1,720,952 research outputs found

    Risk analysis for new sea dike design guidelines in Vietnam

    No full text
    Vietnam experienced sustained economic growth over the last decades, making it one of the fastest growing economies of the world. At this moment Vietnam is still fighting its way out of poverty and trying to improve living standards. With a coastline of 3,260 kilometers many activities take place in the densely populated coastal areas. The government of Vietnam wants to use the coastal zone to its fullest potential and therefore a lot of economic development is planned in these regions. It is important to make the coastal zones safe areas for living and investments. The coastal areas of Vietnam are protected from the sea by dikes. Currently a major sea dike project investigates and upgrades the sea dikes and creates new dike construction guidelines. This project consists of several subprojects which each focus on a specific task. Subproject 4 reviews the sea dikes from Quang Ninh to Quang Nam provinces (Northern coastal provinces). The subproject 4 contents are the collection of data on sea dikes, the creation of a sea dike databank, the determination of the dike route and to set up design criteria for sea dikes. Within subproject 4 the Safety Standards project was set up focused on a plan of approach to define sea dike safety standards with a risk-based approach. Design criteria and guidelines for the construction of sea dikes are (part of) the output of subproject 4 and safety standards can form part of these design criteria. To determine these safety standards a risk assessment is executed. This is a different approach with respect to the current situation and also is a complicated subject. Introducing this new approach for the Vietnam situation the Safety Standards project is the first step in implementing this strategy for coastal defense projects. The introduction of this method in Vietnam is considered more important than finding the exact safety standards for different situations. Therefore the results of the Safety Standards project should be regarded as indicative, as an example. Translation of safety standards to technical design criteria is therefore outside the project scope. The Safety Standards project uses the coastal provinces Hai Phong and Nam Dinh as case study areas. Both provinces have approximately the same size and number of inhabitants, but different characteristics. Hai Phong is a more industrial province; Nam Dinh is a rural province. The research is focused on the Vietnamese situation and done from a Vietnamese perspective. With calculations based on economic optimalization an approach of defining safety standards was developed and three different safety standards for the Vietnamese sea dikes were found: 1. High safety level for high developed and fast developing areas; a safety standard of 1/1000 years can be considered for these areas. 2. Medium safety level for moderate populated areas with sustained economic growth; a safety standard of 1/200 years can be appropriate. 3. Low safety level for rural areas with no to little development; this can be a safety standard of 1/100 years.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    Tides

    No full text
    Lecture notes on tides (with focus on the Indonesian archipelago). Includes an Indonesian vocabulary.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    Introduction to bed, bank, shore protection

    No full text
    Loads (flow, waves, ships, porous flow), Erosion (flow, remainder) Load reduction, stability (flow, waves, porous flow), Protections, construction and maintenance, design.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    Introduction to bed, bank and shore protection

    No full text
    Flow (loads, stability, erosion) Porous flow (general, filters), waves (loads, stability, erosin), ships, protections, construction and maintenance, design.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    Bodembescherming voor een verticale golfbreker

