65 research outputs found
Writing the Temple
This thesis approaches Infinite Jest's revision of Postmodernism and various features of millennial America, including drugs and rehabilitation, as a scriptural undertaking, best understood through the lens of the Qur'an. The proposition suggests the novel as the literary creation of a community based on shared rituals and referents, both within the AA of the text and the experience of readers without.College of Arts and ScienceEnglish Departmen
Vooronderzoek van het stortproces voor de afdekking van een gasleiding op de bodem van de Noordzee, via de zuigbuis van een sleephopperzuiger
Een pijpleidig op de bodemvan de Noordzee wordt met behulp van het storten via de zuigbuisvan een sleephopperzuiger afgestort. Per stortpassage wordt ongeveer 3 - 5 cm zand aangebracht op de pijpleiding. Zand met een D50 van 500 micron geeft in de onderhavige situatie een ca. 1.1 maal zo goed rendement als zand met een D50 van 210 micron. De verticale snelheiden van het zand-water mengsel naar de bodem worden als een éénfase dichtheidsstroom berekend. De continuïteitsvergelijking van het zand-water mengsel wordt vervangen door een constante spreidingshoek van de pluim. Deze vergelijkingen kunnen analytisch geïntegreerd worden over de dwarsdoorsnede.Environmental Fluid DynamicsHydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Wat is het effect van een inundatiepolder op de boezemwaterstand?
In september 1994 heeft men in Noord-Holland te maken gehad met wateroverlast. De waterstanden op de boezems stegen tot onacceptabele hoogten en enkele boezemkades dreigden te bezwijken. Deze wateroverlast was een gevolg van overvloedige regenval en beperkte lozingscapaciteit. Een mogelijke oplossing om te hoge waterstanden te voorkomen is het inzetten van een inundatiepolder. Door de zeespiegelrijzing en de verwachte toename van de neerslag in de toekomst zal de waterafvoer in natte periodes van de polders naar de boezem worden vergroot. Om ontoelaatbare boezemwaterstanden te voorkomen, kunnen inundatiepolders worden ingezet. Het effect van deze polders op de waterstand is nog niet onderzocht. Tevens is nog weinig bekend over de hydraulische vormgeving van het aflaten van boezemwater in een inundatiepolder. De doelstelling van dit afstudeeronderzoek was tweeledig en luidde: * Inzicht verschaffen in de effecten van een inundatiepolder op de boezemwaterstanden in een kritieke situatie. Hierbij wordt gekeken naar: de situering van een inundatiepolder, het begintijdstip van inunderen en welk type kunstwerk (zijdelingse overlaat of regelbare schuif) het meest geschikt is. * Onderzoeken op welke manier een inundatiepolder het best gemodelleerd kan worden (- of twee-dimensionaal), kijkend naar het effect op de boezem. Met behulp van het stromingspakket SOBEK RURAL is een -dimensionaal boezemmodel opgezet. Hierbij is gebruik gemaakt van de modules channel flow en rainfall runoff. Aan de hand van dit model zijn simulaties gedaan om het effect van een inundatiepolder te onderzoeken. Door de inundatiepolder ook in de twee-dimensionale module overland flow te schematiseren en te koppelen aan het -dimensionale boezemmodel kon het effect van de schematisatie van de polder geanalyseerd worden. Het blijkt dat een inundatiepolder, hydraulisch gezien, op een strategisch goed gepositioneerd punt moet liggen. Het begintijdstip van inunderen is van wezenlijk belang. Indien een polder te vroeg wordt ingezet, kan de polder vol zijn op het moment van de piekbelasting op de boezem. Als inlaatkunstwerk blijkt een regelbare schuif het meest geschikt, vooral door zijn regelbaarheid en geringere afmetingen t.o.v. de zijdelingse overlaat. Het is wel belangrijk dat er bij het ontwerp van de inundatiepolder een goed draaiboek van de regelbare schuif gemaakt wordt en dat de verantwoordelijkheden vastliggen op papier. De wijze van modelleren van een inundatiepolder in een -dimensionale schematisatie blijkt goed te voldoen om de effecten op de boezemwaterstand te onderzoeken. Voorwaarde is wel dat de inundatiepolder vrij diep is, zodat het inlaatdebiet niet wordt beloed.Civil Engineering and Geoscience
