2,604 research outputs found

    Letter from M.C. Morton, M.D., Director, Bluff Hospital, to Whom It May Concern, July 24, 1958

    No full text
    This letter, issued by Morton, M.C., M.D., Director, Bluff Hospital, Yokohama, Japan, explains that Tsugitada Kanamori has requested a certificate of ill health for the purpose of establishing dependency upon arrival to the Bluff Hospital in Yokohama. The letter describes his history of asthmatic attacks and the treatment for his cardiac asthma.This collection contains one box of documents belonging to Tsugitada Kanamori. Materials in this collection mostly pertain to Kanamori’s efforts regarding canceling his renunciation and reinstating his American citizenship

    Letter from M.C. Morton, M.D., Director, Bluff Hospital, to Whom It May Concern, July 22, 1958

    No full text
    This letter, issued by Morton, M.C., M.D., Director, Bluff Hospital, Yokohama, Japan, explains that Tsugitada Kanamori has requested a certificate of ill health for the purpose of establishing dependency upon arrival to the Bluff Hospital in Yokohama. His illness had not been not identified.This collection contains one box of documents belonging to Tsugitada Kanamori. Materials in this collection mostly pertain to Kanamori’s efforts regarding canceling his renunciation and reinstating his American citizenship

    2000 Sub-Librarians Meeting: Ace Atkins and M.C. Beaton

    No full text
    The Sub-Librarians planned and advertised a program with renowned science fiction and fantasy author Philip Jose Farmer. George Scheetz was instrumental in making that introduction. However, due to ill health, Farmer was unable to travel and had to cancel close to the program date. However, on very short notice, Ace Atkins agreed to come to Chicago and speak to the group. Atkins had spoken to a very appreciative group of Sub-Librarians the previous year in New Orleans, and he gave another stellar performance in Chicago. He talked about his new book, Leaving\u27 Trunk Blues, which is another Nick Travers mystery, this one set in Chicago, from St. Martin\u27s Press. St. Martin\u27s also stepped up and offered to have author M.C. Beaton join Ace as a speaker. M.C. Beaton is a pseudonym of Marion Chesney, who may be best known as the author of romance novels set during the English Regency. Her first detective story as M.C. Beaton came out for St. Martin\u27s in 1985. She has two series-one set in Scotland with Hamish Macbeth and one set in the Cotswolds with Agatha Raisin. St. Martin\u27s generously provided copies of both authors\u27 books for signing after the program. Marsha Pollak chaired the program, welcomed the audience, explained the change in speakers, called for toasts and introduced the authors

    Drag it together with Groupie: making RDF data authoring easy and fun for anyone

    No full text
    One of the foremost challenges towards realizing a “Read-write Web of Data” [3] is making it possible for everyday computer users to easily find, manipulate, create, and publish data back to the Web so that it can be made available for others to use. However, many aspects of Linked Data make authoring and manipulation difficult for “normal” (ie non-coder) end-users. First, data can be high-dimensional, having arbitrary many properties per “instance”, and interlinked to arbitrary many other instances in a many different ways. Second, collections of Linked Data tend to be vastly more heterogeneous than in typical structured databases, where instances are kept in uniform collections (e.g., database tables). Third, while highly flexible, the problem of having all structures reduced as a graph is verbosity: even simple structures can appear complex. Finally, many of the concepts involved in linked data authoring - for example, terms used to define ontologies are highly abstract and foreign to regular citizen-users.To counter this complexity we have devised a drag-and-drop direct manipulation interface that makes authoring Linked Data easy, fun, and accessible to a wide audience. Groupie allows users to author data simply by dragging blobs representing entities into other entities to compose relationships, establishing one relational link at a time. Since the underlying representation is RDF, Groupie facilitates the inclusion of references to entities and properties defined elsewhere on the Web through integration with popular Linked Data indexing services. Finally, to make it easy for new users to build upon others’ work, Groupie provides a communal space where all data sets created by users can be shared, cloned and modified, allowing individual users to help each other model complex domains thereby leveraging collective intelligence

    Common Ground: Dutch-South African Architectural Exchanges 1902-1961

    No full text
    Review of a book written by Nicholas J. Clarke, Roger C. Fisher and M.C. Kuipers (eds)  Bespreking van een boek van Nicholas J. Clarke, Roger C. Fisher en M.C. Kuipers (red) &nbsp

    De kleuren van het nieuwe bouwen tijdens het interbellum in Nederland: Materialisering van een ideaal

