1,721,198 research outputs found

    Formal control in interfirm service exchanges.

    No full text
    In de huidige economische omstandigheden richten bedrijven zich vaak op hun kernactiviteiten. Een rechtstreeks gevolg hiervan is dat vele van de ze bedrijven zich wenden tot andere bedrijven (leveranciers) voor de uit voering van verschillende, ondersteunende diensten. Voorbeelden van zulk e diensten zijn informaticabeheer, facilitair management, business engin eering, logistiek, personeelsbeleid, veiligheid, catering, enzovoort. Bi j uitbesteding van dergelijke diensten streeft de klant ernaar om de kwa liteit van dienstverlening te verhogen, een lagere kostprijs te bedwinge n of bij te leren van zijn leverancier. Niettemin blijkt dat elke dag op nieuw vele van deze voordelen ver te bespeuren zijn en dat tal van uitbe stedingsrelaties ophouden te bestaan. Belangrijke redenen hiervoor zijn de incompetentie van de leverancier, het verhoogde risico op opportunist isch gedrag en onderlinge onenigheid inzake de vooropgestelde doelstelli ngen. Omwil le van deze bestaande risico’s die inherent zijn aan elke uitbestedingsr elatie, lijkt het gebruik van geschikte controlesystemen tussen 2 of mee rdere partijen een absolute noodzaak. Op deze manier immers kan een klan t de uitbestedingsrisico’s herleiden tot een minimum. In dit proefschrif t definiëren we interorganisatorische controlesystemen als een reeks aan mechanismen die de klant toelaat zijn leverancier te motiveren en te co ntroleren op zo’n manier dat deze laatste handelt ter goeder trouw en co nform de vooropgestelde doelstellingen (Kirsch et al. 2002; Das en Teng, 1998). In de literatuur wordt vaak verwezen naar twee manieren van inte rorganisatorische controle, namelijk formele en informele. De eerste man ier van controle benadrukt de ontwikkeling en het gebruik van formele re gels, procedures en beleidsvoorwaarden. Voorbeelden hiervan zijn incenti vesystemen, open boekhouding, afspraken rond intellectuele rechten, best uursorganen enzovoort. De tweede manier van controle berust op de ontwik keling van normen, waarden, cultuur en de verinnerlijking van doelen. Vo orbeelden hiervan zijn gedragscodes en onderling vertrouwen. De fo cus van dit doctoraat ligt op het gebruik en de effectiviteit van f ormele controlesystemen in uitbestedingsrelaties. Specifiek, in dit proe fschrift onderzoek ik (1) hoe managers leren om bepaalde formele control esystemen te gebruiken in uitbestedingsrelaties, (2) de impact van inter organisatorische formele controlesystemen op de prestaties van leveranci ers en (3) hoe imitatiegedrag een verklaring kan vormen voor het gebruik van formele controlesystemen in een uitbestedingsnetwerk. Met betrekkin g tot het eerste onderzoeksdoel, ga ik na in welke mate verschillende le ermechanismen een rol kunnen spelen in de keuze en de evolutie van een o ndernemings interorganisatorische formele controlesystemen. Met betrekki ng tot het tweede onderzoeksdoel, ontwikkel en valideer ik een onderzoek smodel dat suggereert dat het eigenlijke prestatie-effect van formele co ntrolesystemen afhangt van (1) de wijze van formele controle (output- of gedragscontrole) in relatie tot (2) het type van dienst (massa of profe ssioneel) en (3) de relatieve aanwezigheid van informele controle. Met b etrekking tot het derde onderzoeksdoel, bestudeer ik in welke mate speci fieke interorganisatorische formele controlesystemen die een klant gebru ikt met zijn leverancier, geïmiteerd worden door diezelfde leverancier b ij het op zijn beurt controleren van zijn verschillende dienstenleveranc iers. Om de ze verschillende onderzoeksobjectieven te realiseren, hebben we drie emp irische studies uitgevoerd allen gesitueerd in het domein van de uitbest eding van diensten. In de eerste studie, bijvoorbeeld, trachten we ons o nderzoeksobjectief te realiseren door een gevalsstudie uit te voeren ove r een periode van 7 jaar met betrekking tot het uitbestedings- en contro lebeleid van een multinational inzake facilitair management. In de tweed e studie, gebruiken we data verzameld op basis van enquëtes en gaan we n a hoe klanten denken over hun relatie met dienstenleveranciers. In totaa l, verzamelden we 253 valide antwoorden. De derde studie betreft opnieuw een gevalstudie in de faciliteiten dienstensector. Specifiek, om imitat iegedrag inzake controlesystemen te kunnen achterhalen, hebben we data v erzameld met betrekking tot een facilitaire dienstenketen die verschille nde uitbestedingsrelaties inhield. De be langrijkste bevindingen inzake de drie onderzoeksobjectieven zijn: In de eerste studie, vind ik dat verschillende veranderingen in het bedr ijf zijn gebruik van interorganisatorische formele controlesystemen niet volledig verklaard kunnen worden vanuit een transactiekosttheorie (Will iamson, 1985). Vele veranderingen echter blijken het gevolg van verschil lende leermechanismen. Meer bepaald, we onderscheiden vier leermechanism en – kennisverzameling, informatieverspreiding, informatie-interpretatie en interorganisatorisch geheugen – die de drijfveer zijn achter verschi llende wijzigingen en ontwikkelingen inzake een bedrijf zijn interorgani satorische controlebeleid. Deze studie is tevens een van de eerste studi es die op een dynamische manier de determinanten van interorganisatorisc he formele controlesystemen belicht. In de tweede studie stellen we vast dat enkel informele controle een direct, positief effect vertoond op leveranciersprestaties. Dit resultaat is con sistent met voorgaand onderzoek. Verder tonen de resultaten aan dat outp ut controle en service type (massa of professionele diensten) een intera ctie-effect vertonen. Met massa diensten bedoelen we eenvoudige, product georiënteerde diensten zoals logistiek of veiligheid. Met professionele diensten verwijzen we naar eerder complex, proces georiënteerde dienste n zoals business engineering of consultancy. Wanneer klanten dan beroep doen op outputcontrole bij het uitbesteden van massa diensten, vind ik e en positief effect op de leveranciersprestaties. Dit effect wordt echter negatief wanneer de uitbestedingsrelatie professionele diensten betreft . Het interactie-effect tussen gedragscontrole en type van diensten is e chter afhankelijk van de aanwezigheid van informele controle tussen klan ten en leveranciers. Meer bepaald, we vinden dat enkel wanneer gedragsco ntrole vergezeld is van informele controle, het een positief effect heef t op de leveranciersprestaties. Dit effect blijkt sterker te zijn bij ui tbesteding van professionele dan van massa diensten. In de derde studie, suggereren de resultaten het bestaan van imitatiegedrag i nzake het gebruik van formele interorganisatorische controlesystemen. Sp ecifiek, ik vind bewijs dat wanneer zowel klant-leverancier als leveranc ier-leverancier relaties gekenmerkt zijn door een hoge onzekerheid of pa rtner-afhankelijkheid, de controlesystemen die gebruikt worden door de k lant (in zijn relatie met de leverancier) in grote mate geïmiteerd worde n door diezelfde leverancier met zijn leveranciers. Het imitatie-effect met betrekking tot coördinatie-ondersteunende formele controlesystemen ( dat zijn controlesystemen die gericht zijn op het uitwisselen van gevoel ige partnerinformatie) wordt echter sterk gereduceerd in geval van coope titie tussen de verschillende leveranciers. Coopetitie houdt in dat binn enin een bepaald netwerk verschillende leveranciers met elkaar samenwerk en terwijl daarbuiten ze elkaars concurrent zijn. . In het algemeen sugg ereert deze studie dat naast zuiver economische indicatoren, managers oo k op een rationele gebruik maken van netwerkinformatie (sociale indicato r) bij het sturen van hun keuzes inzake interorganisatorische formele co ntrolesystemen.status: Publishe

