1,242 research outputs found

    Stijfheid en sterkte van composieten

    No full text
    Om de stijfheid en sterkte van deeltjesgevulde composieten te kunnen verbeteren is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de variabelen en fenomenen die deze eigenschappen beïnvloeden. Daarom worden er in deze literatuurscriptie een aantal modellen naast elkaar gezet. De klassieke relaties geven een ruwe benadering van het verloop van de mechanische eigenschappen maar negeren een aantal verschijnselen. Het mesofase model geeft een bruikbare voorspelling van de moduli van composieten door een tussenlaag te definiëren die zelf een bepaalde stijfheid heeft. Het interactie model onderzoekt de invloed van het specifieke oppervlak van de vulstof, de adhesiekracht tussen de fasen en de mate van agglomeratie van de deeltjes. Deze invloeden worden gekwantificeerd in een experimentele parameter. De adhesie tussen de fasen wordt gekarakteriseerd door de grensvlakenergieën en de zuur/base eigenschappen van de componenten. Tenslotte wordt besproken op welke manier coupling agents de eigenschappen van composieten kunnen veranderen. Er wordt geconcludeerd dat zij voor een grotere stijfheid een tussenlaag moeten induceren die stijver is dan de vulstof en voor een grotere sterkte de adhesie of de dispersiegraad moeten doen toenemen.Applied SciencesTechnologie van makromolekulaire stoffe

    Toepassing van evenwichtsrelaties op de Haringvlietmond

    No full text
    Tijdens deze studie zijn de lange termijn ontwikkelingen onderzocht die zullen plaatsvinden in de monding van het Haringvliet als gevolg van verschillende ingrepen, t.w. het doorsteken van de Brielse Gatdam, een uitbreiding van de Maasvlakte en een ander spuibeheer van de Haringvlietsluizen. Daarvoor is eerst een analyse gemaakt van de ingrepen die in het gebied gepleegd zijn en de gevolgen daarvan voor de hydraulica en de morfologie. Als gevolg van het afsluiten van de getijgeulen, de Brielse Maas en het Haringvliet is het getijprisma voor alle geulen sterk afgenomen met als resultaat sterke sedimentatie van alle geulen. Door de afsluiting van de Brielse Maas vormden alle kleinere platen samen de Westplaat. Hierop werd later een gedeelte van de Maasvlakte aangelegd. Als gevolg van de afsluiting van het Brielse Gat verzandde het gebied voor de dam. De afsluiting van het Haringvliet heeft met name invloed gehad op het Slijkgat en het Rak van Scheelhoek. Als gevolg van de vermindering van het getijvolume is het min of meer oost-west georienteerde vul- en ledigingssysteem meer invloed gaan ondervinden van de optredende noordzuid georienteerde getijstroming. Hierdoor is de orientatie van de geulen veranderd. Het Rak van Scheelhoek heeft zijn stroomvoerende functie vrijwel verloren. Het meeste spuiwater wordt door het Slijkgat afgevoerd. De vooroever van de Hinderplaat erodeert als gevolg van een golfgedreven dwarstransport. De hoogte van de plaat neemt langzaam toe en de zuidwestpunt verplaatst in landwaartse richting. De Garnalenplaat groeit in zuidelijke richting ten koste van het Slijkgat. Voor alle geulen geldt dat ze 70% of meer van hun evenwichtsvolume bereikt hebben. Het getijprisma is een belangrijke grootheid voor de omvang van geulen en platen. Veel onderzoekers hebben relaties afgeleid tussen het getijvolume en de grootte van een getijgeul. In Nederland hebben vooral Haring, van de Kreeke, Eysink, Gerritsen en de Jong onderzoek gedaan naar deze relaties. Haring heeft een relatie afgeleid voor het Haringvliet toen die geul nog niet afgesloten was. Gerritsen heeft de invloed van golven en de invloed van de hydraulische straal onderzocht. Eysink heeft een relatie afgeleid voor de inhoud van een geul en het getijprisma. Voor de monding van het Haringvliet bleek de relatie van Haring goed te voldoen. Eysink gebruikt de relatie tussen het geulvolume en het getijprisma in plaats van de geuldoorsnede. Ook deze relatie blijkt goed te voldoen. De relatie van Gerritsen, waarin de invloed van de hydraulische straal is meegenomen, levert betere resultaten dan de relatie van Haring. Deze laatste relatie is niet geschikt om te gebruiken voor toekomstige ontwikkelingen omdat door een ingreep het getijvolume verandert waardoor de geuldoorsnede verandert en daarmee de hydraulische straal. De relatie heeft daardoor naast de doorsnede een tweede onbekende, nl. de hydraulische straal. Over de relatie tussen de doorsnede en de hydraulische straal is nog te weinig bekend zodat de vergelijking niet oplosbaar is. Eysink heeft als enige in Nederland onderzoek gedaan naar platen. Daarbij vond hij dat de grootte van de platen vooral afhankelijk is van de grootte van het bassin en minder van de grootte van het getijprisma. Om de geplande ingrepen te modelleren is gebruik gemaakt van het empirisch-dynamisch model ASMITA. Dit model berekent de ontwikkeling van het volume van de elementen uitgaande van empirische evenwichtsrelaties. Het Haringvliet-estuarium is voor de modellering opgedeeld in twee gebieden, een noordeJijk deel bestaande uit het Brielse Gat en een zuidelijk deel bestaande uit het Slijkgat en het Rak van Scheelhoek. Beide gebieden zijn gemodelleerd als een systeem van geulen en platen. Na een calibratie van de verschillende modellen zijn ze gebruikt voor de toekomstige ontwikkelingen. Bij het voortzetten van de huidige situatie zullen de geulen verder sedimenteren omdat de evenwichtssituatie nog niet bereikt is. Als gevolg van een doorsteek in de Brielse Gatdam neemt de omvang van het Brielse Gat toe. Vanwege de grate dieptes van het Oostvoornse Meer duurt het zeker honderd jaar voordat het meer geheel gevuld is met sediment. Door de aanleg van Maasvlakte 2 wordt de bekkenvorm van het estuarium versterkt waardoor de getijslag in het gebied toeneemt. De versterkte bekkenvorm heeft meer invloed op het noordelijk dan het zuidelijk deel van het estuarium. Door de hogere getijslag is de afname van het geulvolume minder dan de afname bij voortzetting van de huidige situatie. Een vergroting van het geulvolume treedt op bij het veranderen van het spuiregime van de Haringvlietsluizen. Dit heeft voornamelijk invloed op het zuidelijk deel en nauwelijks op het noordelijk deel van het bekken. Het spuialternatief met een gebroken getij levert een groter evenwichtsvolume dan onder voortzetting van de huidige omstandigheden, maar dat volume is kleiner dan het huidige volume, dus de geulen zullen nog steeds aanzanden. Bij het alternatief met getemd getij en het gebruik als stormvloedkering zullen de geulen eroderen. Bij het alternatief stormvloedkering zal een situatie ontstaan die vergelijkbaar is met de situatie van voor de afsluiting. Alleen zal het Slijkgat vanwege de ligging van de sluizen in de zuidkant van de dam meer water afvoeren dan het Rak van Scheelhoek en dus relatief meer eroderen.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    De invloed van coupling agents op de stijfheid en sterkte van poly(l-lactide)/hydroxyapatiet composieten