    No full text
    Dit rapport beschrijft een onderzoek naar de bodembescherming die voor een verticale golfbreker aangebracht wordt. Voor een verticale golfbreker ontstaat een staande golf waarin orbitaalstromingen wrijving op de bodem veroorzaken. Het ontbreken van een bodembescherming kan leiden tot het ondergraven van een verticale golfbreker. Om inzicht te krijgen of de bestaande theorieen van Rance & Warren en Jonsson & Sleath toegepast kunnen worden voor het bepalen van de bodembescherming voor een verticale golfbreker zijn er experimenten uitgevoerd. De experimenten zij uitgevoerd in het laboratorium voor vloeistof mechanica van de faculteit Civiele Techniek van de Technische Universiteit Delft. De experimenten zijn uitgevoerd in een golfgoot met aan het eind een verticale wand met daarvoor een 5m lange testlaag. De testlaag bestaat uit stenen die in gekleurde stroken zijn aangebracht met een breedte van 10 em. Aan het begin van de golfgoot bevindt zich een golfinachine die aIleen regelmatige golven op kan wekken. Elke proefis driemaal uitgevoerd, in totaal126 proeven.. In de proeven zijn de steendiameter, de soortelijke massa, de golfhoogte en de golfperiode gevarieerd. Na elke proeven is de schade bepaald door middel van verplaatste stenen te tellen die van de ene strook naar de andere zijn verplaatst. De schade is bepaald door het percentage te bepalen van het nominale oppervlak van het aantal verplaatste stenen per strook. Onder de knopen van de staande golf is de schade van de bodembescherming maximaal, dit is conform de golftheorie. Volgens de golftheorie is de stroming onder de knopen van de golf maximaal en onder de buiken de stroming minimaal. De knoop van de staande golf ontstaat op een kwart golflengte van de verticale wand hier treed dus ook de maximale schade op. De resultaten van de proeven zijn vergeleken met de theorieen van Rance & Warren en Jonsson/Sleath. De golfhoogte van de staande golven bij het begin van bewegen zijn vergeleken met de berekende waarden van Rance & Warren en Jonsson/Sleath. Hieruit volgt dat de theorie van Rance & Warren zeer goed voldoet om de benodigde bodembescherming te bepalen. De theorie van Jonsson/Sleath geeft bij de zelfde bodembescherming een golfhoogte toe die een kwart kleiner is. Hetgeen vergeleken met de experimentele resultaten erg conservatief is.Civil Engineering and Geoscience

    Hydraulische modellering Open Beerdam

    No full text
    Door het besluit om de Europoortkering in combinatie met de Stormvloedkeringen in de Nieuwe Waterweg en het Hartelkanaai te realiseren, ui de Beerdam in 1996 geopend kunnen worden. Deze opening heeft gunstige gevolgen voor de binnenscheepvaart-afwikkeling van en naar de Maasvlakte. Om de gevolgen van de opening voor de waterbewegingen in het benedenrivierengebied te voorspellen zijn tijdsafhankelijke berekeningen gemaakt met een 1D numeriek waterbewegingsmodel van het gebied dat sinds langere tijd in het programma ZWENDL bestaat. Voor meer gedetailleerde stromingsberekeningen van stroomsnelheden in en nabij de opening zelf, zijn de resultaten van de ZWENDL-berekeningen gebruikt voor het aansturen van een dieptegemiddelde modellering voor het gebied van interesse in het programma TRISULA. Deze berekeningen werden uitgevoerd voor meerdere varianten. De meest opmerkelijke resultaten van de TRISULA-sommen waren: dat er zich bij eb een neer bleek te ontwikkelen in de Mississippihaven. dat er een retourstroom in het westelijk deel van het Hartelkanaal ontstond als gevolg van stoorgolven. Vooral de retourstroom leek in eerste instantie een obstakel voor de scheepvaart. De stoorgolven bleken echter het gevolg van inspeelverschijnselen van het model, zodat in een berekening waarin gebruik werd gemaakt van Riemann-randvoorwaarden de stoorgolven sneller uitdempten, waarna een nagenoeg stromingsvrije westelijke Harteltak geen problemen voor de scheepvaart meer opleverde. Wel werden er door de opdrachtgever nog vraagtekens geplaatst bij het ontstaan van de neer. Mede door het gebruik van de dieptegemiddelde (turbulentie)- modellering was het niet duidelijk of de berekende stroombeelden ook in werkelijkheid zouden optreden. Bovendien was het ZWENDL-model intussen aangepast, en wilde men de resultaten van hiermee aangestuurde TRISULA-berekeningen gebruiken in een gedetailleerd scheepvaartsimulatieonderzoek, zodat men de eerdere modelkeuze onderbouwd wilde zien voordat de nieuwe berekeningen met hetzelfde model zouden worden gedaan. Vervolgens was er tevens de wens naar een onderzoek naar de mogelijke uitvoeringsmethode voor de opening. Deze vragen en wensen hebben geresulteerd in het afstudeerproject 'Hydraulische modellering Open Beerdam '. Voor het project is als doel gesteld de bestaande modellering van de opening met gebruik van de nieuwe randvoorwaarden te onderzoeken op zijn realiteitswaarde door de gebruikte aannames en parameters aan de hand van de ermee berekende stroombeelden te toetsen. Een tweede doel is om met een keuze voor zo reëel mogelijke berekende stroombeelden tijdens de opening van de Beerdam een uitvoeringsmethode methode te onderbouwen en de morfologische ontwikkelingen die zich voor zullen doen tijdens deze opening globaal te voorspellen. Om het eerste doel te bereiken is de toetsing op basis van een keuze voor de meest voor gevoeligheid verantwoordelijk geachte modelleringsparameters en aannames, opgesplitst in drie deelonderzoeken: gevoeligheidsonderzoek naar de invloed van de viscositeit gevoeligheidsonderzoek naar de invloed van de openingsschematisatie onderzoek naar de correctheid van de stationaire aanpak Ten behoeve van het tweede doel is hieraan een vierde studie aan toegevoegd: onderzoek naar een mogelijke uitvoeringsmethode.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    De stabililteit van de bodembescherming voor een kademuur bij het gebruik van boegschroeven