    Management control of inter-firm relations: the role of information.

    Full text link
    Management control of inter-firm relations: the role of information. This dissertation provides three empirical studies on the impact of m ore refined cost and management accounting information on buyer-supplier relations and outcomes. The first two manuscripts are experiment-based and assess to what extent more refined information (operationalized as T otal Cost of Ownership information) can be useful in inter-firm cost man agement between buyers and suppliers in different business settings. Whi le the first manuscript focuses on the use of information in different p ower settings, the second manuscript investigates the influence of infor mation on buyer-supplier negotiations in different inter-firm management control settings. The results of manuscript 1 provide insights into how less powerful buyers use information to signal non-opportunistic behavi or to the other partner in the relationship. Manuscript 1 also demonstra tes that, contrary to what is popularly believed, more refined informati on does not always result in better outcomes. Manuscript 2 examines the way in which trust is built in the relationship (the how of t he trust building process) and the role that information plays in this p rocess. The results of manuscript 2 also contribute to the ongoing discu ssion on the relation between formal controls and trust (i.e. whether th ey are substitutes or complements). Recent studies suggest that the rela tion between information, trust and formal controls may be non-linear. M anuscript 2 provides empirical support for these claims. The third manus cript is survey-based and discusses how information relates to other int er-firm governance mechanisms (trust and formal controls) in inter-firm relations. The central aim of manuscript 3 is to discuss how trust, form al controls and information reduce perceived risk. While previous studie s on the relation between trust and controls typically treated the diffe rent governance mechanisms as uni-dimensional constructs, this study exp licitly models them as multidimensional constructs. By doing so, manuscr ipt 3 reveals that the relation between the different governance mechani sms is far more complex than simply substitutive or complementary. Final ly, a distinction between buyer-supplier relations with and without prio r ties is made and important differences are found between these two gro ups in the effectiveness of the different governance mechanisms in reduc ing perceived risk.status: Publishe

