1,272 research outputs found
Verstoorde antigeenpresentatie als immunologisch ontsnappingsmechanisme bij acute myeloïde leukemie
Dhr. dr. M.M. van Luijn promoveerde op 15 februari 2012 aan het VU medisch centrum in Amsterdam op zijn promotieonderzoek getiteld ‘Verstoorde antigeenpresentatie als immunologisch ontsnappingsmechanisme bij acute myeloïde leukemie’. Dit onderzoek stond onder begeleiding van promotor dhr. prof. dr. G.J. Ossenkoppele en copromotores dhr. dr. A.A. van de Loosdrecht en mw. prof. dr. S.M. van Ham. Hieronder vindt u een korte beschrijving van zijn promotieonderzoek met daarin de belangrijkste bevindingen
Verstoorde antigeenpresentatie als immunologisch ontsnappingsmechanisme bij acute myeloïde leukemie
Dhr. dr. M.M. van Luijn promoveerde op 15 februari 2012 aan het VU medisch centrum in Amsterdam op zijn promotieonderzoek getiteld ‘Verstoorde antigeenpresentatie als immunologisch ontsnappingsmechanisme bij acute myeloïde leukemie’. Dit onderzoek stond onder begeleiding van promotor dhr. prof. dr. G.J. Ossenkoppele en copromotores dhr. dr. A.A. van de Loosdrecht en mw. prof. dr. S.M. van Ham. Hieronder vindt u een korte beschrijving van zijn promotieonderzoek met daarin de belangrijkste bevindingen
Impaired Antigen Presentation as Immune Escape Mechanism in Acute Myeloid Leukemia
Ossenkoppele, G.J. [Promotor]Loosdrecht, A.A. van de [Copromotor]Ham, S.M. van [Copromotor
De katalytische aktiviteit van enzymen in organische oplosmiddelen
In dit afstudeerverslag: De katalytische aktiviteit van enzymen in organische oplosmiddelen, wordt afgeleid dat de snelheid waarmee iedere enzymatische reaktie verloopt een funktie is van chemische aktiviteiten in plaats van concentraties van het substraat. Hieruit volgt dat wanneer de chemische aktiviteit van een substraat constant is, de reaktiesnelheid in ieder organisch oplosmiddel gelijk is, mits het oplosmiddel en de active-site van het enzym geen interaktie vertonen. Wanneer Km en afzonderlijk bepaald worden door aan de initiële reaktiesnelheid als funktie van de substraataktiviteit Michaëlis-Menten kinetiek te fitten, dan zouden de verkregen M.- M.-curven in ieder oplosmiddel gelijk moeten zijn. Wanneer de reaktiesnelheid als funktie van de concentratie uitgezet wordt (er wordt alleen M.-M. kinetiek verkregen indien y constant is), dan is Vmax (kcj overal gelijk, en de gemeten Km zal verschillen. De bovenstaande theorie wordt getest door initiële kinetiek te meten van Pseudomonas cepacia PS (Amano) en Porcine Pancreas lipase gekatalyseerde reakties. De initiële reaktiesnelheid is constant, wanneer de substraataktiviteiten constant zijn. Dit wordt aangetoond voor zowel de hydrolyse van propylbutyraat als de condensatie van boterzuur en propanol in oplosmiddelen in log P variërend van -1,9 tot 4,5. Op basis van het afzonderlijk meten van Km en k^ in de Psc- en PPL-gekatalyseerde hydrolyse en (trans)esterifikatie reakties in enkele oplosmiddelen kan geen sluitend bewijs worden gegeven dat de theorie de experimenten op de juiste wijze beschrijft. Ten eerste hebben een aantal reaktiesystemen een te hoge Km en wordt k^ (Vmax) niet bereikt, waardoor deze parameters niet nauwkeurig bepaald kunnen worden (hydrolyse van propylbutyraat, ethyldecanoaat, decylacetaat en tributytrine en transesterifikatie van vinylacetaat en hexanoi). Ten tweede is het gebruikte meetsysteem: PPL-gekatalyseerde transesterifikatie van tributyrine en hexanoi (lage KM) gevoelig voor kleine veranderingen in de wateraktiviteit. Aangetoond is dat de katalytische aktiviteit afhankelijk is van de wateraktiviteit. Een complicerende faktor is dat water naast het fungeren als reaktiecomponent, ook een direkte invloed heeft op de katalytische aktiviteit van het enzym. De wateraktiviteit moet dus constant gehouden worden. Hiernaast is het onduidelijk of tijdens het instellen van de wateraktiviteit van het lipase (in exsiccator boven zoutoplossing) het lipase deaktiveert.Applied SciencesChemical Technology and Materials ScienceEnzymologie en Microbiologi