The effects of a continuous nourishment on the physical behavior of the Dutch coastline: Studying the behavior of a continuous nourishment at the Delfland coastal stretch in the first year of its lifetime
The growing awareness of climate change asks for innovation in the methods of applying nourishments at the Dutch coastline. The concept Zandwindmolen has therefore been developed. Using wind mills at sea, sediment is dredged offshore and transported towards the shore, from where hydrodynamic and morphodynamic processes redistribute sediment alongshore. A continuous supply of sediment is assumed. The physical behavior of the disposed sediment is yet unknown. Research has been performed to study the behavior of sediment around the nourishment location, as well as the effects on the initial behavior of the coastline. The research has given insight in the optimal depth, discharge rate and spreading configuration of a continuous nourishment, for which the longshore redistribution of sediment was the major requirement. These three boundary conditions have formed a basis for further research into this topic. The concept itself is feasible, as it shows desirable predictions of nourishment formation and coastal strengthening.Civil Engineerin
De vorm en vormverandering van een onderwater-zanddam in de Noordzee nabij Hoek van Holland loodrecht op de getijstroom
In het rapport worden enkele registraties vastgelegd van de onderwater zanddam. Dit zijn de ontwikkeling van de bodemconfiguratie in de tijd en de bodemsamenstelling in oktober '83. De ontwikkeling van de bodemconfiguratie wordt bepaald m.b.v. stortgegevens, lodingen, kuberingen en doorsneden. Daar tussen de lodingen doorgestort werd in de diverse vakken van de zanddam, was het vaak niet mogelijk om erosieverlies geheel te scheiden van opstorting. Toch konden enkele uitspraken gedaan worden over de efficiëntie van de opstorting en over de erosiesnelheid. De analyse van de bodemmonsters wees nog niet op slibaccumulatie nabij de onderwater zanddam. Verder vindt er in dit rapport een theoretische beschouwing plaats van de morfologische processen. Deze worden met een analytische en numerieke benadering gekwantificeerd. Dit om de erosiesnelheid van de zanddam te kunnen voorspellen. Voor het voorspellen van de erosiesnelheid is het nodig om zandtransportformules, die meestal alleen afhankelijk zijn van de stroomsnelheid, ook afhankelijk te maken van de helling van de bodem en van de golven. Dit leidt tot formules die een afvlakkend effect hebben. In dit rapport worden geen opbouwende effecten meegenomen. Zie hiervoor rapport: De vorm en vormverandering van Zandgolven en Megaribbels in proefgebied Goeree. De volgende drie zandtransportformules worden vergeleken Kalinski-Frijlink (K.F.), Engelund-Hansen (E.H.) en Meyer-Peter-Müller (M.P.M.). Daar deze absolute grootte van het zandtransport ter plaatse van de zanddam niet bekend is, kan dit niet als maat dienen voor een vergelijking van de formules. Daarom worden ze vergeleken op basis van hun aanpassingsmogelijkheid op hellinginvloed en golfinvloed. De theoretische resultaten van de afvlakking van de zanddam worden vergeleken met enkele gemeten afvlakkingen. Dit leidt tot een aangepaste M.P.H. formule. Dit is een bodem-transportformule. De theoretische uitkomsten dienen echter met zorg geïnterpreteerd te worden. Dit komt door: - de onnauwkeurigheid in de randvoorwaarden vooral m.b.t. de stroomsnelheden - de verwaarlozing van het suspensieve transport - de onzekere invloed van de golven - het verwaarloosde opbouwende effect
Recovery of gait after stroke
In the Netherlands annually about 30,000 people suffer a stroke for the first time. One third of these stroke patients die within the first year, while 41% experience long term disabilities. This makes stroke a major disease in medical and in socio-economic terms. Not just on society but also, and far most, on the afflicted individual and his or her environment the impact is felt of a sustained stroke. Following a stroke a person's independence in moving about may be significantly compromised. The expected level of walking to a great extent determines the expected level of activities of daily living and possible discharge to home.
