889 research outputs found

    Aanleg en beheer van grasland op rivierdijken

    No full text
    Ten behoeve van aanleg en beheer van dijkgraslanden is de afgelopen jaren onderzoek verricht naar de vegetatiekundige samenstelling en de erosiebestendigheid van dijkgraslanden. De resultaten hiervan zijn juist op dit moment van belang. Bij verschillende waterschappen staat het traditionele dijkbeheer steeds vaker ter discussie naar aanleiding van de in uitvoering zijnde dijkverzwaringswerken en in verband met de groeiende maatschappelijke wens om een meer multifunctioneel gebruik van dijken mogelijk te maken. Beheerstype, onderhoudsvorm, gebruiksmogelijkheden en kosten van dijkbeheer hangen nauw met elkaar samen en bepalen de kwaliteit van dijkgraslanden. Niet alleen als bekleding van de waterkeringen, maar ook ten aanzien van verwante belangen als dragers van natuur- , agrarische en recreatieve waarden. Bij een multifunctioneel gebruik van dijken zal in de toekomst steeds vaker om keuzes worden gevraagd omtrent de verschillende beheersmogelijkheden, die voor dijken in het rivierengebied bestaan. Dit alles uiteraard binnen de waterstaatkundige randvoorwaarden, die hier aan de geslotenheid en de doorworteling van de dijkvegetatie zijn gesteld. Voor dijken met actuele of potentiële natuurwaarden ligt een natuurtechnische beheersvorm voor de hand, terwijl voor de dijken met zwaardere grondsoorten een aangepast agrarisch beheer een geschikte mogelijkheid kan zijn. Om vanuit deze gedachte bij aanleg en beheer van dijkgraslanden goede keuzes te kunnen maken, kunnen de volgende algemene conclusies en aanbevelingen als richtlijnen worden gebruikt. Ze vormen als zodanig een leidraad voor een weloverwogen dijkbeheer.TAW-EN

    Nederland kantelpunt - Peter Boerenfijn: Hoe zorggebouwen veranderen als gevolg van Covid-19

    No full text
    In zorgwoongebouwen verblijven de meest kwetsbare mensen in grote eenzaamheid. Enerzijds is er de gezondheidseis van social distancing en anderzijds de broodnodige contactmomenten tussen mensen tijdens de lock down om niet te vervreemden. Nergens wordt dit dilemma zo pijnlijk gevoeld als in zorggebouwen. De COVID-19 epidemie zal niet de laatste crisis zijn waarbij besmetting met zoönotische virussen centraal staat en gezonde afstand enerzijds en verlangen naar contact anderzijds ons leven bepaald. Het is daarom heel waarschijnlijk dat deze epidemie de architectuur van zorggebouwen zal gaan veranderen naar gezonde gebouwen die letterlijk ruimte geven aan gebruikers. Alleen al het feit dat iedereen inmiddels de vaardigheid van videobellen en thuiswerken heeft aangeleerd leidt tot een heroriëntering op het type gebouwen dat wij gebruiken. In dit artikel is Peter Boerenfijn geïnterviewd die zich met ouderenhuisvesting bezighoudt en de te verwachte veranderingen van het gebouwtype als gevolg van COVID-19.<br/

    Technologie of mens; wie gaat de wording van onze steden bepalen?

    No full text
    Wat is de impact van technologie op gebiedsontwikkeling? Dat was de vraag van het Praktijkcongres 2016 van Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling . Data- en communicatietechnologie ontwikkelt zich in razende vaart. De consequenties voor steden zijn nog nauwelijks te overzien, net als men bij de uitvinding van de verbrandingsmotor in 1867 nog niet kon overzien hoe dat de wording van bestaande en nieuwe steden zou gaan domineren. Keynotespreker Anthony Townsend (New York University), Peter Russell (TU Delft) en Femke Haccou (Gemeente Amsterdam) schetsten een beeld van de toekomst. Friso de Zeeuw (TU Delft) gaf een reflectie op deze toekomstbeelden. Hoe gaat de technologie de wording van onze bestaande en nieuwe steden bepalen

