205 research outputs found
Reparatie van steenachtige materialen
Een mortel kan worden gedefinieerd als een mengsel van één of meerdere bindmiddelen, toeslagstoffen en eventueel toegevoegde hulpstoffen, meestal aangemaakt met water. Mortel wordt gebruikt om te metselen, te voegen, te pleisteren of aan te vullen en wordt daarnaast soms ook gebruikt als constructief materiaal. Reparatiemortels zijn mortels die worden gebruikt in de conserveringspraktijk om ontbrekende delen van diverse (in dit geval steenachtige) materialen aan te vullen.Repareren, stoppen, aanhelen, aanvullen en herstellen zijn allemaal termen die gebruikt worden bij restauratie met behulp van mortels. Naast het niets doen, het consolideren en (deels) vervangen van natuur- en baksteen is het repareren met mortel een veelgebruikte methode. Het gebruik van reparatiemortels leidt tot afwisselend zeer goede en minder goede resultaten met betrekking tot compatibiliteit met het bestaande en duurzaamheid van de reparatiemortel zelf.Tijdens de WTA-studiedag “reparatie van steenachtige materialen” en in deze syllabus zullen ethische, esthetische, technische en financiële aspecten van het gebruik van deze mortels aan de orde worden gesteld. Hierbij gaat het om diverse in de handel beschikbare kant-en-klare producten en zelf-samengestelde mortels.De eerste twee bijdragen aan deze syllabus komen voort uit onderzoek dat is gedaan in het lopende samenwerkingsverband tussen TU Delft, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en TNO. In het eerste paper gaat Michiel van Hunen in op de resultaten van een enquête die is gehouden onder (Nederlandse) verwerkers van reparatiemortels: welke producten worden zoal gebruikt en wat zijn de ervaringen. Daarnaast laat hij aan de hand van een groot aantal voorbeelden zien hoe reparatiemortels zich gedragen in de praktijk. Barbara Lubelli, Rob van Hees en Timo Nijland gaan – mede gebaseerd op laboratoriumonderzoek – in op de keuzecriteria voor het kiezen van een geschikte reparatiemortel.Het derde paper is in het geheel gewijd aan het stadhuis van Antwerpen, beter gezegd aan het onderzoek naar de meest geschikte mortel en verwerkingstechniek voor het repareren van het rode Belgische marmer aan de gevel van dit stadhuis. Deze bijdrage is geleverd door Tanquil Berto, Sam Huysmans, Laurent Fontaine en Roald Hayen. Ook gericht op casuïstiek is de bijdrage van Wouter Callebaut. Hij gaat vanuit het perspectief van de restauratiearchitect in op de keuze voor behoud (niets doen), verstevigen, vervangen, of bijwerken met mortels bij restauratie van natuur- en baksteen.Heleen Schroyen gaat in haar bijdrage in op het gebruik van kunststeen in de erfgoedcontext en hoe het agentschap Onroerend Erfgoed hiermee om gaat. In de bijdrage worden tussentijdse resultaten besproken die de basis vormen waarop het agentschap in 2019 in richtlijn zal gaan opstellen.De laatste drie teksten in deze syllabus richten zich op ervaringen in de praktijk. Ben Massop deelt zijn ervaringen met diverse typen reparatiemortels die hij tegenkwam of heeft gebruikt aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Breda en de Sint-Janskathedraal te ’s-Hertogenbosch. Delphine Vandevoorde richt zich op drie verschillende soorten mortels en hun voor en nadelen bij toepassing in de praktijk, terwijl Paul van Laere in de laatste bijdrage ingaat op zijn rol als beeldhouwer bij de uitvoering van reparaties met mortel.Heritage & Technolog
De fysische principes achter en de effectiviteit van ontzoutingsmethoden