This thesis describes the long term recovery of hemiplegic gait in severely affected stroke patients. Based on the application of a repeated measurement research design, data were obtained within the first post-stroke year period. This information subsequently enabled the identification of time-related changes and was used to address the following main questions:
Are intensive stroke rehabilitation programmes, implemented within the early and subacute post-stroke phases, worthwhile in terms of long term functional gains and can this long term recovery be estimated early after stroke onset for better individualized reliable therapeutic goal setting and discharge planning?
For this purpose, early and late recovery patterns were studied as functional recovery after stroke tends to be non-linear and time-dependent. Subsequently, this information was used in the interpretation of some of the mechanisms involved in the long term recovery of hemiplegic gait and the impact of intensity of therapeutic interventions on this recovery.
The main findings of the studies presented in the first part of this thesis indicate predictive relationships between early determinants and late outcome and the relevance of measuring frequently and longitudinally in order to take into consideration the non-linear time-dependent relationship of covariates with recovery of gait after stroke. In the second part it is demonstrated that the long term effects of intensity of stroke rehabilitation, implemented during the initial 20 post-stroke weeks, are maintained for up to one year. However, a significant number of patients with incomplete recovery showed improvements or deterioration of walking ability and ADL beyond the error threshold between 6 and 12 months post-stroke.
Several mechanisms involved in stroke recovery are discussed, such as recovery of penumbral tissues, neural plasticity, resolution of diaschisis and behavioural compensation strategies. Rehabilitation is believed to modulate this logistic pattern of recovery, most likely by interacting with these underlying processes. Our prediction models suggest that outcome is largely defined within the first weeks post-stroke
De vorm en vormverandering van zandgolven en megaribbels in proefgebied Goeree
Van oktober 1979 tot april 1981 zijn er van dezelfde zandgolven over dezelfde raai 26 diepte lodingen verricht. Sommige lodingen werden zeer snel na elkaar gedurende één getij genomen. Enkele reeksen tijdens doodtij en enkele reeksen tijdens springtij. Deze lodingen zijn visueel en d.m.v. kuberingen met elkaar vergeleken. Voor het vergelijken aan de hand van kuberingen worden drie meegenomen zandgolven elk in 4 -vakken verdeeld. Door het oppervlak van de diverse dwarsprofielen met elkaar te vergelijken zijn de eventuele vormveranderingen van de zandgolven te registreren zonder dat de invloed van de megaribbels hierin meespeelt. Bij het verwerken van de oppervlakte-gegevens zijn de fouten die ontstaan door en verkeerde getijregistratie en het uit de koers varen van het lodingsvaartuig verdisconteerd. Het blijkt dat de aldus gevonden oppervlakte-verschillen i.h.a. binnen de fouten mogen liggen. Het verbinden van- conclusies aan de enkele grotere oppervlakte verschillen lijkt riskant, omdat het slechts een beperkt aantal registraties betreft. Wel kan in het algemeen gezegd worden dat vervorming of verplaatsing van zandgolven gedurende de meetperiode kleiner zijn dan de meet- en verwerkingsnauwkeurigheid. De megaribbels die op de zandgolven liggen werden ook geregistreerd. De lengte en hoogte van deze megaribbels wordt vergeleken met de in de voorgaande periode opgetreden significante golfhoogte. Het al eerder waargenomen verschijnsel van megaribbel-opbouw in de zomer en afvlakking in de winter wordt ook hier gevonden. Om de vorm van de zandgolven te kunnen verklaren wordt gezocht naar een fysisch fenomeen die dit kan beschrijven. Het lijkt dat de stroming over de zandgolven na het passeren van de top nog sterk verandert, zodat er een discontinuïteit in het zandtransport ontstaat. Achter de zandgolf is a.h.w. een stroomschaduw. Dit wordt verder het "luwte effect" genoemd
Autonomous dredging of mud