    Alternatief voor het Schenkviaduct: Effecten op de robuustheid van het wegennet van Den Haag en woon- en leefklimaat

    No full text
    Al jaren wordt er gespeculeerd over de toekomst van het Schenkviaduct in Den Haag. De staat en de leeftijd van het viaduct spelen hierin een belangrijke rol en de positie van het viaduct in het wegennetwerk. Diepgaande studies naar de toekomst van het Schenkviaduct zijn er tot nu toe nog niet geweest. De bijkomstigheid van vele factoren op het gebied van verkeerskunde en stedenbouwkunde maakt een studie naar het Schenkviaduct tot een complexe opgave. Tevens wil Den Haag zich profileren als internationale stad van vrede, recht en veiligheid. Het is dan van belang dat de bereikbaarheid van Den Haag op orde is, dat het infrastructuurnetwerk robuust is en dat het woon- en leefklimaat in Den Haag goed is. Dit moet internationale instanties verleiden om zich in Den Haag te gaan vestigen. Op het gebied van verkeer en infrastructuur valt in Den Haag nog volop winst te behalen. Het Schenkviaduct vormt een belangrijk onderdeel in de verkeersstructuur van Den Haag. De vraag van de gemeente Den Haag is dan ook of de verkeersstructuur rondom het Schenkviaduct zodanig verbeterd kan worden zodat dit bijdraagt aan een robuuster wegennet en een beter woon- en leefklimaat? Deze thesis onderzoekt hoe de robuustheid van een stedelijk wegennet vergroot kan worden. Aan de hand daarvan is een methode ontwikkeld die op het Schenkviaduct is toegepast. De methodiek heeft geleid tot een aantal alternatieven die in deze thesis op robuustheid, bereikbaarheid, leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit zijn getoetst.Master thesisTransport & PlanningCivil Engineering and Geoscience

    Den Haag Zuidwest en de transformatie van wederopbouw- naar bouwblokkenstad

    No full text
    In Wéreldstad aan Zee. Structuurvisie Den Haag 2020 (2005) was er nog geen sprake van verdichting in Zuidwest, maar in de laatste plannen worden woonbuurten met maar liefst met 262% verdicht om de woningnood het hoofd te bieden. Met 67.290 inwoners en 63% corporatiebezit grotendeels gebouwd op erfpachtgrond biedt Den Haag Zuidwest mogelijkheden voor een grootschalige aanpak. Wat is precies de aanpak bij de transformatie, hoe gaat het eruit zien, en wat zijn de risico’s? Bouwt Den Haag aan segregatie? Een integrale visie over de leefbaarheid van de hofstad en bovenal Zuidwest is meer dan ooit ook urgent.Housing Institutions & Governanc

    Het daklozenpaleis van Kessler

    No full text
    In de Haagse krachtwijk Transvaal wordt binnenkort het nieuwe gebouw van de Kessler Stichting voor de opvang van dak- en thuislozen geopend. Een rijk gedetailleerd en gekleurd gebouw van de hand van Jos van Eldonk van het architectenbureau Soeters van Eldonk. Een gebouw dat rijkdom uitstraalt maar keurig binnen het budget is gerealiseerd.UrbanismArchitecture and The Built Environmen

    Tarwewijk in Transformatie

    No full text
    Woonwijken zijn in transformatie. Verstedelijkingsproces wereldwijd en in Nederland, voortdurende woningnood, divers en inclusief maken van wijken, bestaande kwaliteiten waarderen, verdichting van bebouwing, klimaat adaptief maken van stedelijke ruimten en gebouwen, biodiversiteit, klimaat neutraal maken van gebouwen in 2050, de mobiliteitstransitie, de zorgtransitie met veel ouderen die zelfstandig moeten gaan wonen. Nog nooit was de druk zo hoog om bestaande woonwijken te transformeren en aan te passen aan de nieuwe eisen van deze tijd. Tien weken lang werkten studenten van de TU Delft in het najaar van 2019 aan de tansformatie van de Mijnkintbuurt in de Tarwewijk Rotterdam-Zuid.Teachers of Practice / AHousing Institutions & Governanc

