2,936 research outputs found
Veranderingen in populaties van soorten in functie van de tijd en de mechanismen die deze veranderingen sturen
sponsorship: Agentschap voor Natuur en Bosstatus: Publishe
Implications of Country-Level Decisions on the Specification of Crown Cover in the Definition of Forests for Land Area Eligible for Afforestation and Reforestation Activities in the CDM
Economic Analysis on Electrification of Rural Villages in Eastern Zambia
A large proportion of Zambia’s population lives in rural areas and only 3 percent of them
have access to electricity. This means that they have to cook over open fire that requires
firewood, and with a growing population this usage will increase deforestation. The absence
of proper lighting possibilities make life hard during the nights and also increase unwanted
encounters with dangerous animals. The government of Zambia has began to realize that the
electrification issue needs to be solved and has therefore initiated the development of a
national power grid. But other alternatives are required to provide the vast majority of rural
villages due to slow progress and high costs associated with the power grid. Generator
powered electricity is an option but the question is whether it is sustainable or not? Jatropha
Curcas is a multipurpose crop and its seeds can be used for oil extraction. This oil can then be
used to produce biodiesel in a transesterification process, which can be conducted in the
villages. This integrated biodiesel production lets villagers take control over their own
electricity supply since they would grow it on their own land, and is a good alternative until
the power grid is available.
This paper deals with issues regarding what type of fuel that should be used and how to
conduct a process towards electrification in order for villages in the area to be financially and
environmentally sustainable. Interviews were conducted in the project village Kakoma,
Lundazi District area, and used for data and information collection. In the general case,
aiming at providing a general model for electrification in the area, a comparison between
fossil diesel import and Jatropha based biodiesel was made, where a part of each farmer’s
cultivation area is used for growing Jatropha instead of cash crops. In a case study, growing
Jatropha on a new land area in order to produce biodiesel is compared with diesel import.
Using a Cost-Benefit Analysis it can be shown that Jatropha based biodiesel is more
financially viable in both cases. However, large investment costs that are excluded from the
calculations would decrease its feasibility. To make a transition from cash crops to Jatropha
possible there are certain identified socioeconomic factors that need to be fulfilled. External
knowledge, villagers propensity to cooperate for the common good, woman involvement,
leadership and increased education levels are important for a transition to be successful. In
order for Jatropha cultivation to be sustainable, deforestation in favour for plantations cannot
be allowed and also efficient use of byproducts to complete the lifecycle of the plant needs to
be applied. A general case transition towards Jatropha based biodiesel is not recommended at
the moment due to high risks, mainly due to short-term thinking by villagers, absence of
NGOs and insufficient financial resources. The presence of an NGO in the Kakoma case, that
is monitoring projects along with strong leadership make this case more likely to succeed.
However, more research regarding seed yields in the area and the social dynamics of villages
is required in order to make a informed decision whether a transition should be conducted or
not
Lineaire, houtige habitats in het agrarisch landschap: ruimtelijke en temporele dynamiek, organisatie van plantengemeenschappen en uitbreiding van invasieve exoten
Met meer dan de helft van het grondoppervlak onder agrarisch gebruik vor mt landbouw de drijvende kracht die het Europese landschap vormgeeft. In gebed in de rurale landschapsmatrix bevindt zich een complex netwerk van kleinschalige, halfnatuurlijke habitats, een belangrijke leefomgeving v oor plant en dier. Intensivering van de landbouw leidde echter tot een s terke achteruitgang van dit netwerk. Voorliggende studie poogt inzicht t e verkrijgen in de ruimtelijke en temporele dynamiek van lineaire, houti ge habitatfragmenten in het agrarisch landschap. Verder wordt er gefocus t op de verschillende factoren die de samenstelling van plantengemeensch appen binnen deze habitats beïnvloeden. Tenslotte wordt het proces van i nvasieve uitbreiding van uitheemse plantensoorten geanalyseerd. Twee ver schillende habitattypes, kenmerkend