There are many locations where the accumulation of mud poses a problem. In lakes it can have a negative influence on the ecological situation and in port basins it can hinder traffic. Usually these mud deposits are removed periodically with regular dredging vessels. Looking at the continuous nature of the mud deposition and at the trend of an increasing autonomy of machines, an interesting question is whether and how this mud can be removed by autonomous dredgers. A literature study on dredging processes and their application in both existing and conceptual machines was conducted to find potential solutions. The most viable concept is based on water injection dredging (WID), which is a dredging technology that uses water jets to fluidize the soil. This is done by injecting a high volume of water at a low pressure into the soil. The created soil-water mixture flows away under the force of gravity. A model was set up to describe the full WID process. In this model parts of available models are combined with new insights and approximations. Firstly, the jetting and loosening of mud is described. The jet intrusion depth is estimated using a perpendicular intrusion model. It is assumed that a jet intrudes into the soil up to a depth where the thrust pressure is equal to about 6 times the cohesion of the soil. Using the hauling velocity of the dredge the discharge, density and velocity of the mixture are estimated. Secondly, a transition from a supercritical to a subcritical flow takes place. In previous reports it was thought that entrainment and a hydraulic jump take place after the jetting process, although these effects are not clearly visible in experiments. Probably the only way to get more insight into the processes at this location is advanced fluid modelling. Therefore, the previously used methods to calculate entrainment and the hydraulic jump are not applied in this report. Since it can be assumed that at least some entrainment takes place during this phase, a multiplication factor is applied on the jet discharge to model the entrainment of water. The third and last sub process deals with the outflow of the density current. To come to an estimation for the travel distance of the density current, the Chézy formulation is applied, altered with a term to account for the reduced effect of gravity under water. Using an estimation for the settlement velocity, the decrease of mud discharge is taken into account. This gives reasonable results for the properties of the density current and the distance over which this current propagates. For the AWID (autonomous WID) device itself several options for the propulsion, energy supply and form factor have been considered. A small and floating device seems to be the most realistic. A device with a jet beam of 4 m, 500 kW installed power, a 2000 kWh battery pack and therefore a working time of four hours is a realistic option. A case study has been done on the Botlek harbour in the Port of Rotterdam. Using available data on the yearly volume of dredged material and the distribution of this material over the basins, an estimation has been made for the production of the AWID in this harbour. Extrapolating the results to the full Port of Rotterdam results in a system of six AWID devices that each serve their own area around one of the six docks that are locations throughout the port.Dredging EngineeringHydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
De onderwater zanddam bij Loswal Noord: Gedrag en zandtransport
In het kader van onderzoek naar processen die zich langs de Nederlandse kust afspelen, is in 1981 en 1982 een onderwater zanddam aangelegd bij Loswal Noord ter hoogte van Hoek van Holland. Deze onderwater zanddam is nagenoeg loodrecht op de overheersende getij stroomrichting gepositioneerd. Het doel van de aanleg van deze onderwater zanddam was destijds om de stabiliteit van een dergelijke zanddam te onderzoeken en om de zandtransporten te bepalen ter plaatse van deze zanddam. In 1983 is door twee afstudeerders een numeriek model opgezet om het gedrag te voorspellen en de zandtransporten te berekenen [Redeker en Kollen, 1983]. Na 12,5 jaar zijn er middels lodingen voldoende gegevens beschikbaar om het gedrag van de zanddam te beschrijven en de zandtransporten te bepalen. Tijdens het onderzoek naar het gedrag van de zanddam zijn gegevens verzameld die nodig waren om het gedrag van de zanddam te kunnen beschrijven en gegevens die