    Het portiekwoongebouw: vlagschip van de Nederlandse welvaartsstaat: Archtergrondstudie naar portiekwoongebouwen in Nederland voor het Beyond-the-Current research project

    Full text link
    Beyond the Current Het Klimaatakkoord en de ambitie om in 2050 CO2-neutrale woningvoorraad te hebben leidde tot de organisatie Stroomversnelling, een organisatie met leden uit de hele bouwketen die met haar keurmerk nul-op-de-meter NOM-keur een methode ontwikkelde waarbij woongebouwen en woningen op een industriële wijze van de buitenkant worden ingepakt met isolatie en betere installaties. Een methode met veel voordelen maar ook met weinig respect voor de beeldkwaliteit en biodiversiteit van deze woongebouwen. Om de kwaliteit en de bouwtechniek van woonportiekgebouwen te begrijpen is de TU Delft en de Hogeschool Utrecht gevraagd onderzoek te doen portiekwoongebouwen en de mogelijkheden die er zijn om tot een CO2-neutrale woningvoorraad te komen. Het wordt steeds duidelijker dat de energie-efficiëntie van onze woningvoorraad een van de grootste uitdagingen in verband met de bebouwde omgeving is – een uitdaging die in Nederland en in veel andere landen met beide handen is aangegrepen. Om deze uitdaging het hoofd te bieden, moet energie-efficiënte renovatie niet alleen als een technologisch maar ook als een architectonisch en maatschappelijk vraagstuk worden gezien. In dit ‘Research through Design’-project (RTD) genaamd ‘Beyond the Current’ zijn ontwerpoplossingen ontwikkeld om de energie-efficiëntie van flatblokken van vier verdiepingen te vergroten. Deze oplossingen zijn getoetst op de voorkeuren van huurders door de huurders virtuele ontwerpmodellen in 3D voor te leggen. De resultaten stelden woningcorporaties en architecten in staat om renovatiemaatregelen te ontwikkelen die niet alleen rekening houden met het milieu en met architectonische waarden, maar ook met de voorkeuren van de huurders van deze woningen. Dit onderzoek is uitgevoerd door onderzoekers en ontwerpers van de faculteit Bouwkunde van TU Delft (zie het overzicht met medewerkers), in samenwerking met Hogeschool Utrecht. Het team bestond uit: prof.dr.ir. V.H. Gruis, prof.ir. W. de Jonge, prof.ir. M.F. Asselbergs, dr. C.J. van Oel, ir. L.G.K. Spoormans, dr.ir. T. Konstantinou, ir. S. El Messlaki, ir. T. de Jonge, dr.ir. L.M. Oorschot De ontwerpoplossingen en huurdersenquêtes zijn in nauwe samenwerking met de volgende architecten, woningcorporaties en brancheorganisaties ontwikkeld: De Alliantie, Mitros, Haag Wonen, Eigen Haard, Stadgenoot, Van Schagen Architecten, INBO, FARO, BNA, NRP en Huren met Energie. Het project is gefinancierd door NWO/STW in het kader van het gezamenlijke onderzoeksprogramma Research through Design