Zoutkristallisatie is een van de belangrijkste redenen voor het verval van poreuze bouwmaterialen. De vermindering van het zoutgehalte is daarom belangrijk voor de instandhouding van historische gebouwen. Het ontzouten van objecten gebeurd meestal met behulp van een poultice (kompres). De verwijdering op deze manier klinkt eenvoudig, maar kan in de praktijk lastig zijn. Om een effectieve poultice te ontwerpen is kennis van zout- en vochttransport nodig. Dit artikel richt zich op de fysica van zout- en vochttransport in een poultice / substraat systeem. Ons doel is het categoriseren van poultices op basis van het fysische mechanisme van het transport van zouten
De fysische principes achter en de effectiviteit van ontzoutingsmethoden
Zoutkristallisatie is een van de belangrijkste redenen voor het verval van poreuze bouwmaterialen. De vermindering van het zoutgehalte is daarom belangrijk voor de instandhouding van historische gebouwen. Het ontzouten van objecten gebeurd meestal met behulp van een poultice (kompres). De verwijdering op deze manier klinkt eenvoudig, maar kan in de praktijk lastig zijn. Om een effectieve poultice te ontwerpen is kennis van zout- en vochttransport nodig. Dit artikel richt zich op de fysica van zout- en vochttransport in een poultice / substraat systeem. Ons doel is het categoriseren van poultices op basis van het fysische mechanisme van het transport van zouten
Restauratie en revalorisatie van de ’s Hertogenmolens te Aarschot, 2006-2010
De watermolen werd gebouwd in 1505-1507 door Guillaume de Croy, heer van Aarschot. Naast molen, was het gebouw ook één van de belangrijkste versterkte punten van de verdediging van de stad: met de sluizen kon het Kempens deel (noordelijk deel) van het (niet omwalde) stadsdeel onder water worden gezet. Deze banmolens (molens waar de naburige boeren hun graan verplicht moesten laten malen), eigendom van de hertog van Aarschot, werden in1795 onteigend en tot nationaal eigendom van de Franse staat gemaakt. In 1795 werden de Oostenrijkse Nederlanden immers officieel ingelijfd bij Frankrijk. In 1812 verkoopt de overheid de molens aan de familie Ectors. In 1910 werd de molen in openbare verkoop aangekocht door de Belgische Staat. Nog in de jaren 1960 werd de molen gebruikt als pletmolen voor glas. Het poeder werd o.a. gebruikt bij de fabricage van schuurpapier. Eenmaal verlaten, trad het verval vlug in. Na een brand in 1970, werd een zijvleugel gesloopt. In 1986 volgde de bescherming als monument. In het kader van een Belgische staatshervorming werd de molen overgedragen aan het Vlaams Gewest. In 2004 ging nogmaals een eigendomsoverdracht door naar de stad Aarschot. Al sinds de jaren 1980 werden restauratieplannen opgemaakt. De uitvoering ervan werd dringend, aangezien één van de westgevels instortte in 1986. Pas na de overdracht aan het Vlaams Gewest en na de opname van de 's Hertogenmolens in een stadsvernieuwingsproject kwam het dossier in een stroomversnelling. De onderbouw, waar het water van de Demer doorstroomt, werd gerestaureerd door de dienst Waterwegen en Zeekanaal nv. De bovenbouw werd via een privaat-publieke samenwerking (pps) gerevaloriseerd als hotel. In het weekend van 12 en 13 juni 2010 werden de gerenoveerde 's Hertogenmolens officieel geopend. In 2011 werden de 's Hertogenmolens bekroond met de Provinciale Architectuurprijs Vlaams-Brabant en met de Europa Nostra Award.status: Publishe
An illusion lost, an experience gained
The author is a young officer, recently graduated from the NLDA, whose convoy was struck by a suicide attack in Afghanistan. Jessica van Hees describes the attack and its aftermath, her reactions and the emotions that overcame her during and particularly after the events. She describes the formalist reaction of her (mostly German) superiors and the deterioration of communication within the international unit she was working with. She concludes that staying on, and facing other threats, allowed her to give the attack its place while still being over there, before learning to cope at hom