Ultrafiltratie van Biesboschbekkenwater met ijzerchloridedosering
In 1998 heeft Waterwinningbedrijf Brabantse Biesbosch (WBB) in samenwerking met ingenieursbureau DHV en de TU Delft de mogelijkheden van ultrafiltratie van Biesbosch-bekkenwater onderzocht met behulp van een proefinstallatie, bestaande uit twee parallelle straten. Het onderzoek richtte zich vooral op het vaststellen van het effect van een dosering van vlokmiddel direct vóór de ultrafiltratie.Sanitary EngineeringWatermanagementCivil Engineering and Geoscience
Dynamiek van zeegrasvelden in de Waddenzee en aanbevelingen voor het beheer
In deze notitie is een analyse uitgevoerd van de dynamiek van de jaarlijkse areaalbe-zetting van vier zeegrasvelden in de Nederlandse Waddenzee. Het betreft twee Groot zeegrasvelden en twee Klein zeegrasvelden (Zostera marina en Z. noltii, respectieve-lijk). Een van de Groot zeegrasvelden is inmiddels verdwenen, en er is een nieuw veld bijgekomen. Voor het overige is er, behalve een kleine aanplant van beide soorten in het Balgzand, geen zeegras van betekenis in de Nederlandse Waddenzee. De vier zeegrasvelden zijn door Rijkswaterstaat jaarlijks gekarteerd gedurende de afgelopen 5 tot 10 jaar. Groot zeegras is beschermd volgens de Flora- en faunawet, en beide soorten zijn opgenomen in de indicatieve maatlat voor de Kaderrichtlijn Water voor de Wadden-zee. In de derde Nota Waddenzee en binnen de trilaterale Waddenzee-samenwerking is een ongestoorde natuurlijke ontwikkeling van zeegrasvelden een van de beleidsdoe-len. De jaarlijkse karteringen worden onder meer gebruikt door het Ministerie van LNV om buiten de voor bodemberoerende visserij gesloten gebieden zeegrasvelden te vrijwaren van deze activiteiten. Voorts dient een visser zich ervan te vergewissen dat er geen zeegrasplanten aanwezig zijn alvorens hij/zij in een gebied aan de slag gaat. Rond vondsten van zeegras moet een visser een beschermingszone van ten minste 40 meter aanhouden. Een probleem bij het gebruik van karteringen en zichtwaarnemingen voor het be-schermen van zeegras is dat kolonisaties (buiten het gekarteerde gebied) aanvankelijk niet zichtbaar zijn. Kolonisaties van enige omvang ontstaan door uitzaaiingen (rhizo-men groeien hooguit tientallen meters per jaar). Vanaf circa oktober bevindt zeegras zich als zaad in/op de bodem, in de periode maart-juni vindt kieming plaats en pas in de zomer zullen de plantjes echt duidelijk herkenbaar zijn voor iedereen. Dus hoewel de kolonisaties wettelijk beschermd zijn, zijn ze in de praktijk niet beschermd in de \u91onzichtbare\u92 periode, en zodra ze zichtbaar worden is hun bescherming afhankelijk van de goede waarneming en het identificatievermogen van de betreder. Vooral ijle kolonisaties lopen dan het risico over het hoofd gezien te worden.KWP-collectio
Tussen wal en schip: Stedenbouwkundige en architectonische karakteristieken van de Heesterbuurt in Den Haag
In publicaties over de architectuur van Den Haag wordt de tussen 1915 en 1927gebouwde Heesterbuurt nauwelijks besproken. Als gevolg van de hoorn desovervloeds in andere Haagse gebieden kwam ze vooralsnog tussen de wal enhet schip terecht kwam en is ze daarmee volledig onderbelicht gebleven. Doorvoortschrijdende inzichten en nieuw onderzoek naar de stedenbouwkundige enarchitectonische kenmerken beoogt dit artikel een lans te breken voor waarderingvoor deze ten oosten van de Laan van Meerdervoort gesitueerde buurt.Teachers of Practice /
Whose story is it anyway? The ethics of narration and the narration of ethics in Summertime and Die Sneeuslaper
