2,015 research outputs found
Visie op de waarde van het gebouw van Bouwkunde voor de campus
De TU-campus is in de loop der tijd letterlijk en figuurlijk verschoven van universiteit in de stad, naar een ‘enigszins zelfstandige sector’ (Van de Broek, 1971) en vervolgens naar een letterlijk klassiek campusmodel (gebouwen in het veld) ten zuiden van de Kruithuisweg (fig. 1). Deze ruimtelijke visies volgden het veranderende programma, de ambities van de universiteit en invloeden van buiten. De sporen van deze ontwikkelingen zijn zichtbaar in de oude binnenstad tot aan de stadsrand in Zuid. In dit essay beschouwen we de positie van de faculteit Bouwkunde aan de Julianalaan binnen zijn stedenbouwkundige context.Urban StudiesTeachers of Practice /
Verwijderen van mudcuttings van de zeebodem
Tijdens het offshore boorproces naar olie en gas wordt er een boorspoeling (mud) gebruikt, die onder andere funtioneert als smeermiddel van de boorkop en als transportmedium voor de losgesneden formatie van de bodem van de put naar het boorplatform. Er bestaan verschillende soorten spoeling, de meest voorkomenden zijn de oilbased mud (OBM), waterbased mud (WBM) en synthetic mud (SM). Op het platform wordt de spoeling (mud) zo goed mogelijk gescheiden van de losgesneden formatie (cuttings), dit lukt echter nooit volledig. Vervolgens wordt de herwonnen mud teruggevoerd naar de 'gesloten' cyclus, waama het weer het boorgat ingepompt wordt. De met mud vervuilde cuttings zijn afvalprodukten van het boorproces. Vroeger werden deze mudcuttings geloosd op de zeebodem, tegenwoordig is dit niet meer toegestaan. In het begin van het offshore-tijdperk werd er veelal geboord met een dieselhoudende spoeling, totdat men tot de ontdekking kwam dat de geloosde mudcuttings veel schade aanrichten aan het ecosysteem op en in de zeebodem. Toen is er een verbod afgekondigd tegen het lozen van diesel-oliehoudende cuttings. Als reactie hierop werd er geboord met zogenaamde 'low-tox' oilbased mud. Totdat een paar jaar geleden in het OSPAR-verdrag (samenwerkingsverband tussen vrijwel alle Europese landen) besloten werd de lozing van OBM-cuttings geheel te verbieden. De erfenis van hetjarenlange gebruik van OBM ligt op de zeebodem. Onder vele boorplatforms in de Noordzee ligt een berg OBM-cuttings die milieubelastend is. Het verwijderings- en verwerkingsproces van de mudcuttings kan opgesplitst worden in de verschillende fases: ontgraven, horizontaal transport op de zeebodem, verticaal transport van de zeebodem naar de waterspiegel, laden van het transportmiddel, horizontaal transport van het platform naar land, lossen van het transportmiddel, horizontaal transport van de losplaats naar een depot / verwerkingsinstallatie en afsluitend de verwerking van de mudcuttings aan land. De belangrijkste beginvoorwaarde schrijft voor dat de mudcuttings zo min mogelijk vermengd moeten worden met water, aangezien het vervuilde volume dan alleen maar groter wordt. Dit betekent dat er meer materiaal gereinigd en getransporteerd moet worden, wat extra kosten met zich meebrengt. Aangezien een graafsysteem dat vanaf de waterspiegel werkt niet onder het platform kan komen a.g.v. van golfslag en de complexe structuur van het platform onder water, wordt er voor een onderwatervoertuig met daarop een graafsysteem gekozen. De mudcuttings moeten zo dik mogelijk aangeleverd worden bij de verwerkingsinstallatie en dienen daarom zo dik mogelijk verpompt te worden. De pomp die hiervoor het beste in aanmerking komt is de betonpomp, onder de voorwaarde dat de mudcuttings hetzelfde stroomgedrag vertonen als een Binghamse vloeistof. Het meest geschikte graafWerktuig voor het afgraven van de mudcuttings is de auger (twee tegendraadse schroetbladen op een buislichaam). Met name als de beschermkap wordt toegepast, zorgt deze werkwijze voor een rustig snij- en mengselvormingsproces met vrijwel geen mors en vertroebeling naar de omgeving. De minst complexe oplossing is de combinatie van de auger met de betonpomp op een onderwatervoertuig. De verbinding tussen de auger en de betonpomp wordt gevormd door een vijzel. De vijzel transporteert de mudcuttings die hij via een ronde opening in het midden van de auger aangeleverd krijgt, naar de buffer van de betonpomp. Zodoende kan de betonpomp de mudcuttings, met een zo laag mogelijk watergehalte, naar het transportschip verpompen, waarna ze afgevoerd worden naar land om daar verwerkt te worden.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Op de grens van het openbare: De invloed van het publieke domein op de leefbaarheid in Spangen
