1,720,993 research outputs found

    De invloed van Augmented Reality op taakkenmerken en de kwaliteit van arbeid.

    No full text
    Augmented Reality is in toenemende mate in opkomst in de assemblage-industrie. Het effect van AR op de kwaliteit van arbeid van assemblagemedewerkers is echter niet bekend. Het doel van het onderzoek is: Een bijdrage leveren aan de verdere ontwikkeling van de theorievorming over de rol van Augmented Reality binnen de assemblage-industrie door vanuit empirisch onderzoek te verkennen wat de invloed is van Augmented Reality op taakkenmerken (die van invloed zijn op de kwaliteit van arbeid) en op de kwaliteit van arbeid. Om dit doel te bereiken is een inductief verkennend onderzoek uitgevoerd binnen Brink Towing Systems B.V., een producent en assembleur van trekhaken in de automobielindustrie. Binnen Brink wordt gebruikt gemaakt van twee verschillende Augmented Reality systemen, een Vision systeem en een Pick-to-Light systeem. Uit een analyse van de resultaten is een drieledige invloed van Augmented Reality gevonden: • AR is van invloed op taakkenmerken en heeft daarmee met name passieve taken tot gevolg. Verder zijn er aanwijzingen, maar geen overtuigend bewijs, gevonden voor invloed op kenmerken van kwaliteit van arbeid. • AR is met name van invloed op het niet maken van fouten binnen de assemblage- en inpaksetting bij Brink. • AR heeft een structurerende werking in lijn met de Structuration Theory (Orikowski, 1992)

    Team characteristics and technological innova-tion in the TI branch

    No full text
    This study targets technological innovations that are developed in a specific context, the tech-nical installation branch (TI). Within this branch, the importance of being innovative is in-creasing due to radical, environmental and sustainable changes or improvements within the market of the TI branch as desired by the consumers. The study points to technological inno-vations. These are innovations in processes, products or services. Besides this, changes in so-cial structures, such as self-managing teams, are upcoming in this market. A few companies in this branch claimed to experiment with working in self-managing teams, in which teams may bear a high responsibility towards the tasks they perform. It is studied to what extent characteristics of (self-managing) teams hinder or facilitate the potential of project teams to develop bottom-up technological innovations. Furthermore, overall organisational structural choices may influence the potential of the teams as well, to develop the technological innovations. A specific company within the Technical Installation branch is studied by the help of qualitative research. This company has ad-hoc project teams that show characteristics of self-managing teams and are composed to perform projects. Furthermore, this company is an interesting case because of the fact that they recently produced different technological innovations. The study finds that the design choices for the organisational structure as well as (self-managing) team characteristics influence the potential of project teams to develop technological innovations. Important results can be grouped by a need of ownership, responsibility and authorities in the teams. Being involved and having the right authorities towards a teamtask (or sub-order) is a specific effect of the choices made to develop project teams at Van Delft. The results involvement, ownership or responsibility are influenced by structural related choices at organisational level as well. These choices mainly have to do with task-completeness, mutual dependency between departments, choices about related and even complementary activities and the differences in authorities on organisational level

    Samenwerken over de organisatiegrenzen heen

    No full text
    Dit thesisonderzoek onderzoekt de samenwerking tussen tien organisaties in het gebiedsproces Rivierklimaatpark IJsselpoort. Het doel van het onderzoek is om aanbevelingen aan de stuurgroep van het Rivierklimaatpark IJsselpoort te doen over het verder stimuleren van de samenwerking. Dit onderzoek maakt gebruik van het wetenschappelijke model dat Ansell en Gash in 2008 hebben gepubliceerd. Vanuit de stroming van de collaborative governance beschrijft dit model de verbanden tussen de relevante succesfactoren in een samenwerking tussen verschillende organisaties. Op basis van 10 interviews komt een consistent beeld naar voren van een succesvolle interorganisatorische samenwerking. Een verschilanalyse laat zien dat de partijen overeenkomstig dan wel meer dan de geformuleerde norm samenwerken. De invloedanalyse laat zien dat een aantal succesfactoren een sterke invloed op de samenwerking hebben. De aanbevelingen komen er samengevat op neer dat het, ondanks de succesvolle voorgeschiedenis, een nuttige investering is in deze samenwerking te blijven investeren

    Samenwerken.. je met het maar kunnen, en willen. Een kwalitatief onderzoek naar de factoren die van invloed zijn op de mate waarin de Veiligheidsregio's en het Ministerie van Defensie samenwerken en bereid zijn om samen te werken tijdens een crisis.