    No full text
    Bij het gebruik van een boegschroef bij aanleg- en afvaartmanoeuvres botst de boegschroefstraal direct tegen de kademuur. Een verticale kademuur remt de schroefstraal af en buigt hem om, waarna een alzijdige wandstraal ontstaat (d.w.z. een straal die in alle richtingen in een verticaal vlak voor de kademuur uitstroomt). Het uitstromen van deze wandstraal wordt vervolgens begrensd door het wateroppervlak en door de bodem. Na het afremmen en ombuigen van de verticale wandstraal ontstaat een horizontale straal over de bodem en vlak onder de waterspiegel. Bij een combinatie van een geringe afstand tussen het schip en de kade en een geringe kielspeling onder het schip kan de schroefstraal zich slechts zeer beperkt spreiden, waardoor rekening moet worden gehouden met grote stroomsnelheden aan de bodem. Met name schepen uitgerust met een groot boegschroefvermogen, zoals containerschepen, kunnen in deze situatie een zware belasting op de bodembescherming geven. Omdat er wereldwijd een grote groei van het aantal containerschepen wordt voorspeld, en omdat er in de Rotterdamse haven naar gestreefd wordt om deze schepen zelfstandig, met gebruik van de boegschroef, te laten afmeren en wegvaren, wordt het steeds belangrijker om een goed inzicht te krijgen in het ontgrondingsproces voor de kademuur. Om een bodembescherming te kunnen dimensioneren op de belasting door een omgebogen schroefstraal zijn twee rekenrelaties nodig: een relatie om de stroomsnelheid in de schroefstraal boven de bodem te berekenen een relatie om de bodembescherming te dimensioneren. Er bestaan verschillende relaties voor de berekening van de stroomsnelheden in een schroefstraal loodrecht op een kademuur. Deze relaties zijn, voor zover bekend, nooit goed getoetst. In de relatie voor de dimensionering van de bodembestorting komt een coefficient voor, waarvoor behoorlijk uiteenlopende waarden worden gegeven.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    Gekoppelde instabiliteit van de Maeslant Kering: Vier lineaire modellen