In deze scriptie wordt de leefbaarheid in de Rotterdamse wijk Spangen onderzocht. De ruimtelijke ontwerpingrepen die het resultaat vormen van het onderzoek richten zich op de versterking van de leesbaarheid en verblijfskwaliteit en het stimuleren van sociale interactie. Door de overgang (hybride zone) tussen openbaar en privaat domein vorm te geven wordt vanuit de stedebouwkundige discipline een mogelijke bijdrage gegeven aan de verbetering van de leefbaarheid in de wijk.Urban RegenerationUrbanismArchitecture and The Built Environmen
Technische Hogeschool Delft - Laboratorium voor Metaalkunde
Beschrijving van het in 1961 gereed gekomen nieuwe gebouw voor Metaalkunde van de Technische Hogeschool Delft, op de hoek Jaffalaan / Rotterdamseweg te Delft. Het werd geopend op 4 oktober 1961. Het ontwerp is van het architectenbureau Van den Broek en Bakema. In het begin van de jaren 2000 werd het gesloopt. In het boekje ontbreekt helaas een afbeelding van het zeer kleurrijke wandmozaiek dat zich in de aankomsthal bevond.Technische Materiaalwetenschappen (MSE)Mechanical, Maritime and Materials Engineerin
Een complex-cognitieve benadering van stedebouwkundig ontwerpen
De motivatie voor dit proefschrift is ontstaan in de stedebouwkundige praktijk. Ten eerste vanuit een verbazing over de complexiteit van de opgaven waarvoor stedebouwkundigen wordt gesteld, en de manieren die ze in hun loopbaan ontwikkelen om met deze complexiteit om te gaan. Ten tweede vanuit een verbazing over de hoge mate van ongrijpbaarheid van deze manieren van werken: veelal worden deze niet expliciet benoemd en zijn ze in hoge mate individueel van aard. In een tijd waarin vele vakgebieden de stad ontdekken is het noodzakelijk dat deze impliciete kennis, die is opgeslagen in het vakgebied, expliciet wordt gemaakt. Enerzijds is dit nodig om eerdere fouten te voorkomen, anderzijds om de succesvolle manieren van werken uit te bouwen en deelbaar te maken met anderen. De recente economische crisis heeft bovendien aan het licht gebracht dat voor stedebouwkundigen vanzelfsprekende (en noodzakelijke) onderdelen van het ontwerpproces voor opdrachtgevers niet zo evident zijn. In dit proefschrift is een start gemaakt met een fundament op basis waarvan deze processen meer expliciet kunnen worden benoemd. Een aantal bouwstenen voor dit fundament is gelegd in een tweetal congressen die gedurende het schrijven van het proefschrift samen met Juval Portugali zijn georganiseerd: Complexity Theories of Cities Have Come of Age in 2009, en Complexity, Cognition, Urban Planning and Design in 2013. Op deze congressen zijn de verbindingen die in dit proefschrift worden gelegd besproken met de betrokken wetenschappers. Ik raad iedereen die in zijn/haar proefschrift nieuwe verbanden wil leggen aan iets vergelijkbaars te doen: wetenschap is mensenwerk, en er is niks leuker dan deze mensen samen te brengen en je ideeën te bespreken met de mensen achter de artikelen en boeken. Een aantal van deze mensen is van grote invloed geweest op dit de inhoud van dit proefschrift: Hermann Haken, Michael Batty, Bill Hillier, Jeffrey Johnson, Scott Kelso, Paul Thagard, en Barbara Tversky.UrbanismArchitecture and The Built Environmen
Ondersteunen van het zelfregulerend ontwikkelen van competenties in groepen binnen het technasium
