1,721,119 research outputs found
Angst voor terrorisme bij Nederlandse kinderen.
In de huidige studie is de angst voor terrorisme bij Nederlandse kinderen onderzocht, alsmede factoren die deze angst kunnen beïnvloeden of in stand kunnen houden, namelijk neuroticisme, doelbewuste controle en de interpretatiefout. Kinderen in de leeftijd van 9 tot en met 13 jaar (N = 216) werden onderzocht met behulp van vier zelfrapportage-instrumenten om de mate van algemene angst, angst voor terrorisme, neuroticisme, effortful control en de interpretatiefout te meten. Uit de resultaten is gebleken dat Nederlandse kinderen niet echt wakker liggen van de terroristische dreiging. De relatie tussen neuroticisme en de angst was positief, de relatie met doelbewuste controle was negatief. Er bleek wel sprake te zijn van enkele interessante cultuurverschillen. Kinderen van Islamitische afkomst bleken in het algemeen angstiger te zijn dan Nederlandse kinderen, maar Islamitische kinderen bleken minder bang voor terrorisme dan Nederlandse kinderen
Fouten in de informatieverwerking en angst voor terrorisme bij kinderen.
In deze studie werd onderzocht welke factoren er samenhangen met fouten die kinderen maken in de verwerking van informatie over terrorisme. Meer specifiek werd onderzocht of de factoren ‘algemene angst’, ‘angst voor terrorisme’, ‘neuroticisme’ en ‘doelbewuste controle’ samenhangen met een interpretatiebias. Uit de resultaten blijkt echter dat bij de onderzochte groep van 216 basisschoolkinderen geen van deze factoren gerelateerd is aan fouten in de verwerking van informatie over terrorisme. Deze resultaten zijn niet in overeenstemming met de bevindingen uit eerder onderzoek. Een mogelijke verklaring voor de negatieve resultaten zou kunnen zijn dat de Interpretatie Bias Test, waarmee fouten in de verwerking van informatie over terrorisme werd gemeten, niet valide is. Deze test bevatte weliswaar terrorisme-relevante vignetten, echter de meeste vignetten waren tamelijk neutraal en bevatten enkel de naam ‘Hassan’ of ‘gesluierde vrouwen’, wat in feite normale kenmerken van de islamitische cultuur zijn. Het blijkt dus moeilijk om bij de constructie van een Interpretatie Bias Test een goede balans te vinden tussen neutrale en bedreigende vignetten en in vervolgonderzoek zal hieraan meer aandacht moeten worden besteed
Trigonocephaly: neurobehavioral outcomes of medical risk factors.
This study examined the relationship between neurobehavioral development and medical factors for preschool children diagnosed with trigonocephaly. Data were collected for a total of 20 children, 17 boys and 3 girls, all between the age of 1.5 and 3 years at time of measurement. All of the children had recently received reconstructive surgery for their trigonocephaly. Confirming findings from other studies, the results show an increase for a broad range of neurobehavioral problems in the sample. The various medical factors also showed high values (frontal stenosis) or high prevalence (presence of comorbidity, complications during pregnancy or birth). No unequivocal relationships were found between the presence of behavioral problems and the medical factors
Is een dier dat poep eet enger? Evaluatieve conditionering bij kinderen.
Bij volwassenen is gebleken dat niet alleen het conditioneren met angstopwekkende stimuli maar ook het conditioneren met walgingsopwekkende stimuli kan resulteren in angst. In dit experiment werden kinderen blootgesteld aan dierenogen die gekoppeld werden aan een walgingsopwekkende stimulus (poep) of een positieve stimulus (ijs). De angst voor deze ogen werd gemeten voor en na deze koppeling. Vervolgens werden de ogen herhaaldelijk getoond zonder deze koppeling (extinctiefase). De ogen werden als enger beoordeeld na de koppeling aan poep en als minder eng na de koppeling aan ijs, al was dit effect vrij zwak. Dit evaluatieve conditioneringseffect verdween niet helemaal na de extinctiefase. Vervolgens is er gekeken of algemene angstigheid, neuroticisme of walgingsgevoeligheid dit conditioneringseffect konden voorspellen. Walgingsgevoeligheid bleek als enige variabele een voorspellende waarde te hebben. Deze bevindingen lijken te suggereren dat conditionering met walgingsopwekkende stimuli een rol lijkt te spelen bij het ontstaan van angst voor dieren bij kinderen
Lichaamsvergelijking en lichaamsontevredenheid bij adolescente meiden.