    No full text
    De aanleiding voor het schrijven van een proefschrift over de kleuren van het nieuwe bouwen waren de vele materiaaltechnische kleuronderzoeken die door mij zijn uitgevoerd ten behoeve van restauratie van monumenten van het nieuwe bouwen. De gebouwen blijken kleurrijk te zijn geweest maar dat is nauwelijks in geschreven bronnen terug te vinden. In deel A wordt een historisch kader onderzocht. Wat was bekend over kleur in de architectuur en wat wist men van kleurtheorieën? Wat was de situatie van het schildersambacht en de verfindustrie? Uit leerboeken van Gugel (de Technische Hogeschool Delft), Godefroy (voor huisschilders) en Wierink (voor het nijverheidsonderwijs) blijkt er kennis te zijn van het kleurgebruik in de geschiedenis. Ook materialen en technieken worden hierbij genoemd. Het kleuraspect is in de leerstof opgenomen als een van de vele facetten. Kleurtheorieën zijn met name terug te vinden in handboeken voor schilders, die ook voor bouwkundigen en architecten bestemd waren. Handboeken en tijdschriften zijn geschreven door meesterschilder/docenten en door chemici. Het meest genoemd worden de kleurtheorieën van Newton, Goethe, Schopenhauer, Chevreul, Von Helmholtz en Ostwald. De belangrijkste kleurtheorieën zijn die van Goethe en Ostwald. De kleurtheorie van Goethe, met drie primaire kleuren, waarbij de aard van het materiaal een factor van belang is, wordt in de moderne tijd als ouderwets ervaren, maar het onderdeel sinnlich sittliche werking van kleuren wordt van belang geacht. De kleurtheorie van de chemicus Ostwald, met vier hoofdkleuren, wordt beschouwd als wetenschappelijk, omdat het mogelijk is om kleur objectief te meten, en het materiaal kan worden vertaald in een zwart-wit factor. De Stijl wordt als belangrijke inspiratiebron voor de architecten van het nieuwe bouwen beschouwd. De architecten worden geïnspireerd door kleur en vorm. Dat is al vanaf de jaren 1930 het geval. Maar de drie primaire kleuren en de a-chromatische kleuren behoren niet alleen De Stijl toe, maar p assen ook in de tijdsgeest. De Groot schrijft in 1911 zijn “Kleurharmonie” waarin de drie primaire kleuren een basis vormen, maar (nog) niet autonoom worden gebruikt. Ook noemt hij Owen Jones, Viollet-le-Duc, Ruskin, Goethe en Schopenhauer in verband met kleurtheorieën. Hierbij spelen ook materialen een rol. Op geestelijk gebied verbinden Leadbeater en Besant aan de helderheid van kleur zuiverheid toe. Steiner ontwikkelt een theorie over de drie primaire kleuren, die hij ‘glanskleuren’ noemt en de vier ‘beeldkleuren’ zwart, wit, groen en incarnaat of perzikbloesem. Zeylmans van Emmichoven promoveert op een medisch onderzoek dat de gevoelsmatige werking van de kleurtheorie van Goethe onderschrijft. Het sinnlich sittliche wordt dus wetenschappelijk bewezen. De laatstgenoemde onderzoekers hebben met elkaar gemeen, dat zij de betekenis van kleur als een individuele zoektocht interpreteren. Van Doesburg blijkt geïnspireerd te zijn door Owen Jones en De Groot. Een belangrijke verdienste is, dat hij kleur evenwaardig stelt aan architectuur, verf /schilderwerk evenwaardig aan baksteen/constructie. Bij architecten zijn aspecten van kleurtheorieën en kleurideeën niet makkelijk terug te vinden in hun teksten. Van de architecten van het nieuwe bouwen verdiept Rietveld zich in de ideeën van Schopenhauer, Buijs verdiept zich in ideeën van Kandinsky, maar of het merendeel zo direct met theorieën mee bezig is, is niet duidelijk. Eerder duidt het op een voortzetting van kleurideeën, zoals van Eesteren in het hier weergegeven citaat noemt. “Architectuur, die op bevrediging van primaire levensbehoeften, van welke aard deze ook mogen zijn, gericht is, en met primaire middelen werkt, zoals het wezen van de ruimte, de struktuur der materialen, de eigen kleur der dingen, de onderlinge relatie der dingen en kleuren, is op de wijze der architectuur uitdrukking van in nadenken verworven ervaringen van den architect, die analoog zijn aan die van den schilder Mondriaan t.a.v. de schilderkunst.”(Cornelis van Eesteren, 1946) Na de Tweede Wereldoorlog verandert het denken over kleur. De helderheid van kleur wordt gerelateerd aan de lichtreflectie en aan functionaliteit. De primaire kleuren worden door de invloedrijke architectuurcriticus Vriend verbonden met de primitieve mens en de oerruimte, niet meer met een geestelijk ideaal. De lesboeken van de eerste generatie wordt gebruikt als bronnen van nieuwe publicaties, maar in plaats van aanknopingspunten worden de persoonlijke zintuiglijke betekenissen van kleuren nu als regels gesteld. Het schildersambacht in het interbellum is nog traditioneel ambachtelijk. De schilders maken nog grotendeels zelf hun verven. Uit de schildersboeken blijkt dat een belangrijk onderdeel van het vak het herkennen van verfstoffen was. Zij hebben daardoor een weerstand tegen de nieuwe, strijkklare verven. Voor de chemische industrie is de periode 1890-1918 een omslagpunt. De chemische ingenieurs spelen hierin een rol, maar ook de mechanische krachtbronnen. Tijdens het interbellum kunnen de verfstoffen op electrische krachtbronnen en met ontwikkelde maalapparatuur fijner worden gemalen. De grondstoffen zijn nog grotendeels natuurlijk. Ook het stoken van vernissen in de fabrieken gebeurt nog ambachtelijk. Naast de verfstoffen en verfpasta’s komen er strijkklare verven op de markt. De verfindustrie gaat zich noodgedwongen op de Nederlandse markt richten. De chemisch ingenieurs trachten nieuwe, sneldrogende, kwalitatief betere verven te ontwikkelen. De doorbraak van nieuwe, synthetische verven vindt pas na de Tweede Wereldoorlog plaats. Uit sociale studies komt een beeld naar voren van de ambachtsman, wiens situatie na de bloeitijd van de gilden steeds meer in verval is gekomen. Dit heeft grote gevolgen voor de opleiding, omdat leerlingen binnen het bedrijf worden opgeleid. Dat betekent