Door middel van het vak Onderzoek & Ontwerpen, opgezet door de Stichting Technasium, ontwikkelen leerlingen vakoverstijgende competenties. Het is noodzakelijk dat leerlingen deze competenties zelfregulerend leren ontwikkelen; dit verhoogt de effectiviteit van het leerproces. Doel van het onderzoek was om een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van praktische handvatten, voor leerlingen en docenten, om het zelfregulerend ontwikkelen van competenties in groepen binnen het technasium te kunnen ondersteunen.De ontwikkelde handvatten bestaan uit een combinatie van een Competentiemonitor en een POP-formulier (persoonlijk ontwikkelplan). De Competentiemonitor wordt gebruikt om de ontwikkeling van de leerling visueel in kaart te brengen, over een langere periode, om sterke en zwakke punten te identificeren en leerdoelen te kiezen. Voor deze Competentiemonitor is gebruik gemaakt van een indeling in zes competentieclusters, en twintig daaronder gegroepeerde competenties, zoals opgesteld door de Stichting Technasium (Van den Brink, 2016). Het POP-formulier ondersteunt het leerproces tijdens een projectperiode door middel van prompting op drie momenten tijdens het project, volgens de drie fasen (forethought-, performance- en self-reflection phase) van het cyclisch proces van zelfregulatie volgens Zimmerman (2000).Het onderzoek is gedeeltelijk uitgevoerd in samenwerking met de Stichting Technasium. De methode is getoetst in de lespraktijk op het technasium van het Calandlyceum in Amsterdam, door middel van design-based research (DBR). Met het oog op triangulatie is gebruik gemaakt van een mixed-methods opzet. Voor het kwantitatieve deel van het onderzoek is dezelfde anonieme vragenlijst drie keer afgenomen onder 200 technasiumleerlingen van het Calandlyceum. De interventiegroep (3e en 5e klas) heeft gedurende twee projectperiodes (kwartalen) gewerkt met de nieuwe methode, en de controlegroep (2e, 4e en 6e klas) heeft gewerkt met de methode die voorheen al werd gebruikt op het Calandlyceum. Het kwalitatieve deel van het onderzoek bestond uit semi-gestructureerde interviews met 16 leerlingen van de interventiegroep over hun ervaring met het werken met de nieuwe methode, en groepsgesprekken met 8 leerlingteams, waarin hun leerproces en het ingevulde POP-formulier werden besproken.Uit de resultaten blijkt dat de methode een positieve invloed heeft op alle vier gemeten dimensies: (1) metacognitieve kennis over de competentie-ontwikkeling, (2) attitude jegens werken aan competentieontwikkeling met aangereikte methode, (3) volgen van drie stappen van cyclisch proces volgens Zimmerman (2000) en (4) intensiteit van samenwerken ten behoeve van persoonlijke leerdoelen. Resultaten van het kwalitatieve onderzoek hebben de resultaten van het kwantitatieve deel van het onderzoek bevestigd. Belangrijke aspecten van de methode zijn de specifieke gedragsbeschrijvingen in de monitor, visuele weergave van het niveau van competenties en de progressie van de ontwikkeling, structuur en prompts in het POP-formulier en het daardoor effectiever in groepsverband samen kunnen werken aan de persoonlijke ontwikkeling – leerdoelen werden (in de succesvolle gevallen) binnen het team bij de start besproken en de taakverdeling werd hierop aangepast door de teamleider.Het praktisch nut van, onder andere, de theorie van Zimmerman (2000) is bevestigd door de gemeten positieve effecten van de methode. De methode is geschikt voor de O&O-lespraktijk. In de discussie worden aanbevelingen gedaan voor doorontwikkeling van de Competentiemonitor en inzet van de methode in de lespraktijk.Applied Sciences | Science Education and Communicatio
Een stad vol verhalen: Een onderzoek naar het programma voor een nieuw gefragmenteerd museum in stadsdeel Feijenoord aan de hand van verhalen van bewoners
Het Museum van Rotterdam moest eind vorig jaar zijn deuren sluiten, omdat het te weinig bezoekers trok en het gebouw niet meer voldeed aan zijn functie. De Raad voor Kunst en Cultuur stelde daarom een alternatief voor; een Nieuwe stadsmuseale functie (NSF) die wellicht niet in één gebouw gefaciliteerd zou moeten worden, maar op meerdere locaties verspreid over verschillende wijken. Deze gefragmenteerde musea vragen om een uitgebreid onderzoek van het programma met een focus op de bewoners. Het achterhalen van de identiteit van de gebruiker en de buurt op basis van verhalen uit de wijk en van bewoners zal inspiratie leveren voor het programma van een gefragmenteerd museum. Met