1,659 research outputs found
Proeven en beschouwingen, welke geleid hebben tot het vaststellen van vulling en lediging van de kolk der nieuwe schutsluis te IJmuiden: door ir. J.A. Ringers, hoofdingenieur van den Rijkswaterstaat en ir. J.P. Josephus Jitta, ingenieur van den Rijkswaterstaat
Proeven m.b.t. het vullen en legen van de kolk, middels omloopriolen en door de deur, schaalproeven in het laboratorium in Berlijn, prototypeproeven in IJmuiden
Verslag van een studiereis naar Duitschland, welke voor een beozek aan de Oost-Friesche waddeneilanden en de zeearmen Eems en jade in mei en juni 1931 werd ondernomen
Studiereis naar Oost Friesland om inzicht te krijgen in de landaanwinningswerken aldaar, de kustverdediging van de waddeneilanden en de verbetering van de vaargeulen. Overzicht over hoe de Duitse diensten hun waarnemingen uitvoeren
Berekening van de respons van een pijpleiding op zeegang
Berekend wordt de respons van een pijpleiding op een tweedimensionaal golfveld. De invloed van kortkammigheid en de gemiddelde voortplantingsrichting van het golfveld t.o.v. de pijp wordt bepaald. De resultaten zijn numeriek uitgewerkt.VloeistofmechanicaHydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
De betrouwbaarheid van het paaldraagvermogen
Een probabilistische analyse vereist van iedere parameter inzicht in de spreiding van de parameter. Voor de bepaling van de partiële factoren is in de nieuwe TGB 1990 uitgegaan van een geschatte variatiecoëfficiënt voor de belasting (woningbouw), paaldraagvermogen en de negatieve kleef. Resultaten van recente proefbelasting laten hogere variatiecoëfficiënten zien dan die voor de normen zijn gebruikt. Uit dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: 1. Uit de resultaten van de proefbelastingen blijkt dat de gemeten waarden van het paalpuntdraagvermogen, het paalschachtdraagvermogen en de negatieve kleef kleiner zijn dan de berekende waarde. De variatiecoëfficiënten van de modelfactoren berekent uit proebelastingen, zijn groter dan de variatiecoëfficiënten van de modelfactoren waarvan is uitgegaan. 2. Uit de probabilistische analyses met variatiecoëfficiënten van de modelfactoren waar de norm van is uitgegaan, leveren een betrouwbaarheidsindex rond de 3,45 op. Dit betekent dat de vereiste betrouwbaarheidsindex bijna wordt bereikt (veüigheidsklasse 3; p = 3,6; woningbouw). Indien de berekening wordt gemaakt met variatiecoëfficiënten van de modelfactoren berekend uit proefbelastingen, dan blijkt de werkelijke betrouwbaarheidsindex rond de waarde 2,0 te liggen. 3. Voor het toepassen van probabilistische niveau II methoden, is het een voorwaarde dat de stochasten (het paalpuntdraagvermogen, het paalschachtdraagvermogen, de negatieve kleef en de belasting) in de betrouwbaarheidsfunctie onafhankelijk zijn. Voor een aantal stochasten is dit waarschijnhjk niet het geval, hierbij kan worden gedacht aan het paalpuntdraagvermogen en het paalschachtdraagvermogen. Deze worden beide berekend op basis van een deel van het zelfde traject van de sondering. 4. Naar aanleiding van het parameteronderzoek van het model Koppejan blijkt dat de variatiecoëffiënt van de modelfactor van het rekenmodel, van 0,121 teruggebracht kan worden naar 0.079. De parameters voor het model Koppejan worden dan voor de invloed van traject I ; II en III: 0,1; 0,8 en 0,1, overige parameters veranderen niet.Geo-engineeringHydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Zachte waarden hard maken: Problemen rond de lokale MKBA en het waarderen van cultureel erfgoed