    The convergence hypothesis of financial ratios: a non-parametric approach

    Full text link
    status: Publishe

    Management control system design for supplier relationships in manufacturing: Case study evidence from the automotive industry.

    Full text link
    Het doel van dit doctoraat is inzicht verschaffen in het ontwerp van man agement controle systemen (MCSen) voor producent-leverancier relaties (P LRs). Aangezien de huidige economische toestand een doeltreffende supply chain vereist, hebben leverancierrelaties die goed gecontroleerd worden een grote potentiële impact op de prestaties van een producent. Daarom werd de rol van MCSen al bestudeerd vanuit verschillende invalshoeken, w aaronder uitbestedingsrelaties, strategische allianties en joint venture s. De focus van deze studies lag echter op interactie tijdens de aankoop - en ontwikkelingsfasen van de supply chain. Het MCS in een latere fase van de supply chain, namelijk productie, bleef dus relatief onderbelicht . Toch bedragen de kosten van producten en diensten voor productie meer dan 60% van de totale kosten van een gemiddelde producent. Daardoor word t op die kosten voortdurend bespaard in samenspraak met de leveranciers. Vermits ook die samenwerking een effectief MCS vereist, bestudeert dit doctoraat het ontwerp van MCSen specifiek voor leverancierrelaties in de productiefase van de supply chain. Inhoudelijk bestaat het doctoraat ui t drie manuscripten met een specifieke onderzoeksvraag en onderzoeksdesi gn. Het eerste manuscript bestudeert hoe het MCS van PLRs ontworpen is en ho e belangrijk informele controle is in dat ontwerp. PLRs zijn namelijk fo rmeler dan leverancierrelaties in de aankoop- en ontwikkelingsfasen van de supply chain. Daardoor zouden ze kunnen bestuurd worden door meer for mele en minder informele controle. Bovendien onderzoekt manuscript 1 of het MCS afgestemd wordt op de karakteristieken van een PLR. Daarvoor geb ruiken we een theoretisch raamwerk dat specifiek is afgestemd op de prod uctiefase van de supply chain. De theoretische basis voor dit raamwerk i s een combinatie van transactiekostentheorie, organisatietheorie en een aantal relationele aanvullingen. We bestuderen het raamwerk aan de hand van een diepgaande verklarende gevallenstudie van verschillende leveranc ierrelaties van autobouwer Volvo Cars Gent. Deze studie weerlegt dat PLR s bestuurd worden door weinig informele controle, omdat Volvo duidelijk waarde hecht aan het opbouwen van vertrouwen en het uitoefenen van socia le druk. De meest opmerkelijke bevinding is het bestaan en de rol van ee n gestructureerd leveranciersteam, dat fungeert als een clan en informel e controle tot stand brengt tussen de deelnemende leveranciers. Verder h ebben we drie leveranciertypes geïdentificeerd, die de vooropgestelde as sociaties tussen karakteristieken en MCSen in het raamwerk bevestigen. O p die manier illustreert de gevallenstudie de verklarende kracht van het raamwerk in de praktijk. Het tweede manuscript onderzoekt of een MCS ontwerp dat afgestemd is op de karakteristieken van een PLR (cfr manuscript 1) gekoppeld is aan goed e leverancierprestaties. Om het bestaan van deze associatie te illustrer en en tevens de dynamiek ervan te verfijnen, analyseren we een longitudi nale gevallenstudie van één specifieke leverancierrelatie van Volvo. Dez e voorbeeldige PLR werd namelijk geconfronteerd met aanzienlijke verande ringen en langdurige problemen. Uit onze analyse volgt dat Volvo’s onaan gepast MCS bijdroeg aan de zwakke prestaties van de leverancier, die er blijkbaar niet in slaagde om te gaan met de gewijzigde omstandigheden. D eze situatie duurde meer dan een jaar, totdat Volvo het MCS ontwerp aanp aste aan de omstandigheden en zo bijdroeg aan een verbetering van de pre staties. Vervolgens bieden onze longitudinale data de mogelijkheid om he t verband tussen vertrouwen en formele controle te verfijnen. In tegenst elling tot wat we in de literatuur terugvinden, suggereren onze data dat vertrouwen en formele controle tegelijk complementen en substituten zij n, afhankelijk van het niveau van formele controle. In het bijzonder zij n vertrouwen en “basis” formele controle, d.w.z. formele controle contin u uitgeoefend onder alle omstandigheden, complementen, terwijl datzelfde vertrouwen een substituut vormt voor “extra” formele controle, d.w.z. f ormele controle bovenop basis formele controle. Het derde manuscript gaat de impact na van culturele gelijkenissen tusse n producent en leverancier op het MCS van PLRs. Hoewel MCSen afgestemd w orden op relationele karakteristieken (cfr manuscript 1) en dit ontwerp geassocieerd is met goede prestaties (cfr manuscript 2), blijft het ondu idelijk of culturele gelijkenissen bijdragen aan de snelheid waarmee het MCS kan veranderen in tijden van wijzigende omstandigheden. Om dit effe ct van culturele gelijkenissen op de dynamiek van MCSen te illustreren, onderzoeken we een longitudinale gevallenstudie van twee gelijkaardige P LRs, die enkel verschillen in culturele gelijkenis met Volvo. Onze bevin dingen geven aan dat in de PLR met hoge culturele gelijkenis controle sn eller toeneemt. Op die manier worden toekomstige veranderingen gepast ge anticipeerd door een stijging in controle, alvorens de situatie echt wij zigt. Bijgevolg worden een onaangepast MCS en potentieel dalende prestat ies vermeden. Indien producent en leverancier echter van cultuur verschi llen, vraagt een aanpassing van het MCS meer tijd. Die vertraging draagt bij tot een escalatie van operationele problemen, totdat het MCS is aan gepast. Tenslotte tonen onze data de drie mechanismen via dewelke cultur ele gelijkenissen bijdragen tot een verhoging van management controle: m eer communicatie op initiatief van de leverancier, correcte informatie-u itwisseling en signalen van vertrouwen.status: Publishe