dat het ambacht vervalt en de verfindustrie de overhand krijgt. De oprichting van de Nationale Schildersschool in 1922 en het in grote oplagen verspreiden van goedkope schildersleerboeken zijn belangrijke initiatieven tijdens het interbellum. Ambachtslieden, waaronder schilders, nemen door hun individualiteit nog tot na de Tweede Wereldoorlog een belangrijke plaats in de maatschappij in, als zij een eigen kring aan afnemers rond zich verzamelen. Dit geldt met name voor het onderhoudschilderwerk. Van oudsher vormt de timmer- en metselaar de kern van het bouwbedrijf. Hieruit voortkomend kan een persoonlijke ontwikkeling plaatsvinden naar opzichter, bouwkundige, architect. Het schildersbedrijf is een nevenbedrijf in de bouw. Artistieke schilders kunnen zich verder bekwamen tot fijnschilders, decorateurs en kunstschilders. De architect hoeft zichzelf niet te bekwamen in het schildersvak, zoals hem wel wordt aanbevolen te doen bij timmer- en metselwerk. Er is dus sprake van een traditionele tweedeling. Kennis van schilderwerk kan een architect opdoen in overleg met de schilder, die vooral op eigen ervaring moet terugvallen, of de verffabrikant, die eigen producten levert. Zowel de schilder als de fabrikant kennen geheimhouding van hun verven. In deel B heb ik mij op het kleuronderzoek geconcentreerd. Materiaaltechnisch kleuronderzoek aan historische gebouwen is een specialisatie van de restauratie van schilderijen, schilderingen en beschilderd beeldhouwwerk. De restauratiediscipline is in de vorige eeuw ontwikkeld, in samenwerking tussen restaurator, natuurwetenschapper en kunsthistoricus. Het voorwerp staat hierin centraal. Als het materiaal zich niet meer kan handhaven, grijpt de restaurator in. Daarbij is het ook van belang dat het voorwerp leesbaar is en begrepen wordt. De restaurator mag zich niet meten met de vroegere schepper, waardoor de tijd, en de oorspronkelijke creatie, worden weggepoetst. De restaurator moet weten wat hij doet: eerst het hoofd, dan de handen. De restauratie-ethiek is van groot belang. Binnen de Nederlandse monumentenzorg is van oudsher dezelfde mening toegedaan, dat behoud van materiaal voorop staat. Binnen de rijksdienst bestaat een tweedeling van de bouwtechnicus en de oudheidkundige. Beide disciplines zijn van belang. Restauratie van afwerklagen in monumenten vraagt eveneens om samenwerking. Kleuronderzoek is in de eerste plaats bedoeld om inzicht te verkrijgen in de materie, zowel de oorspronkelijke staat als de geschiedenis. Deze informatie moet onbevooroordeeld en nauwkeurig in beeld worden gebracht, zodat er bewust kan worden gekozen of en hoe schilderwerk moet worden uitgevoerd. Kleuronderzoek aan monumenten beperkt zich niet tot de verflagen alleen, ook andere afwerkmaterialen moeten worden onderzocht om een totaalbeeld te krijgen. Dat kan door middel van bouwhistorisch onderzoek en archiefonderzoek van materialen die verwijderd zijn. En ook de idealistische benadering van het kleurgebruik naast het genoemde. Ten behoeve van restauraties is wetenschappelijke, onafhankelijke kennis van de materialen en kennis van het schildersambacht noodzakelijk. Behoud van de verflagen vraagt om een aanpak die aansluit op het historische lagenpakket. Zo wordt ook aan de architect, de aannemer en de schilder meer kennis van het ambachtelijke schilderwerk gevraagd. Tegelijkertijd vormt het een impuls voor die disciplines. Daarnaast helpt het de architect om historisch te denken, een wezenlijk onderdeel van kunstgeschiedenis, waar een architect minder in thuis is. Het belangrijkste is dat het verleden zich openbaart op basis van feiten en niet op aannames. Dit behoeft een ontwerpopgave niet in de weg te staan. Uit de onderzoeken aan de monumenten van het nieuwe bouwen, blijken op basis van een idealistische aanpak heldere verflagen te zijn toegepast, maar ook pleisterlagen die op kleur waren gebracht en vloerafwerkingen die op kleur waren gebracht. De gevels waren niet spierwit en de vloeren waren vaak met aardkleuren aangekleurd. De witgeverfde gevels dateren in veel gevallen pas van latere tijd: van na de Tweede Wereldoorlog. Kleur- en materiaalkeuze hadden een experimenteel karakter. In de architectuur vallen technische afwerking en esthetiek samen. Daardoor luistert het nauw, welke materialen bewaard kunnen blijven en welke vervangen moeten worden vanwege de beschermende functie van de lagen. De essentie waar Van Eesteren over schrijft hoeft niet opnieuw te worden uitgevonden, maar behoeft wel opnieuw, in theorie of in werkelijkheid, te worden gematerialiseerd. Zijn uitspraak kan pas werkelijk worden begrepen, als duidelijk wordt wat de structuur der materialen was, wat de eigen kleur der dingen, wat de onderlinge relatie der dingen en kleuren. Daarmee wordt het wezen van de ruimte niet alleen ruimtelijk ervaren, maar ook in kleur en materiaal. Het materiaaltechnisch onderzoek maakt het mogelijk om op onafhankelijk, wetenschappelijk niveau de kleuren te benoemen. Behalve de conservering van de materialen kan de kennis en kunde van de materialen van de topmonumenten van het nieuwe bouwen een impuls geven. Reconstructies van de afwerklagen maken het mogelijk om de ruimtelijkheid van de materialen tot uitdrukking te brengen en een belangrijke impuls te geven aan de kennis van architectuur, ambacht en verfindustrie. Basiskennis van verf is daarbij van groot belang en zou als ‘haute peinture’ een nieuwe plek kunnen krijgen in de ontwikkeling van het vakgebied van kleur in de architectuur. Het materiaaltechnisch onderzoek geeft ook antwoord op hoe de gebouwen veranderd zijn in de loop van de geschiedenis, waardoor de perceptie van de afwerking veranderd is. Hierbij is zowel sprake van ontwikkeling van de bouwstijl, een omslagpunt, ontwikkeling van de verfindustrie, ontwikkeling van het ambacht, als onwetendheid en onachtzaamheid.Architecture and RMITArchitectur