Vervanging van witte Belgische steen: Materiaalkeuze bij restauratie
Dit proefschrift gaat over de keuze van natuursteensoorten ter vervanging van witte Belgische zandige kalksteen bij de restauratie van Nederlandse monumenten in de periode die loopt van het einde van de negentiende tot het einde van de twintigste eeuw. De studie is gericht op het identificeren van de keuzeargumenten en de gevolgen hiervan. Bijzondere aandacht wordt geschonken aan duurzaamheid en compatibiliteit en aan de rol die deze begrippen spelen in het keuzeproces. Het belang van de studie is onder andere gelegen in het begrijpen van uitgevoerde restauraties om deze kennis in te zetten voor nieuwe restauraties: leren van onze ingrepen om te weten hoe in te grijpen. Door middel van literatuuronderzoek en casusonderzoek is een antwoord gezocht op de drie hoofdvragen van de studie: “Welke argumenten worden in het keuzeproces tijdens een restauratie gebruikt voor het kiezen van vervangende natuursteensoorten?”, “In hoeverre en in welke mate spelen compatibiliteit en duurzaamheid een rol in de overwegingen rond de keuze voor vervangende natuursteensoorten en welke lering valt te trekken met betrekking tot gebleken compatibiliteit en gebruiksduur uit waarnemingen in de praktijk?” en “Bestaan er trends in de toepassing van vervangende natuursteensoorten en zo ja, hoe verhouden deze trends zich tot duurzaamheid en compatibiliteit?” De kern van de studie wordt gevormd door vier casussen te weten de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Breda, de Maria-Magdalenakerk te Goes, de Grote Kerk te Dordrecht en het Stadhuis te Gouda. Alle vier gebouwen hebben twee of drie restauratiecampagnes gekend in de beschouwde periode. Hierop volgt een reflectie aan de hand van de vervanging van mergel aan Limburgse monumenten omdat hiervan verondersteld wordt dat het proces van natuursteenvervanging anders verloopt in verband met de betere beschikbaarheid van vervangende natuursteen die nauw verwant is aan het originele materiaal. De casussen worden voorafgegaan door een aantal hoofdstukken waarin thema’s worden onderzocht die de context bepalen waar binnen de vervanging van witte Belgische steen plaats heeft gevonden en plaatsvindt. Tijdens het onderzoek naar de context van natuursteenvervanging en de casussen kwam een aantal argumenten voor het kiezen van vervangende natuursteensoorten naar voren die gegroepeerd kunnen worden tot een karakterisering van perioden zoals de wens tot toepassing van harde, homogene steensoorten in de periode tot de Eerste Wereldoorlog, een vroege vorm van het streven naar toepassing van duurzame steensoorten. Het is gebleken dat met name in deze periode, maar ook later, de veelheid aan indelingen en benamingen van typen Franse kalksteen geleid heeft tot spraakverwarring en wellicht tot keuze van natuursteen op basis van onjuiste argumenten. Deze periode werd gevolgd door een periode waarin de beschikbaarheid van steensoorten vanwege de oorlog richtinggevend was voor het keuzeproces. De twintiger en dertiger jaren werden gekenmerkt door keuzeargumenten gebaseerd op aspecten van esthetische en historische compatibiliteit die leidden tot de toepassing van steensoorten die bijdroegen aan een rustieke uitstraling. Hierbij was een belangrijke rol weggelegd voor de adviezen van mijningenieur A.L.W.E. van der Veen. In de periode na de Tweede Wereldoorlog werden duurzaamheidsargumenten steeds vaker gebruikt, in het begin gecombineerd met de gevolgen van beperkte beschikbaarheid en gecombineerd met onderdelen van esthetische