In de huidige studie wordt de invloed van lichaamsvergelijking op lichaamsontevredenheid bij adolescente meiden onderzocht. Specifiek is er gekeken naar de invloed van een expliciete en impliciete opdracht tot lichaamsvergelijking op de mate van lichaamsontevredenheid. Daarnaast is de samenhang onderzocht tussen habituele lichaamsvergelijking en lichaamsontevredenheid, lichaamsbelangrijkheid, strategieën om af te vallen en Body Mass Index (BMI). Vrouwelijke VWO scholieren tussen de 13 en 17 jaar (N = 170) kregen vragenlijsten voorgelegd en vervolgens een fotopresentatie te zien waarin bovenstaande variabelen werden gemeten. Habituele lichaamsvergelijking bleek significant en positief samen te hangen met andere lichaamsgerelateerde variabelen, maar de relatie met lichaamsontevredenheid was het sterkst. Verdere analyses toonden aan dat impliciete en expliciete instructies tot lichaamsvergelijking niet van invloed waren op de mate van lichaamsontevredenheid
Zijn inslaapstoornissen bij volwassenen met ADHD gerelateerd aan een verstoring van het circadiane ritme?
Met deze replicatie studie werd geprobeerd beter inzicht te krijgen in slaapproblemen bij volwassenen met ADHD. DLMO werd gemeten via speekselafname, bedtijd en tijd van opstaan met het slaaplogboek. Slaaplatentie, aantal bewegingen gedurende de nacht en totale slaapduur werden bepaald met behulp van de actometer. Bij het onderzoek werden de gegevens van 14 volwassenen met ADHD van 18 tot en met 55 jaar gebruikt. 10 deelnemers behoorden tot de inslaapstoornissen groep (ADHD+) en 4 tot de niet-inslaapstoornissen groep (ADHD-). Er kon geen MANCOVA worden uitgevoerd. Op basis van gemiddelden kan gezegd worden dat inslaapproblemen bij volwassenen met ADHD gepaard lijken te gaan met een verlate DLMO, een verlate tijd van naar bed gaan en opstaan en een kortere slaapduur. ADHD+ lijkt niet met ADHD- te verschillen op slaaplatentie en beweeglijkheid gedurende de nacht. Vanwege de kleine steekproef en de geschonden assumpties moeten de resultaten voorzichtig worden geïnterpreteerd
Kan DLMO het slaap- en waakritme voorspellen bij volwassenen met ADHD?
Er is onderzocht of DLMO het slaap- en waakritme kan voorspellen bij volwassenen met ADHD. De gegevens van veertien deelnemers van 18 tot en met 55 jaar zijn gebruikt. Tijd van inslapen, slaaplatentie en tijd van wakker worden zijn bepaald door de actometer en een slaaplogboek. DLMO is bepaald in het speeksel. Door een kleine steekproef en geschonden assumpties konden de regressieanalyses niet uitgevoerd worden. Uit de correlatieanalyses kwam een significant verband tussen DLMO en tijd van inslapen en tussen DLMO en tijd van wakker worden naar voren. Het verband tussen DLMO en tijd van wakker worden was niet significant wanneer DLMO na 1:00 uur in de analyses werd meegenomen. Er was geen significant verband tussen DLMO en slaaplatentie. Vanwege de kleine steekproef en geschonden assumpties, moeten deze resultaten voorzichtig geïnterpreteerd worden. Mogelijk worden deze aanwijzingen voor DLMO als voorspeller van het slaap- en waakritme bevestigd in vervolgonderzoek
Volwassenen met ADHD versus Volwassenen met ADHD en een slaapstoornis: Komt de subjectieve slaapbeleving overeen met de objectieve slaapmeting?