    No full text
    In de ontwerpfase van de Maeslant Kering zijn door het WL tweedimensionale en driedimensionale modelproeven uitgevoerd. Tijdens de driedimensionale proeven werd een aantal niet voorziene instabiliteiten waargenomen. Naar aanleiding van deze proefresultaten werden het deurprofiel en de vormgeving van de onderzijde veranderd, zodat de stabiliteit van het model werd vergroot. Tenminste twee van de betreffende eigenbewegingsvormen (modes) ontstaan door interactie tussen de drijvende deuren en het water. De bepalende mechanismen en randvoorwaarden voor dit interactieve proces zijn niet voldoende bekend om eventueel instabiel gedrag volgens deze twee gekoppelde eigenbewegingsvormen te kunnen voorspellen. De doelstelling van dit onderzoek is het vergelijken van een aantal lineaire modellen ter beschrijving van de beweging van twee drijvende deuren bij één zo'n eigenbewegingsvorm. De vormgeving van de deuren wordt vereenvoudigd tot het balkmodel. Allereerst is er een discreet, samengesteld model opgebouwd uit drie enkelvoudige modellen. Dit samengestelde model stelt de waterbeweging afhankelijk van de deurbewegingen. De krachten op de deuren ten gevolge van de deurbewegingen worden berekend, waarbij in de uitdrukkingen voor de krachten de effecten berging, traagheid en demping zichtbaar blijven en afkoppelbaar zijn d.m.v. "schakelparameters". Er bestond al een discreet model, het "model van Kolkman". Dit model stelt de waterbeweging centraal. Het is gebaseerd op één van de waargenomen instabiliteitsverschijnselen; het marginaal bergend vrij oppervlak komt overeen met het marginaal bergend vrij oppervlak van de optredende staande golf bij de betreffende eigenbewegingsvorm. Het mechanisme dat tot gekoppelde instabiliteit kan leiden wordt verklaard met behulp van de debietkarakteristiek van de deuren. Verder is gebruik gemaakt van de transversale-golf generatortheorie van Madsen. Deze theorie is een toepassing van de potentiaalstroomtheorie. De vergelijking van Laplace wordt analytisch opgelost met oplegging van randvoorwaarden, die gelden bij in tegenfase bewegende golfschotten in een stroomgoot. Er wordt berekend, welke randvoorwaarde er aan het oppervlak van de golfschotten moet gelden om alleen een transversale golf op te wekken met de periode van de staande golf bij de betreffende model. Het numerieke model Delmulti van prof.dr.ir. J.A. Pinkster van de Faculteit Werktuigbouwkunde en Maritieme Techniek is eveneens gebaseerd op potentiaalstroomtheorie. Dit model maakt gebruik van de panelenmethode. Het model berekent hydrodynamische coëfficiënten in de (gekoppelde) bewegingsvergelijkingen van drijvende objecten. Het model is gebruikt voor de geometrie van twee drijvende, dompende deuren. Uit vergelijking van de vier lineaire modellen blijkt dat de beweging van de deuren en het water volgens mode 2 op die vier manieren kan worden beschreven. De verschillende benaderingen leiden tot verschillende verklaringen van het ontstaan van deze laagfrequente instabiliteit. Om gekoppelde instabiliteit te kunnen voorspellen is bij elk van de modellen nog aanvullend onderzoek nodig.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    Wilgen als oeverbescherming in kribrakken