    Designing from Heritage: Strategies for Conservation and Conversion

    No full text
    This book – the third in the Rondeltappe series – reflects the philosophy and didactic approach of Heritage and Architecture (H&A) section of the Faculty of Architecture and the Built Environment (Delft University of Technology). H&A has three chairs: Design, Cultural Value and Technology. They work in close cooperation to lay the foundations for the preservation and continuity of use of built heritage.Designing from Heritage is strongly connected to the first book in the Rondeltappe series which deals with durability and sustainability of monuments, and with the second which advocates freedom in heritage based design. It contains the contribution of Prof. Wessel de Jonge – the Chair of Heritage and Design and principle at Wessel de Jonge Architects – and Prof Marieke Kuipers – Chair of Culural Heritage in particular of the Architecture of the Twentieth Century and senior specialist of Twentieth Century Built Heritage at the Cultural Heritage Agency of the Netherlands (RCE).This book is meant as a tool for architectural education and conservation for which research is as integral part of the design strategy.Heritage & ValuesHeritage & Desig

    A Validated Framework for Measuring Interface Support for Interactive Information Seeking

    No full text
    In this paper we present the validation of an evaluation framework that models the support provided by search systems for different types of user and their expected types of seeking behavior. Factors determining the types of users include previous knowledge and goals. After an overview is presented, the framework is validated in two ways. First, the novel integration of the two existing information-seeking models used in the framework is validated by the correlation of multiple expert and novice analysis. Second, the framework is validated against the results produced by two separated user studies. Further, the refinements made by the first validation technique are shown to increase the accuracy of the framework through the second technique. The successful validation process has shown that the framework can identify both strong and weak areas of search interface design in only a few hours. The results produced can be used to either revise and strengthen designs or inform the structure of a user study

    Vijftig jaar Monumentenwet 1996-2011

    No full text
    RMIT and Media SciencesArchitectur
    corecore