    Correlatie tussen schuifsterkte en indexparameters van slib

    No full text
    Koninklijke Boskalis Westminster nv heeft een model ontwikkeld waarmee de te behalen producties bij het baggeren van slib berekend worden. Belangrijke grondspecifieke invoerparameters voor dit model zijn de dichtheid en de ongeroerde schuifsterkte van de te baggeren grond. De informatie over de schuifsterkte van slib is soms niet of slechts zeer gebrekkig aanwezig, wat tot gevolg heeft dat de uitkomsten van het productieberekeningsmodel een bepaalde onzekerheid bezitten. De invoer van de schuifsterkte van slib in het productieberekeningsmodel gebeurt in de huidige praktijk mede op basis van ervaring opgedaan bij eerdere baggerwerken. De doelstelling van dit onderzoek is het opstellen van een gevalideerd classificatiemodel waarmee op basis van de beschikbare omgevingsfactoren en metingen voldoende nauwkeurige waarden toegekend kunnen worden aan de ongeroerde schuifsterkte van slib op een bepaalde baggerlocatie. Literatuurstudie heeft inzicht gegeven in de bestaande correlaties voor de schuifsterkte van klei en heeft geleerd dat een verband voor de ongeroerde schuifsterkte gebaseerd op indexparameters ontbreekt. Onder indexparameters worden parameters verstaan die de mogelijkheid bieden onderscheid te maken tussen verschillende typen gronden. Verder heeft de literatuurstudie inzicht gegeven in de bepalende indexparameters en hun relaties met de schuifsterkte. Deze hebben ten grondslag gelegen aan de opzet van een dataverzameling van gronden welke als slib gekwalificeerd kunnen worden. Deze verzameling is gebruikt om te kijken in hoeverre de uit de literatuur bekende relaties voor klei toegepast kunnen worden op slib. De belangrijkste uitkomst hiervan is dat de relatie voor de geroerde schuifsterkte van Leroueil [1983] goed voldoet. De hoofdconclusie van dit onderzoek is dat wanneer directe metingen van de ongeroerde schuifsterkte ontbreken het mogelijk is de ongeroerde schuifsterkte te berekenen met indexparameters. De basis van deze correlatie wordt gevormd door de verhouding tussen watergehalte (w) en vloeigrens (wL), waarbij de indexparameters organisch gehalte en de fractie kleiner dan 2 μm bepalen welke berekening voor de ongeroerde schuifsterkte gebruikt dient te worden. Voor het opstellen van de relaties voor de ongeroerde schuifsterke is gebruik gemaakt van regressiemethoden. Bij het opstellen van deze vergelijkingen is gebruik gemaakt van data verspreid over de gehele wereld en het gebruik van deze relaties wordt daarom niet beperkt tot regionale setting. De gevoeligheid van een afzetting is gedefinieerd als de verhouding tussen de ongeroerde en de geroerde schuifsterkte. De vergelijkingen voor de ongeroerde schuifsterkte uit bovenstaande tabel en die voor de geroerde schuifsterkte maken het mogelijk een schatting van de gevoeligheid te maken indien metingen van de geroerde en/of ongeroerde schuifsterkte ontbreken. De belangrijkste aanbeveling is dat uitbreiding van de dataverzameling wenselijk is. Ten eerste omdat het tweede verband uit de voorgaande tabel gebaseerd is op een beperkt aantal punten. Ten tweede is uitbreiding wenselijk zodat mogelijk meerdere uitzonderingsgevallen bekend worden en dit wellicht de mogelijkheid biedt ook voor deze uitzonderingen correlaties voor de ongeroerde schuifsterkte op te stellen. In dit onderzoek wordt kwalitatief beschreven onder welke omstandigheden afwijkingen verwacht kunnen worden, maar kan er doordat het aantal uitzonderingen te gering is geen voorstel gedaan worden voor een benadering van de ongeroerde schuifsterkte voor deze uitzonderingen.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    Raad van State en de poëtica van het bestaande

    No full text
    Achter de monumentale gevels van het Lange Voorhout en de Kneuterdijk transformeerde de afgelopen jaren bijna geruisloos het allegaartje aan gebouwen van de Raad van State tot een universum waar verfijning en voornaamheid een nieuwe betekenis kregen. Aan een lange traditie waarbij de aanscherping tussen 'oud' (het domein van Monumentenzorg en historische freaks) en 'nieuw' (hippe eigentijdse architecten) centraal stond kwam een einde. Merkx+Girod gaven niet alleen vorm aan de bebouwing maar vooral aan het denken over transformatieprocessen van oude gebouwen en stedelijke weefsels naar nieuwe bestemmingen.UrbanismArchitecture and The Built Environmen
    corecore