    No full text
    Al enige jaren geleden is Rijkswaterstaat begonnen met een onderzoek naar de mogelijkheid om wilgen als oeverbescherming in kribvakken te laten fungeren, dit in het kader van PMO (Project Milieuvriendelijke Oevers) en Plan Ooievaar. Tot op heden is er zeer weinig bekend over de civieltechnische functie van de wilgen op de kribvakoevers. Om meer helderheid inzake bovenstaand Probleem te scheppen, is in de eerste plaats een. uitgebreid Iiteratuuronderzoek gedaan naar de toepassing van wilgen als biologische oeverbescherming. Verder zijn twee belangrijke aspecten aangaande wilgen in een kribvak onderzocht: 1) de invloed van de wilgen op het stroombeeld en de stroomsnelheden in het kribvak en 2) de invloed van de wilgewortels op de ontgronding rond een enkele wilgestam. Met het computerprogramma DUCHESS zijn berekeningen van de stroomsnelheden in een kribvak gemaakt. De situatie zonder wilgen is vergeleken met die van aanwezigheid van wilgen in het kribvak. Op deze manier bleek het mogelijk om een reductiefactor voor de stroomsnelheid te berekenen. Het wilgenbos is in het computermodel ingevoerd als een grote bodemruwheid, uitgedrukt in een Chezywaarde. Deze waarde is afhankelijk van de waterstand in de rivier, en varieert tussen de 5 en de 40 m1/2/s. Dat DUCHESS goed om kan gaan met een grote, lokale verhoging van de bodemruwheid, bleek uit de vergelijking van gemeten, en met DUCHESS berekende stroomsnelheden in een stroomgoot, waarin lokaal een verhoogde bodemruwheid d.m.v. stokjes is aangebracht. De kwalitatieve en kwantitatieve remming van de stroomsnelheid hangt af van het feit of er in het kribvak een neer ontstaat of niet. Een wilgenbos blijkt een stroomsnelheidsvermindering te kunnen veroorzaken van maximaal een factor 6. De invloed van wortels op de ontgronding rond een enkele wilgestam is onderzocht door middel van ontgrondingsproeven in een stroomgoot, met gebruikmaking van echte wilgewortels. Afhankelijk van de manier van kweken kunnen er verschillende wortelstructuren ontstaan. Bij gezaaide wilgen gaan de wortels vanuit het zaadje een sponsachtige structuur vormen, zodat hier de kans op het ontstaan van een bodembeschermende wortelmat groot is. In de proefvakken langs de rivier worden de wilgen echter gestekt. Een stek wordt in de bodem gestoken. Onderaan deze stek ontstaan talrijke lange en sterke wortels. Om beide wortelstructuren te beproeven zijn de wilgen dan ook op de twee aangegeven manieren gekweekt. Bij aanwezigheid van een wortelmat kan de vermindering van de ontgrondingsdiepte wel 76% bedragen. In de andere gevallen is deze vermindering ongeveer 42%. Ook grind kan voor een grote vermindering van de ontgrondingsdiepte zorgen van 49%. De extra beschermende functie van wortels in de situatie van aanwezigheid van grind, is gering. Concluderend kan men stellen dat een wilgenbos wel degelijk een oeverbeschermende functie in het kribvak kan vervullen. Echter zal aanvullend onderzoek nodig zijn, vooral naar de bodemligging van het kribvak. Onderzocht moet worden of, en in welke situaties een optredende erosie van de oevervoet of de vooroever het wilgenaanplantvak kan bedreigen. Uit de Iiteratuur blijkt dat een oevervoetbescherming nodig kan zijn om uitspoeling van de voorste rij wilgen te voorkomen. Ook wordt hier gesteld dat een rijspakwerk op de oever een betere aanplantmethode is dan te werken met gestoken stekhout. Dit rijspakwerk gaat vanzelf groeien; alleen in de groeifase zal dan een tijdelijke oeverbescherming nodig zijn.Civil Engineering and Geoscience

    Experimental study of blockage of random waves by counter currents

    No full text
    From February to April 1999, wave-blocking experiments have been conducted at the Laboratory of Fluid Mechanics of the Faculty of Civil Engineering and Geosciences, Delft University of Technology, The Netherlands as a part of the Ph.D. research of I.K. Suastika. Wave blocking is a special case of wave-current interaction. It can occur when waves are propagating against a counter of which the velocity is increasing in the wave propagation direction. Blocking occurs where the intrinsic wave group velocity (cg) is equal, but opposite in sign, to the mean velocity. The counter current velocity at the blocking point is called the blocking velocity. In this thesis the experiments are described and a part of the measurement data is analysed, especially the data concerning the blocking of irregular waves. The first objective of this research is to acquire quantitative data on partial and complete blocking. The second objective is to develop a model for wave blocking. The model should describe the wave field in a situation where blocking occurs. 80, for a given incoming (generated) wave field and counter current, the model should describe the wave field up to and at the blocking point. (And beyond, in cases of partial blocking.)Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
    corecore