dit onderzoek wordt inspiratie gezocht om zo dichter bij de verhalen van de wijk te komen. Het onderzoek start bij het achterhalen van de NSF en de visie van het Museum Rotterdam. Vervolgens worden de verhalen van de wijk in kaart gebracht en geanalyseerd, doormiddel van het programma Atlas.ti. Daarna zijn de verhalen geanalyseerd op sociale en culturele kenmerken om de identiteit van de bewoner, wijk, stadsgedeelte en de stad te ontdekken. Door de verhalen te analyseren op de naar voren gekomen kernthema’s en te luisteren naar wat de bewonerszelf vertellen over de identiteit, is er grip verkregen op de identiteit van de bewoners, de wijk, het stadsgedeelte en de stad. Tot slot is er onderzoek gedaan naar drie bestaande projecten om zo ook inspiratie op te doen voor het ruimtelijke programma voor het museum. Vanuit het tweede deel vanhet onderzoek is er inspiratie verkregen aan de hand van een referentieonderzoek die variëren in schaal, programma, context en de manier van tentoonstellen. Deze analyse is omgezet in ruimtelijke tools die zijn weergegeven in de schema’s. Het resultaat van het onderzoek is inspiratie voor hetprogramma. Het ontwerp voor het museum zal de verhalen respecteren en kan bestaan uit een wisselende expositie. Een groot deel van de bewoners geven aan dat de toegankelijkheid een groterol speelt in het deelnemen. Het museum zal dus toegankelijk zijn voor iedereen en laagdrempelig. De verschillende kernthema’s die zijn bestudeerd laten de identiteit van het stadsgedeelte zien. Daarbij staat de verbinding van bewoners bovenaan en zal dus kunnen dienen als hoofdthemavoor het nieuwe museum. Dit onderzoek heeft dus inspiratie geleverd voor het programma op het gebied van de identiteit, de formaliteit, de toegankelijkheid en de verbinding.Resilient DeltaArchitecture, Urbanism and Building Science
De leefbare Vinex wijk: Verbetering van de sociale veiligheid door het herinrichten van de openbare ruimte in Vinex- wijken
Dit afstudeerproject richt zich op hoe de inrichting van de openbare ruimte de veiligheidsbeleving van bewoners, bezoekers en passanten kan verbeteren binnen een Vinex wijk. Onveiligheidbeleving en -gevoelens beperken bewoners in het gebruik van hun wijk, terwijl een wijk een plek moet zijn die men de mogelijkheid biedt om intensief met elkaar om te kunnen gaan. Toch is hiervan minder sprake, in tegenstelling tot het verleden, doordat er onder andere een gebrek is aan kwalitatieve openbare ruimtes waardoor de mate van onderlinge sociale contacten zijn verminderd. Leefbaarheid en veiligheid zijn belangrijke onderwerpen binnen de politieke agenda van vele politieke partijen (KEI, 2012) want bewoners mogen zich niet onprettig voelen binnen hun eigen wijk en er moeten faciliteiten beschikbaar zijn wanneer zij hun medebuurtbewoners willen ontmoeten en leren kennen. Het is daarom relevant om te onderzoeken hoe de leefbaarheid binnen een wijk geoptimaliseerd kan worden, door middel van fysieke ingrepen, zodat sociale onveiligheidsgevoelens worden weggenomen en de wijk weer een prettige woonomgeving wordt.Urban Regeneration StudioUrbanismArchitecture and The Built Environmen
Verslag van de vierde Benelux-havenstudiedagen
Verslag met een welkomstwoord van D.J. Wansink en R. Burgert, een inleiding door prof. Kuiler, en presentaties over de samenwerking tussen havens en de scheepsbouw, de sleutels van het deltagebied, de problematiek van de mechanisatie van de overslag van goederen, de ontwikkelingen in de scheepsbouw en de economische consequenties van de ontwikkeling in de scheepsbouw voor de havens
Cultivated landscapes as new cathedrals
Cornelis van Eesteren plays an instrumental role in the history of urbanism education in the Netherlands. He is regarded as a modernist, as a counterpart to the more traditional M.J. Granpré Molière. His expansion plans for Amsterdam earned him a reputation even before World War II, but as well as focusing on the IJsselmeer polders, his post-war work also involved modernising urbanism education in Delft. Van Eesteren was the pioneer of a new approach.ArchitectureArchitecture and The Built Environmen
- …