    Going Beyond Counting First Authors in Author Co-citation Analysis

    Full text link
    The present study examines one of the fundamental aspects of author co-citation analysis (ACA) - the way co-citation counts are defined. Co-citation counting provides the data on which all subsequent statistical analyses and mappings are based, and we compare ACA results based on two different types of co-citation counting - the traditional type that only counts the first one among a cited work's authors on the one hand and a non-traditional type that takes into account the first 5 authors of a cited work on the other hand. Results indicate that the picture produced through this non-traditional author co-citation counting contains more coherent author groups and is therefore considerably clearer. However, this picture represents fewer specialties in the research field being studied than that produced through the traditional first-author co-citation counting when the same number of top-ranked authors is selected and analyzed. Reasons for these effects are discussed

    Variations on the Author

    Full text link
    “Variations on the Author” discusses two of Eduardo Coutinho’s recent films (Um Dia na Vida, from 2010, and Últimas Conversas, posthumously released in 2015) and their contribution to the general question of documentary authorship. The director’s filmography is characterized by a consistent yet self-effacing form of authorial self-inscription: Coutinho often features as an interviewer that rather than express opinions propels discourses; an interviewer that is good at listening. This mode of self-inscription characterizes him as an author who is not expressive but who is nonetheless markedly present on the screen. In Um Dia na Vida, however, Coutinho is completely absent form the image, while Últimas Conversas, on the contrary, includes a confessional prologue that moves the director from the margins to the center of his films. This article examines the ways in which these works stand out in the filmography of a director who offers new insights into the notion of cinematic authorship

    Appropriate Similarity Measures for Author Cocitation Analysis

    Full text link
    We provide a number of new insights into the methodological discussion about author cocitation analysis. We first argue that the use of the Pearson correlation for measuring the similarity between authors’ cocitation profiles is not very satisfactory. We then discuss what kind of similarity measures may be used as an alternative to the Pearson correlation. We consider three similarity measures in particular. One is the well-known cosine. The other two similarity measures have not been used before in the bibliometric literature. Finally, we show by means of an example that our findings have a high practical relevance.information science;Pearson correlation;cosine;similarity measure;author cocitation analysis
    corecore