compatibiliteit. Vanaf ongeveer 1960 werd het streven naar duurzame steensoorten sterker en kwamen uitgesproken compatibiliteitsargumenten nauwelijks meer voor. Tot slot kunnen de keuzeargumenten uit de periode 1980 tot 2000 worden samengevat met de wens tot ‘extreme’ duurzaamheid terwijl bij diverse restauraties de verschillende aspecten van compatibiliteit weer, zij het beperkt, aandacht krijgen. Hierbij moeten nog enkele kanttekeningen worden gemaakt: Het streven naar esthetische en historische compatibiliteit in het interbellum werd geïnitieerd door de Grondbeginselen en Voorschriften voor het behoud, de herstellingen de uitbreiding van oude bouwwerken uit 1917. De trend van toepassing van duurzame steensoorten, zoals basalt en trachiet, ter vervanging van witte Belgische steen hangt nauw samen met het Zandsteenbesluit van 1951. In de jaren tachtig van de twintigste eeuw werd deze trend versterkt door de constatering van dikke gipskorsten op kalksteen ten gevolge van luchtverontreiniging en de voorspellingen dat de hieraan gerelateerde problematiek zich zou voortzetten. Voor wat betreft de gebruiksduur van vervangende steensoorten blijkt dat alle toegepaste steensoorten duurzaam genoeg zijn voor toepassing in parementwerk en dat dit, op enkele uitzonderingen na, ook geldt voor eenvoudig lijstwerk en beschut geprofileerd werk. Met betrekking tot de vensters is gebleken dat veel vervangende natuursteen nog steeds in gebruik is en dat veel vervangingen van vervangstenen vooral te wijten zijn aan roestende ijzeren brugstaven. Ettringer tufsteen vormt een negatieve uitzondering; dit materiaal, vooral waar toegepast als montant of tracering, kent vaak slechts een gebruiksduur van 60 tot 90 jaar. De grootste duurzaamheidsproblemen hebben zich voorgedaan bij slanke, geprofileerde en geornamenteerde onderdelen waaronder hoofdzakelijk pinakels en kruisbloemen en bij alzijdig blootgestelde onderdelen zoals balustraden. De meeste steensoorten, die werden toegepast voor vrijstaande pinakels hebben een gebruiksduur gekend van maximaal 115 jaar. Veel pinakels zijn echter slechts 50 tot 100 jaar in gebruik geweest, met diverse voorbeelden van een nog korte gebruiksduur. Uitzondering hierop vormen de Savonnières in Zuid-Limburg en de Udelfanger zandsteen aan de Grote Kerk te Dordrecht. Een gedifferentieerde keuze voor vervangende natuursteen, afhankelijk van expositieomstandigheden is mogelijk en zou kunnen leiden tot, in economische zin, aantrekkelijkere restauraties, met voldoende hoge levensduur. In het parement heeft het streven naar duurzaamheid minder nadruk nodig dan bij geprofileerd en alzijdig geëxposeerd werk; een grotere aandacht voor esthetische en historische compatibiliteit is hierbij overigens wenselijk. De compatibiliteit van toegepaste (voeg)mortelreparaties heeft nadrukkelijk meer aandacht nodig. Mede met het oog op een meer wetenschappelijke aanpak van het kiezen van vervangende steensoorten is het gewenst om nader onderzoek te doen naar de technische compatibiliteit van vervangende steensoorten met originele witte Belgische steen. Daar dient de mortel nadrukkelijk bij te worden betrokken. Met betrekking tot vervangreeksen blijkt dat er een opvallend grote diversiteit aan steensoorten is gebruikt ter vervanging van de originele witte Belgische steen. Er is geen patroon waaruit blijkt dat alle vervangreeksen dezelfde beweging maken, het blijkt dat vele combinaties voorkomen. Vulkanische gesteenten en sedimentaire gesteenten wisselen elkaar af. De tendens hierbij is dat de tweede vervanging meestal werd uitgevoerd in een duurzamer geachte steensoort dan de eerste vervanging. De veronderstelling dat mergel bij restauraties altijd door