Attention Deficit/Hyperactivity Disorder (ADHD) is een ontwikkelingsstoornis die bij 30% van de kinderen persisteert tot in de volwassenheid. ADHD gaat vaak gepaard met comorbiditeit, waaronder stemmingsstoornissen en slaapstoornissen. Veel mensen met ADHD hebben een slaappatroon dat wordt aangeduid als een slaapfasestoornis. De slaaplatentie is langer en de totale slaapduur en kwaliteit zijn ongestoord. In dit onderzoek is gekeken naar verschillen in slaaplatentie, slaapduur, aantal maal ontwaken gedurende de slaapperiode, objectieve slaapmeting en subjectieve slaapbeleving door middel van actigrafie en slaaplogboeken bij volwassenen met ADHD (ADHD-) en volwassenen met ADHD en een inslaapstoornis (ADHD+). Wegens schending van verschillende assumpties, konden geen analyses worden uitgevoerd. Uit de beschrijvende statistieken bleek dat ADHD+ later naar bed gaan dan ADHD-, de slaaplatentie van ADHD+ langer is dan van ADHD-, de subjectieve slaaplatentie langer is dan de objectieve slaaplatentie, ADHD+ de slaaplatentie meer overschat dan ADHD- en dat ADHD- de slaapduur meer overschat dan ADHD+
Geheugenomisies: over het verloren gaan van herinneringen.
Het geheugen kan op drie manieren beïnvloed worden. Aspecten uit het geheugen kunnen veranderd worden, aspecten kunnen aan het geheugen worden toegevoegd en uit het geheugen worden verwijderd. De eerste twee manieren van beïnvloeding van het geheugen zijn in het verleden veelvuldig onderzocht. Het verdwijnen van aspecten uit het geheugen, geheugenomissie, is echter minder onderzocht. Dit onderzoek heeft het optreden van geheugenomissies aangetoond, door 60 proefpersonen na het horen van een verhaal, een inbeeldingstaak te laten doen. Van deze taak bestond een volledige en een onvolledige versie. De proefpersonen die de onvolledige inbeeldingstaak hebben uitgevoerd, konden significant minder aspecten van het verhaal reproduceren, dan de proefpersonen die de volledige inbeeldingstaak kregen. Dit toont aan dat het mogelijk is om ervoor te zorgen dat bepaalde aspecten uit het geheugen verdwijnen
Anhedonie: een kenmerk van depressie, schizofrenie of van beiden?
Anhedonie is het verlies of de vermindering van het vermogen tot plezierbeleving. Het is kenmerk wat bij verschillende vormen van psychopathologie voorkomt, maar het is toch vooral een kenmerk van depressie en schizofrenie. Vanwege de onduidelijkheid bij welke stoornis anhedonie meer of in een ernstiger vorm voorkomt is een onderzoek uitgevoerd. Twintig patiënten met een depressie, 20 patiënten met schizofrenie en 20 gezonde controlepersonen werden onderzocht op anhedonie en depressieve kenmerken aan de hand van de Snaith-Hamilton Pleasure Scale (SHAPS) en de Beck Depression Inventory (BDI). Het bleek dat de depressieve groep de hoogste anhedonie-en depressiescores had, gevolgd door de schizofreniegroep en tot slot de gezonde controlegroep. Verschillen in de samenstelling van de groepen wat betreft leeftijd, geslacht, opnameduur en medicijngebruik waren niet van invloed op de resultaten. Deze informatie kan bruikbaar zijn bij behandeling of voorkoming. Een beperking van het onderzoek betrof de kleine steekproef, vervolgonderzoek is gewenst
- …