In dit afstudeeronderzoek wordt antwoord gegeven op de vraag ' Welke invulling krijgt een Maatschappelijke Kosten Baten Analyse (MKBA), ingezet als beleidsinstrument bij binnenstedelijke gebiedsontwikkeling, en op welke wijze kan de waarde van cultureel erfgoed daarin opgenomen worden?' In het theoretisch kader is de huidige literatuur uiteen gezet en is er een vertaalstal gemaakt van een de MKBA van nationaal naar lokaal niveau en van infrastructuur naar binnenstedelijke gebiedsontwikkeling. De uitkomsten hiervan zijn samengevat in een stappenplan, dat vervolgens is getoetst aan een praktisch kader van 2 cases, De Nieuwe Mark in Breda en De Vereeniging in Hengelo. De belangrijkste conclusies zijn dat het goed mogelijk is de MKBA toe te passen bij binnenstedelijke gebiedsontwikkeling, maar dat er nog veel moet gebeuren alvorens het geïntegreerd zal worden in de lokale besluitvorming. Deze moet van kosten gericht naar opbrengstgericht. Het is niet gelukt cultureel erfgoed in geld uit te drukken, het onderzoek heeft aangetoond dat dit niet de beste manier is om cultureel erfgoed te waarderen. Daarom wordt is het in het herziende stappenplan een post 'aanvullende informatie' opgenomen waarin de waarde uiteen gezet kan worden.Real Estate & HousingArchitectur
Bresgedrag bij het profilerend ontgraven van zand
Het onderzoek is erop gericht het bresgedrag van zand, wanneer dit in lange rechte sneden hydraulisch wordt ontgraven, te analyseren. De bresvorm rond de winkop bepaalt het profiel dat wordt ontgraven. De optredende mengselstroomgrootheden, de snelheid, de hoogte en de concentratie, zijn van belang voor de optredende bresmors. Deze bresmors wordt bepaald door de hoeveelheid van het mengsel dat tot afstroming komt en niet door de winkop wordt weggezogen. Een hogere mengselstroomsnelheid en een grotere mengselstroomhoogte zorgen voor een grotere bresmors. In het deel Iiteratuuronderzoek wordt in eerste instantie het bresgedrag in zijn algemeenheid beschreven. De belangrijkste eigenschappen van de korrels, de grond en het mengsel worden behandeld, zoals de doorlatendheid, de valsnelheid en de optredende dilatantie. Hierna wordt de stabiliteit van de bres die zich voor de winkop in zal stellen geanalyseerd op zowel micro- als macroniveau. Macrostabiliteit bekijkt de stabilteit van de grondmoot als geheel waarbij deze bij vastgepakt zand wil afschuiven langs het meest kritieke glijvlak. De over dit vlak constant veronderstelde wateronderspanning moet voor de benodigde stabiliteit zorgen. Bij losgepakt zand kunnen er zettingsvloeiingen op gaan treden. De microstabiliteit bekijkt de stabiliteit van een grondmootje of een zandkorrel op het bressende talud. In de continuum benadering wordt de stabiliteit van een grondmootje berekend. In de single particle benadering van Koenders wordt de stabiliteit van een zandkorrel berekend. Uit bresproeven uit het verleden is gebleken dat de continuum benadering het bresgedrag het beste weergeeft. Op basis van deze continuum benadering is de walletjestheorie ontwikkeld. Deze theorie berekent de optredende breshoeken voor een winkop. Deze breshoek is daarbij afhankelijk van de verhaalsnelheid, de hoek van inwendige wrijving en de grondsoort. Deze grondsoort zit via de walletjessnelheid in de theorie. De walletjessnelheid bleek uit experimenten uit het verleden een grondeigenschap te zijn die afhankelijk is van de doorlatendheid van het zandpakket. Voor hoge verhaalsnelheden is de breshoek groter dan de hoek van inwendige wrijving. Bij fijner materiaal, grotere breshoogte, en hogere verhaalsnelheden treden er afwijkingen op van de eenvoudige walletjestheorie. De mengselstroming die over de bres zal optreden zorgt voor erosie en sedimentatie. Hierdoor kunnen de optredende breshoeken op het midden en de onderzijde van de bres veel flauwer worden dan de hoek van inwendige wrijving.Civil Engineering and Geoscience
Analyse van stroommetingen ten behoeve van een kwantitatieve bepaling van de secundaire stroming in het Oosterscheldegebied