    No full text
    In het jaar 2000 vonden er twee crises plaats in Nederland: de vuurwerkramp in Enschede en de brand op oudjaarsavond/nieuwjaarsdag in café ’t Hemeltje in Volendam. Omdat geconcludeerd werd dat onder andere een “stevige” samenwerking van groot belang was voor toekomstige rampenbestrijding en crisisbeheersing, werden in 2010 de veiligheidsregio’s opgericht. Bij de evaluatie van de Wet Veiligheidsregio’s kwam naar voren dat versterking in de samenwerking en netwerkkracht in combinatie met uniformering van processen, als gemeenschappelijke doelstellingen van de veiligheidsregio” zou moeten plaatsvinden. Een van de samenwerkingspartners van de veiligheidsregio is het ministerie van Defensie. Dat Defensie hierbij betrokken is vloeit voort uit de derde hoofdtaak van Defensie: “De civiele overheid ondersteunen bij rechtshandhaving, rampenbestrijding en humanitaire hulp”. Ondanks dat het ministerie van Defensie structureel deel uitmaakt van de crisismanagementstructuur lijkt er geen eenduidige wijze te zijn waarop er vanuit de veiligheidsregio’s met Defensie wordt samengewerkt tijdens een crisis (in de warme fase). De roep om een eenduidige versterking van de (interorganisationele) samenwerking tussen de veiligheidsregio’s en het ministerie en Defensie is dan ook het probleem dat aanleiding geeft tot dit onderzoek. Daarom dat in dit onderzoek is onderzocht welke factoren van invloed zijn op de mate waarin er sprake is van interorganisationele samenwerking en de bereidheid tot samenwerking. Uit de wetenschappelijke literatuur is gebleken dat de mate van gedeelde ambities, wederzijds begrip voor elkaars belangen, vertrouwen, kwaliteit van afspraken, verbindend leiderschap en de invloed van de individuele liaison factoren zijn die van invloed zijn op de mate van interorganisationele samenwerking en de bereidheid tot samenwerking. Middels het doen van kwalitatief onderzoek is getracht tot de kern te komen van wat de ervaring is van beide partners en wat deze ervaring verklaart. Dit onderzoek betreft daarmee een deductief onderzoek. Als onderzoeksdesign is gekozen een multiple casestudy. Dit onderzoek heeft betrekking op acht verschillende cases ten aanzien van de samenwerking tussen de Veiligheidsregio’s en Defensie. Gekozen is om enkel onderzoek te doen naar de acht veiligheidsregio’s die vallen onder het aandachtsgebied van het Bureau Nationale Operaties van 43 Gemechaniseerde Brigade. De veiligheidsregio’s die vallen onder het aandachtsgebied van deze gevechtsbrigade zijn: Groningen, Fryslân, Drenthe, IJsselland, Twente, Utrecht, Gooi en Vechtstreek en Flevoland. Voor dit onderzoek is inzicht en kennis worden verzameld door gebruik te maken van twee kwalitatieve dataverzamelingsmethoden: documentenonderzoek en interviews. Gebleken is dat er grote verschillen zijn als het gaat om de mate van interorganisationele samenwerking en de bereidheid tot samenwerking in de acht verschillende veiligheidsregio’s. Deze zijn in drie categorieën te onderscheiden, waarbij bij één regio geen eenduidige werkwijze duidelijk is geworden: 1. Standaard samenwerking; 2. Op verzoek van de veiligheidsregio, maar wel contact met de liaison; 3. Op verzoek van de veiligheidsregio; In hoeverre de veiligheidsregio’s bereid zijn om samen te werken is ook heel verschillend. Hierin lijken vier categorieën in te bestaan. 1. Hoge bereidheid 2. Geen actieve investering in de samenwerking 3. Veel investering in de liaison 4. Alleen investeren indien nodig 3 | Gebleken is dat geen van de op wetenschappelijke literatuur factoren gebaseerde van invloed is op de mate van interorganisationele samenwerking en de mate van bereidheid tot samenwerking tussen de veiligheidsregio’s behorend tot het aandachtgebied van 43 gemechaniseerd brigade en het ministerie van Defensie, waarbij de factoren vertrouwen en de invloed van de individuele liaison wel als erg belangrijk worden ervaren door de partners. De mate van vertrouwen in Defensie is volgens de respondenten erg afhankelijk van het vertrouwen in de militaire liaison. Als het gaat om de ‘invloed van de individuele liaison’ is gebleken dat de individuele karakteristieken van de liaison een belangrijke rol spelen bij interorganisationele samenwerking en de bereidheid hiertoe. Met name is naar voren gekomen dat de wijze van opstellen naar partners en de persoonlijke beweegredenen van de liaisons, ertoe kan leiden dat de samenwerking juist goed of minder goed verloopt of verlopen is. Tenslotte is, als bijvangst, uit de gesprekken met de respondenten naar voren gekomen dat de wijze waarop de crisisorganisatie is ingericht wordt een factor is, die van invloed is op de mate van interorganisationele samenwerking en de bereidheid hiertoe, aangezien Defensie slechts één van de partners, die al dan niet kan aansluiten op uitnodiging van de veiligheidsregio, zoals men afspreekt en kenbaar maakt in de convenanten. Op basis van deze resultaten zijn er aanbevelingen geformuleerd. Dit betreffen aanbevelingen voor zowel het ministerie van Defensie als voor de veiligheidsregio’s. Daarnaast zijn er ook aanbevelingen geformuleerd voor het doen van vervolgonderzoek