invloed op het gedrag van en het zandtransport ter plaatse van de zanddam kunnen hebben. Van de volgende gegevens is tijdens dit onderzoek gebruik gemaakt: - ladingsgegevens van 1982 tot en met 1995, - nauwkeurigheid van de lodingen, - stortgegevens van de jaren 1982 tot en met 1986, - wind- en golfgegevens, - getij stroomgegevens, - bodemgegegevens, - invloed van de Rijnafvoer, - beschrijving van het gedrag van zandgolven. Het blijkt dat verschillende factoren invloed hebben op het gedrag van en de zandtransporten ter plaatse van de zanddam. De invloed van deze factoren zijn echter niet te kwantificeren. Vervolgens is een beschrijving van het gedrag van de zanddam gegeven. Om de stabiliteit te onderzoeken zijn de volgende aspecten van de zanddam bestudeerd: - verplaatsing van de kam, zwaartelijnen en dam voeten, - veranderingen in de hoogte van de zanddam, van de hellingen en van de kuberingen. Daarnaast is nagegaan of er verbanden tussen deze aspecten bestaan. Tussen een aantal aspecten blijkt inderdaad een verband te bestaan. Ook zijn de resultaten uit het onderzoek naar het gedrag van de zanddam vergeleken met de voorspellingen en berekeningen van Redeker en Kollen. De voorspellingen blijken niet zo heel goed overeen te komen met de gevonden resultaten. Uit de beschrijving van het gedrag van de zanddam kan geconcludeerd worden dat de zanddam stabiel is voor het gedeelte van de zanddam dat op een waterdiepte ligt die groter is dan 19 m. De zanddam blijft op zijn plaats liggen, neemt wel in hoogte iets af, maar niet noemenswaardig veel. De zanddam wordt in dit gedeelte ook asymmetrisch. In het ondieper gelegen gedeelte is de zanddam niet stabiel.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
User involvement in a Cochrane systematic review: using structured methods to enhance the clinical relevance, usefulness and usability of a systematic review update
Background: This paper describes the structured methods used to involve patients, carers and health professionals in an update of a Cochrane systematic review relating to physiotherapy after stroke and explores the perceived impact of involvement.Methods: We sought funding and ethical approval for our user involvement. We recruited a stakeholder group comprising stroke survivors, carers, physiotherapists and educators and held three pre-planned meetings during the course of updating a Cochrane systematic review. Within these meetings, we used formal group consensus methods, based on nominal group techniques, to reach consensus decisions on key issues relating to the structure and methods of the review.Results: The stakeholder group comprised 13 people, including stroke survivors, carers and physiotherapists with a range of different experience, and either 12 or 13 participated in each meeting. At meeting 1, there was consensus that methods of categorising interventions that were used in the original Cochrane review were no longer appropriate or clinically relevant (11/13 participants disagreed or strongly disagreed with previous categories) and that international trials (which had not fitted into the original method of categorisation) ought to be included within the review (12/12 participants agreed or strongly agreed these should be included). At meeting 2, the group members reached consensus over 27 clearly defined treatment components, which were to be used to categorise interventions within the review (12/12 agreed or strongly agreed), and at meeting 3, they agreed on the key messages emerging from the completed review. All participants strongly agreed that the views of the group impacted on the review update, that the review benefited from the involvement of the stakeholder group, and that they believed other Cochrane reviews would benefit from the involvement of similar stakeholder groups.Conclusions: We involved a stakeholder group in the update of a Cochrane systematic review, using clearly described structured methods to reach consensus decisions. The involvement of stakeholders impacted substantially on the review, with the inclusion of international studies, and changes to classification of treatments, comparisons and subgroup comparisons explored within the meta-analysis. We argue that the structured approach which we adopted has implications for other systematic reviews.</p
- …