voor traditionele rurale landschappe n in Vlaanderen (i.e. houtkanten en holle wegen), worden bestudeerd. Een gedetailleerde reconstructie van een bocage landschap in noordoost B elgië toonde een progressieve expansie van het houtkantennetwerk aan tij dens de 19de eeuw, hoofdzakelijk geassocieerd met een kleinschalige land bouw en heideontginning. In de loop van de 20ste eeuw degradeerde het ho utkantennetwerk sterk ten gevolge van de intensivering en mechanisering in de landbouw. Een beperkt herstel werd geobserveerd tijdens het laatst e decennium van de 20ste eeuw, gelinkt met een verandering in ruraal bel eid en een groeiend milieubewustzijn van de plattelandsbevolking. Terwij l historisch de ruimtelijke spreiding van het houtkantennetwerk gecontro leerd werd door de topografie en de afstand tot de dorpskern, werd de hu idige structuur van het netwerk voornamelijk beïnvloed door het heersend e landgebruik. Studie van de ruimtelijke en temporele dynamiek van holle wegen in centr aal België leerde dat deze habitats zich grotendeels ontwikkelden in de 19de en eerste helft van de 20ste eeuw. Een stijgende bevolkingsdruk, re sulterend in een geïntensifieerd gebruik van het rurale wegennetwerk, pr omootte de erosie van het wegoppervlak en de ontwikkeling van holle wege n. Tijdens de tweede helft van de 20ste eeuw ging het netwerk van holle wegen sterk achteruit, zowel kwalitatief als kwantitatief, ten gevolge v an de intensivering en schaalvergroting in de landbouw. De ruimtelijke s preiding van holle wegen werd sterk beïnvloed door landschapspositie en bodemcondities. De opbouw van plantengemeenschappen in houtkanten bleek een complex proc es, met een brede waaier van onderling gerelateerde factoren die de soor tenrijkdom en samenstelling van deze elementen controleerden. Naast een dominante impact van de abiotische milieucondities, hadden beheersvariab elen en structurele aspecten een relatief grotere invloed dan de histori sche achtergrond of de ruimtelijke configuratie van de landschapsmozaïek . Op basis van verspreidingspatronen van individuele plantensoorten werd en significante relaties gevonden tussen de ecologische kenmerken van ee n soort en het relatieve belang van groepen van variabelen die de verspr eiding van deze soort beïnvloeden. Verder werd aangetoond dat verschille nde functionele groepen van planten met onderscheiden ecologische kenmer ken en een welbepaalde omgevingsrespons voorkomen in houtkantenhabitats. Analyse van plantengemeenschappen in holle wegen leverde verder inzicht in het functioneren van lineaire, houtige habitatfragmenten. Meer bepaal d bleken holle wegen te functioneren als een belangrijk habitat voor bos planten. Soortenaccumulatie in de tijd werd aangetoond, met een stijgend e soortenrijkdom in functie van de leeftijd van de holle weg. Isolatie b eïnvloedde ook significant de plantengemeenschap. Een dalend aantal boss oorten met toenemende isolatie van de fragmenten wees op verbreidingslim itatie in holle wegen. Bovendien interageerden leeftijd en isolatie, met een groter effect van isolatie voor oudere fragmenten, ten gevolge van een differentiële kolonisatie afhankelijk van de verbreidingscapaciteit van de soort. Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina) werd gebruikt als modelsoo rt om invasieve uitbreiding van uitheemse plantensoorten in een rurale l andschapscontext te bestuderen. Een reconstructie van het invasieproces toonde een niet-lineaire expansie aan binnen het bestudeerde houtkantenn etwerk. Bovendien werd de verspreiding van de soort sterk beïnvloed door de structuur van het landschap. Een ruimtelijk geaggregeerde populaties tructuur werd geobserveerd, met individuen geclusterd rond zaadbronnen e n landschapselementen preferentieel bezocht door vogels. Een afnemende a ggregatie met toenemende leeftijd duidde op densiteitsafhankelijke morta liteit, waarschijnlijk veroorzaakt door intraspecifieke competitie. Bijkomend inzicht in de expansie van de soort werd bekomen door analyse van het zaadverbreidingsproces. Een sterke link werd aangetoond tussen h et gedrag van de verbreidingsvectoren, het ruimtelijk verspreidingspatro on van zaden en de rekrutering van zaailingen. Door het aantrekken van e en brede waaier locale besseneters die zaden niet-random verbreiden naar specifieke microhabitats geschikt voor kieming en vestiging (i.e. direc tionele verbreiding), beschikte Prunus serotina over een erg effic iënt verbreidingssysteem dat de progressieve uitbreiding van de soort ka talyseert.status: Publishe
Metals in dredged sediment-derived soils along the rivers Scheldt and Leie : geographical distribution, bioavailability and ecosystem effects
- …