Ten behoeve van onderzoek naar secundaire stroming zijn wiskundige modellen in ontwikkeling. Dergelijke modellen zijn in het algemeen gebaseerd op een diepte-qemiddeld stroommodel, waarin aannames betreffende de secundaire stroming zijn gedaan. Deze modellen betreffen echter veelal een stationaire stroming in rivierbochten. Ter verifikatie van de berekening kunnen de resultaten worden getoetst aan laboratoriummetingen. Voor de beschrijving van de stroming in een getijde-gebied als de Oostersehelde, waarin bovendien tengevolge van de grote afmetingen het effect van de Coriolisversnelling niet mag worden verwaarloosd moeten de wiskundige modellen worden aangepast. In hoeverre een dergelijke berekening de situatie goed beschrijft kan worden gecontroleerd met metingen in het prototype. Stroommetingen specifiek gericht op onderzoek naar de secundaire stroming zijn vooralsnog zeer schaars. In dit rapport wordt onderzocht of de debietmetingen welke zijn verricht in het kader van het Projektplan T2-getij de mogelijkheid bieden tot een analyse ter bepaling van de werkelijk optredende secundaire stroomsnelheden in het Oosterseheldegebied.vloeistofmechanicaHydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Modellering van de stroomsnelheden bij de teen van een golfbreker
Het doel van dit bachelor eindproject is een antwoord vinden op de vraag of het mogelijk is door middel van het IH-2VOF model resultaten gevonden in een stroomgoot te simuleren. Dit moet worden uitgezocht omdat door gebruik te maken van dit model de teen van een golfbreker beter, veiliger en eenvoudiger ontworpen kan worden. Het onderzoek bestaat uit twee delen: - Bekend raken met, en kalibreren van het model. - Uitvoeren van de vergelijking met de resultaten uit de stroomgoot. Ten eerste het bekend raken met het model en het vinden van de juiste instellingen voor de modellering. Het IH-2VOF model is een numeriek model dat in staat is stroomsnelheden, drukken en vloeistof niveaus te berekenen in een virtuele 2D stroomgoot. In deze stroomgoot kan een object, in dit geval een golfbreker, geplaatst worden. Het kalibreren van het model is lastig. Dit omdat de exacte werking niet geheel bekend is vanwege de ingewikkelde numerieke structuur en het feit dat de code niet in te zien is. Als gevolg hiervan is als startpunt gekozen voor de door de literatuur bij het model gegeven uitgangspunten. Vervolgens is gekeken of het model bij deze uitgangspunten convergent is. Dit bleek erg lastig en veel tijd te kosten. Daarna is gekeken of de rekentijd van het model verkort kan worden door middel van het aanpassen van het rekenrooster (de mesh) of het verkorten van de stroomgoot. Wat betreft de mesh bleek dit slechts in de y-richting mogelijk, echter werd zo geen rekentijd bespaard. Wat betreft de lengte van de goot is het zo dat in het laboratorium een flinke lengte nodig is om de golven goed in te kunnen stellen. In het model blijkt een dergelijke lengte echter niet perse nodig. Het is waarschijnlijk belangrijk dat er meer dan 2x de golflengte aangehouden wordt als minimale lengte van de goot in het model, ongeacht de lengte van de oorspronkelijke goot. Dit is echter niet onomstotelijk bewezen. Een verkorting van de goot heeft wel rekentijdverkorting tot gevolg. Ten tweede volgt de vergelijking van de door Nammuni-Krohn [2009] gevonden waarden voor de stroomsnelheden bij de teen van een golfbreker in een stroomgoot, met de door het model gesimuleerde waarde. Als gevolg van de tijdsplanning van dit bachelor project is er helaas weinig tijd over gebleven voor deze vergelijking. Echter een korte simpele vergelijking van een aantal punten uit het rapport van Nammuni-Krohn [2009] liet zien dat het model wel degelijk goede waarde simuleert. Concluderend kan gesteld worden dat met de instellingen die in dit verslag beschreven staan het model waarschijnlijk wel in staat is de werkelijkheid te benaderen. Hiervoor moet echter wel eerst nog beter naar de convergentie en het gedrag van de golfserie gekeken worden.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Vervanging van grote aantallen gelijksoortige componenten