mergel werd en wordt vervangen blijkt onjuist, ook mergel is regelmatig vervangen door andere steensoorten en wijkt daarmee minder af van de vervanging van witte Belgische steen dan voorafgaand aan deze studie verondersteld. Voor wat betreft de inhoud van de diverse restauratierichtlijnen wordt geconcludeerd dat daarin weinig over materialen en materiaalkeuze wordt gezegd en dat deze veelal blijven steken bij algemene uitgangspunten zoals behouden gaat voor vernieuwen en minimale interventie. Door het ontbreken van bruikbare handvatten voor natuursteenkeuze bij restauraties blijkt vernieuwing en grootschalige interventie zeer veel voor te komen. Tijdens de studie is gebleken dat het zeer moeilijk te achterhalen is waarom gebouwen op een bepaalde manier gerestaureerd zijn. Ook het keuzeproces rond natuursteen blijkt nauwelijks gedocumenteerd. Dit gebrek aan documentatie is duidelijk in strijd met het veelal als richtlijn gehanteerde Charter van Venetië. Op basis van het onderzoek is een onderlegger ontwikkeld ten behoeve van het formuleren van uitgangspunten voor het kiezen van vervangende steensoorten. Naast de confrontatie met de diverse aspecten van compatibiliteit en duurzaamheid komt dit hulpmiddel ook tegemoet aan het geconstateerde probleem van onvolledige documentatie en verantwoording.RMITArchitectur
Correction to: The ‘can do, do do’ concept in COPD; quadrant interpretation, affiliation and tracking longitudinal changes
Following publication of the original article [1], the authors identified a mistake in the author names, as both forename and initials were stated. Initially published author names: A. J. Alex van ’t Hul, E. H. Noortje Koolen, H. W. Jeroen van Hees, B. Bram van den Borst and M. A. Martijn Spruit Correct author names: Alex J. van ‘t Hul, Noortje H. Koolen, Jeroen W. van Hees, Bram van den Borst, Martijn A. Spruit. The original article has been corrected.</p
Hydrofoberen: duurzaamheid in de praktijk
Naar aanleiding van het historisch georiënteerde onderzoek naar oppervlaktebehandelingen (Nijland & Quist 2018) en het onderzoek naar het hervoegen van gehydrofobeerd metselwerk, beide uitgevoerd binnen de samenwerking tussen TNO, RCE en TU Delft in MonumentenKennis, ontstond het idee om aan de hand van een aantal casussen te kijken naar de duurzaamheid van hydrofoberingen. Voor de keuze van de casussen is teruggegrepen op twee onderzoeken/publicaties uit de jaren ’90 van de vorige eeuw waarin de prestatie van hydrofoberingen werd onderzocht (Van Hees & Koek 1994, Van Hees et al. 1998). Een aantal objecten dat in deze studies is onderzocht is in juni 2018 opnieuw bezocht en bij een deel van deze objecten zijn in november 2018 Karstenbuismetingen verricht om de waterabsorptie van de (bak)steen en het voegwerk te meten.Heritage & Technolog
Keuze van steenreparatiemortels voor historische gebouwen: geen eenvoudige zaak
Steenreparatiemortels worden gebruikt voor het aanvullen van een ontbrekend deel van het originele materiaal. Dat laatste kan verloren zijn gegaan door een mechanische belasting of door bijvoorbeeld aantastingsprocessen waarbij vocht, vorst en of zouten een rol spelen. Het ontbrekende deel wordt dan aangevuld met een mortel met een passende kleur en textuur. De gebruikte mortel is als het ware 'kneedbaar', zodat aanpassing aan de gewenste vorm eenvoudig mogelijk is. Gewoonlijk gaat het om kleinschalige ingrepen, waarbij individuele stenen, details en delen van ornamenten of beelden worden behandeld. In de kleinschaligheid, de individuele benadering en de 'boetseerbaarheid' liggen de voornaamste verschillen met andere ingrepen waarbij mortel wordt toegepast, zoals hervoegwerk, vervangen van pleisterwerk en dergelijke
- …