    "Initiative is doing the right thing without being told"

    No full text
    This thesis reports on the effect of self-efficacy on personal initiative and the effects of autonomy and organizational structure thereon. Regression analysis of a survey of 91 employees of a FMCG company showed, as hypothesized, self-efficacy determines personal initiative. The effects of autonomy and organizational structure do not significantly influence the effect of self-efficacy on personal initiative

    Meten is weten: maar is alles meetbaar? Een casestudie naar de wijze van effectiviteitsmeting en kwaliteitsbeoordeling van de Nederlandse inlichtingenbijdrage aan de MINUSMA-missie

    No full text
    Vanwege het belang van inlichtingen in de besluitvorming is de waarde van informatie in de militaire context al jarenlang een belangrijk onderwerp voor onderzoek. Ondanks het belang van inlichtingen, is er tot op heiden weinig geschreven over hoe men de prestaties van inlichtingenorganisaties meet. Om dit te onderzoeken is in opdracht van de Nederlandse Defensie Academie een enkelvoudige casestudie naar de Nederlandse inlichtingenbijdrage aan de MINUSMA-missie in Mali uitgevoerd. Het doel van dit onderzoek is een kennisbijdrage leveren aan de theorie en de praktijk omtrent de wijze waarop effectiviteit en kwaliteit tot stand kwam, en op basis van welke indicatoren de prestaties beoordeeld werden. Ondanks het belang van inlichtingen, is er tot op heiden weinig geschreven over hoe men de prestaties van inlichtingenorganisaties meet. Aangezien er geen sprake is van een sterke theoretische verwachting, zijn op basis van deze theoretische verkenning dimensies onderscheiden. Deze dimensies kunnen als sensitizing concepts helpen bij het begrijpen van het proces van effectiviteitsmeting en de kwaliteitsbeoordeling van de Nederlandse inlichtingenbijdrage. Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt de kwaliteit van een inlichtingenbijdrage niet eenduidig te conceptualiseren en moeten vraagtekens worden gezet bij de gedachte dat alles meetbaar is

    Een goed idee is het halve werk

    No full text
    Wanneer organisaties willen innoveren is het hebben van een goed idee alleen vaak niet voldoende. Het is minstens zo belangrijk dat een idee uitgevoerd kan worden. De mate waarin individuen in staat zijn om het genereren van ideeën en het implementeren van ideeën te verenigen, wordt ook creative problem solving capacity genoemd. De invloed van de manier waarop taken zijn vormgegeven (taakontwerp) en de invloed van een gedeelde visie op creatief probleemoplossend vermogen is onderzocht. Uit de resultaten komt naar voren dat taakidentiteit en autonomie een redelijk groot positief effect lijken te hebben op creative problem solving capacity. Ook de mate waarin er sprake is van een gedeelde visie lijkt een positieve, maar redelijke kleine invloed te hebben

    The nursing workforce in transition: a qualitative study on the structure of the nursing work environment and level of commitment