Rijkswaterstaat, als grootste beheerder van civieltechnische kunstwerken, is erg actief op het gebied van het onderhoud van kunstwerken. Een specifieke groep kunstwerken op het gebied van onderhoud wordt gevormd door kunstwerken met een groot aantal gelijksoortige componenten. Voorbeelden hiervan zijn de schuiven en hydraulische cilinders van de Oosterschelde Stormvloedkering. Deze componenten hebben ongeveer dezelfde levensduurverdeling en een zelfde leeftijd. Door deze eigenschappen en doordat er een groot aantal van deze componenten in een systeem zitten, kan het vervangen tot problemen leiden. Deze problemen liggen op het gebied van de betrouwbaarheid en beschikbaarheid van het kunstwerk, of worden veroorzaakt door een te kleine vervangingscapaciteit, capaciteit van de leverancier of een niet toereikend budget. Rijkswaterstaat wilde om deze reden weten hoe het vervangen van componenten die in grote aantallen voorkomen het beste in zijn werk kan gaan. In dit afstudeerwerk is er een model opgezet, waarmee een optimale vervangingsstrategie kan worden bepaald. In dit model wordt het systeem gedrag onder invloed van het vervangen van componenten bepaald met behulp van een Monte Carlo Simulatie. Als uitgangspunt is hierbij genomen dat er preventieve vervangingen gespreid in de tijd worden uitgevoerd. De optimale vervangingsstrategie is de strategie met de laagste totale contante waarde van de kosten. Als er vroeg wordt begonnen met het uitvoeren van preventieve vervangingen neemt de faalkans voor de meeste systemen af, waardoor de risicokosten eveneens afnemen. Het vroeger beginnen met het uitvoeren van preventieve vervangingen zorgt er echter voor dat er niet volledig gebruik wordt gemaakt van de levensduur van de componenten, hierdoor gaat er economische waarde verloren. Om een optimale vervangingsstrategie te bepalen moet er een evenwicht worden gevonden tussen de vervangingskosten van de componenten en de risicokosten. Aan de hand van een casestudie naar de vervanging van de axiaal plunjerpompen is de praktische toepasbaarheid van het model getest. Hieruit bleek dat een groter aantal component, een kleinere standaardafwijking van de levensduur van een component en een langere vervangingsduur leiden tot een hogere faalkans van een systeem met grote aantallen gelijksoortige componenten. Het preventief vervangen van componenten is gunstig als de kosten van een preventieve vervanging laag zijn ten opzichte van de kosten van een correctieve vervanging. Ook als falen van een systeem grote gevolgen heeft is het uitvoeren van preventieve vervangingen gunstig.Civil Engineering and Geoscience
Hoeveel chromosomen heeft een bijenvolk? (2)
In het vorige artikel is een aantal basisbegrippen van de erfelijkheid behandeld. De basiseenheid van de edelijkheid is het gen en meerdere genen liggen achter elkaar op de chromosomen. Voor een goed begrip van de erfelijkheid van een bijenvolk is het belangrijk te realiseren dat de cellen van de koningin en de werksters diploid zijn: ze bevatten het dubbele aantal chromosomen (2 x 16). De darren zijn haploid: alle cellen, inclusief de zaadcellen, bevatten 1 x 16 chromosomen. In dit tweede artikel wordt vooral aandacht besteed aan de erfelijke relatie tussen de koningin en haar nakomelingen en de gevolgen van selectie hierop. Een te 'enge' verwantschap leidt tot inteelt en dat heeft negatieve gevolgen voor het vermogen van het bijenvolk te reageren op een veranderende omgeving
- …
