enterprise information and technology governance created medium-term competitive advantages within their industry sectors. They did this through: using digital disruption; creating new business\ud
models; providing a superior customer experience; digitizing business operations; developing approaches to internal and external communications; the building of large and engaged online communities, and many other strategies\ud
with information and technology at the core. As capability grows, market leaders will use innovative digital strategies to both further develop and protect the value\ud
created, and develop the capability to transform their organizations rapidly. Digital leaders increase the urgency for all boards to govern information and technology as strategic assets. Increasingly, the existence of competency around GEIT within the board room will be needed to not only gain advantage, but to merely achieve parity with those who have recognized its essential nature as a\ud
new core competency. Those who remain in the denial of the need to build IT capability at all levels risk joining the growing list of once-leading firms left behind in the digital cloud of smoke that characterizes the current and emerging operating environment
A conceptual framework for capability sourcing modeling
Companies need to acquire the right capabilities from the right source, and the right shore, at the right cost to improve their competitive position. Capability sourcing is an organizing process to gain access to best-in-class capabilities for all activities in a firm's value chain to ensure long-term competitive advantage. Capability sourcing modeling is a technique that helps investigating sourcing alternative solutions to facilitate strategic sourcing decision making. Our position is applying conceptual models as intermediate artifacts which are schematic descriptions of sourcing alternatives based on organization's capabilities. The contribution of this paper is introducing a conceptual framework in the form of five views (to organize all perspectives) and a conceptualisation (to formulate a language) for capability sourcing modelling
Understanding IT governance : conceptualization and enabling IT business value
Abstract: An increasing (operational and strategic) dependence on IT for organizations results in a growing need for effective IT governance. Effective IT governance effectuates appropriate control over an organization\u2019s current and future IT use, as to enable the creation and protection of IT business value. However, the research domain of IT governance is somewhat hampered by a lack of theoretical underpinnings for IT governance, which makes it difficult to explain from a theoretical perspective how effective IT governance should be organized and why. In response, this PhD thesis investigates the concept of IT governance through Beer's Viable System Model (VSM). In that context, the research that was conducted serves multiple purposes. First, an organizing logic for IT governance is articulated that is grounded in the VSM and informed by extant IT governance research. Second, extending the discussion beyond the conceptual level, two in-depth case studies are presented that demonstrate how the VSM can be used as a lens for describing and diagnosing IT governance in practice. Third and finally, four empirical IT governance-related research studies are presented that are inspired by the VSM-based organizing logic for IT governance, which demonstrates that this logic can provide structure and theoretical underpinnings to IT governance-related empirical research. For academics, this thesis contributes to the theoretical discourse on IT governance. It answers the question why IT governance can continue to fulfil its general purpose of creating and protecting IT business value. Furthermore, it provides strong theoretical underpinnings for how to organize effective IT governance. For practitioners, this thesis shows how the VSM can be used as a lens to describe and diagnose IT governance in practice. Furthermore, it provides insights on the IT governance mechanisms and practices that may be used to instantiate the required functions of an IT governance arrangement
- …