Includes bibliographical references.This dissertation analyses and compares the narrative strategies in J.M. Coetzee’s Summertime and Marlene van Niekerk’s Die sneeuslaper and considers the implications of these strategies for the authors’ exploration of the ethics of writing. Much has been written about the literary oeuvres of both Coetzee and Van Niekerk, including studies of the translations of Van Niekerk’s Afrikaans novels into English. There are few “interlingual” comparative studies of contemporary works in Afrikaans and English, however, and certainly none to my knowledge which compares the work of Coetzee and Van Niekerk. My contribution to the conversation about Coetzee’s and Van Niekerk’s work, but also to an increasingly multilingual and interconnected South African literary criticism, will be a comparison of one recent work by each of these two authors, written in English and Afrikaans respectively. I draw on the theories of Bakhtin, Barthes and Levinas to consider the ethical dimension of texts in which “double-voicedness”, a questioning not only of existence, but of the self is fore grounded in the content and narrative structure; where there is a shift in focus from the author to the reader (“the birth of the reader”) and “utterances” are made with the response of “the other” in mind
Kustverdediging na 1990 (Kustnota 1990): Technisch rapport 3: Kustonderhoud
Naast een beschrijving van beheersfilosofieen wat betreft kustonderhoud komen de beheersmaatregelen en de kosten die het basisonderhoud met zich mee brengt aan de orde. Onder de basisonderhoudskosten worden verstaan de gemiddelde jaarlijkse kosten van gewoon (jaarlijks) en buitengewoon (meerjaarlijks) onderhoud, inclusief B.T.W. en technische overhead, exclusief de kosten van zandsuppleties. In Technisch Rapport 11 komen de zandsuppieties en de daaraan verbonden kosten aan de orde. In Technisch Rapport 3 wordt tevens onderzocht of er een relatie bestaat tussen de basisonderhoudskosten van de duinenkust en het al dan niet voorkomen van constructies ten behoeve van kustverdediging zoals strandhoofden of paalrijen de mate van erosie. Het onderzoeken van deze relaties is van belang indien men een schatting wil maken van de basisonderhoudskosten in de toekomst. In een studie in opdracht van de Unie van Waterschappen en Rijkswaterstaat is het kustonderhoud uitgebreid geïnventariseerd. Technisch Rapport 3 is gebaseerd op een nadere analyse van deze inventarisatie . De 353 kilometer lange zandige Noordzeekust is ten behoeve van de bepaling van de basisonderhoudskosten onderverdeeld in 82 eenheden met een lengte tussen de 1 en 16 kilometer. Deze eenheden zijn het laagste niveau waarop de kustbeheerders in de bovengenoemde inventarisatie van het onder houd de beheersmaatregelen gespecificeerd hebben. Binnen deze eenheden wordt de verdeling van de kosten homogeen verondersteld. De kosten zijn geïnventariseerd over de periode 1975 - 1984 en er wordt verondersteld dat een schatting van de basisonderhoudskosten op dit moment hierop kan worden gebaseerd. Het prijspeil van de basisonderhoudskosten is 1984. Voor de duinenkust, welke 47 van de 82 eenheden omvat, is per eenheid onderzocht wat de initiele erosie en de aard van de verdediging is. Onder initiele erosie wordt verstaan de gemiddelde jaarlijkse erosie of sedimentatie van de duinvoet in de periode 1964-1 984 . De aard van de verdediging kan zijn: onverdedigde duinen, duinen verdedigd met strandhoofden , duinen verdedigd met ( alleen ) paalrijen. Bij verschillende verdedigingstypen per eenheid, is de meest voorkomende als kenmerkend beschouwd.Kustnot
Operational alerting on modern commercial flight decks
The glass cockpit and EFB enable new ways of information presentation and interaction on the flight deck of modern commercial jets. This information supports crews in flight plan management, which essentially entails evaluating the plan against (ever-changing) flight constraints and, if necessary, modifying it. Flight constraints emerge from the interaction between the system and its operational environment. Understanding the constraints, and checking the flight plan against these constraints, requires selection and combination of information from many sources. Operational alerting can support this process, by prioritizing and formatting information to match the operational context. A number of modern flight deck systems are evaluated on how they support alerting in an operational ready format. From the comparison we can conclude, that there is a trend towards operational alerting, especially on a tactical level
- …