    No full text
    Aim and research questions: to provide a diagnosis of the structural characteristics of the nursing work environment in a Dutch hospital. Three research questions: (1) What is the perceived level of commitment among nurses? (2) What are the actual values of the structural parameters of the nursing departments in the selected hospital? (3) To what extent do the actual structures of the nursing departments enable high commitment among nurses? Background: The nursing work environment is an important element in nursing care delivery and appears to be a strong predictor of both patient and nurse outcomes. However, knowledge about how the quality of the nursing work environment is related to characteristics in the organizational structure and employee commitment seems scarce. Socio-technical design principles developed by De Sitter enable analysis and diagnosis of organizational structures to eventually improve the level of employee commitment. Design and methods: This qualitative practice-oriented research consisted of 15 semi-structured interviews with nurses and managers. Data were collected from July to September 2020 and convenience sampling was used for the selection of the interviewees. A deductive type of reasoning is used and template analysis was conducted to analyze the organizational structure and level of commitment. Results: On both the production and control structure the parameter values were high, but the values are somewhat higher on the control structures. Due to the high values, nurses have to work in complex network with a high variability of tasks with many dependencies from other disciplines and departments. In addition, nurses were not involved in strategic design processes and in many departments support processes were allocated outside the teams. The perceived level of commitment was generally high and nurses were happy with their employer. However, there was a need for more transparency and involvement from the higher management. Conclusions and implications: Flexibility of the organization is under pressure and the high parameter values suggest that the organization is less able to attenuate disturbances. Nurses were happy with their employer and were motivated to be involved in regulatory processes. However, lack of shared decision-making and recognition for nursing work sometimes made this impossible which jeopardizes the level of commitment. These findings can be used for further (re)design of a healthy nursing work environment

    Waterschap AA en Maas: participatieorgaan of eigen baas? Een onderzoek naar de implementaie van participatie bij projecten vanhet waterschap AA en Maas

    No full text
    In dit onderzoek staat de vraag: ’’Welke factoren zijn van invloed op de mate van participatie die het waterschap Aa en Maas toepast op participatieprojecten?’’ centraal. In het theoretisch kader van dit onderzoek is participatie gedefinieerd volgens Quick en Bryson (2016) als het betrekken van burgers, maatschappelijke organisaties, bedrijven en/of andere overheden bij beleid, plannen of programma's waarin zij (in)direct belanghebbend zijn. Om deze definitie binnen het waterschap Aa en Maas te toetsen, is gebruik gemaakt van de theoretische participatieladder van Arnstein (1969), die acht treden omvat die variëren in mate van invloed van derden bij het waterschap. Het onderzoek is uitgevoerd met behulp van kwalitatieve onderzoeksmethoden. Er is een meervoudige case study uitgevoerd, waarbij drie participatieprojecten van het waterschap Aa en Maas zijn geselecteerd. Voor deze casestudies zijn respondenten gezocht, zowel intern als extern, die betrokken waren bij de projecten. Met velen van hen zijn interviews gehouden. Daarnaast is documentanalyse toegepast en zijn er observaties uitgevoerd. Door het transcriberen en coderen van interviews is een analyse uitgevoerd om de hoofdvraag te beantwoorden. Uit de analyse blijkt dat, in tegenstelling tot de verwachtingen uit de literatuur, het aantal diverse belanghebbende partijen een positieve invloed heeft op participatie. Ook de motivatie en expertise van de doelgroep hebben een positieve invloed op de mate van participatie. Aan de andere kant heeft de angst voor beleidsvervreemding onder ambtenaren een negatieve invloed. De ervaring van ambtenaren bleek in de context van dit onderzoek niet relevant als factor. Opmerkelijk was dat heftige gebeurtenissen, zoals overstromingen in het gebied van project Aa dal-Zuid, volgens respondenten een positieve invloed hebben op participatie. Als aanbeveling wordt het waterschap gedaan om te onderzoeken hoe ze meer diverse participanten aan hun projecten kunnen binden. Het verschil tussen geografische belanghebbenden en daadwerkelijke deelnemers moet worden overbrugd, dit zou juist een positieve bijdrage kunnen leveren aan participatie bij het waterschap. Bovendien wordt aanbevolen om de relatie tussen motivatie en expertise van de doelgroep nader te onderzoeken. Als deze twee factoren sterk met elkaar samenhangen, kan op basis daarvan een plan worden opgesteld om de participatie te verbeteren
    corecore