    No full text
    Het composiet van pofy(L-lactide) en hydroxyapatiet is een veelbelovend materiaal om te dienen als breukfixerend implantaat in de ortophaedische chirurgie. De mechanische eigenschappen laten echter nog te wensen over. Om inzicht te krijgen in de variabelen en fenomenen die de stijfheid en sterkte van dit composiet bepalen werden een groot aantal experimenteel bepaalde sterkten en moduli vergeleken met de theorie. Uit deze vergelijking bleken de trek- en buigsterkten van het composiet lineair toe te nemen met de molecuulmassa van het polymeer. Omdat de adhesie tussen de vulstof en het matrixmateriaal de oorzaak van de slechte mechanische eigenschappen bleek te zijn werd een onderzoek gedaan naar de invloed van coupling agents op deze hechting. Het hydroxyapatiet werd gecoat met methacryloxypropyltrimethoxysïlaan (MPS), met vinyltrimethoxysilaan (VTMS) en met aminopropyltriethoxysilaan (APS). De coating bestaat uit zowel covalent aan het oppervlak gebonden silaanmoleculen als fysisch gebonden lagen van siloxanen. Deze dikke laag silaan verbetert de adhesie niet. Wel beïnvloeden de silanen de polymerisatie. Het VTMS hindert de initiatie waardoor niet omgezet monomeer achterblijft dat de struktuur van het polymeer verzwakt. Het APS kan door omestering ketens aan elkaar koppelen waardoor de gewichtsgemiddelde molecuulmassa en de dispersiteit van het polymeer sterk toenemen. Het in dit onderzoek gebruikte hydroxyapatiet heeft een specifiek oppervlak van 1.34 m2/g en bestaat voor de helft uit grote clusters. Verder onderzoek moet zich daarom niet alleen richten op het beter beheersen van de silaanlaag maar ook op het oppervlak en de dispersiegraad van de hydroxyapatietdeeltjes in het polymeer.Applied SciencesScheikundige Technologie en der MateriaalkundeTechnologie van Macromoleculaire Stoffe

    DAMS AND DIKES IN DEVELOPMENT: Symposium at the occasion of the World Water Day, 22 March 2001

    No full text
    Introduction Ir. Hans van Duivendijk: Dams and dikes - benefits, costs and option assessment Prof Kaare Hoege: Dikes, dams and water management Prof dr. Bart Schultz: Living with dams Prof dr. H.L.F. Saeijs and KirstenD. Schuijt: Safe dams and dikes, how safe? Prof ir. J.K. Vrijling: Dams and development The report of the World Commission on Dams Mr. Jamie Skinner:ICOLD's criteria applied to the southem delta area Ir. Leo Santbergen, Jan WillemSlager and drs. Kees Storm: Role of the consultants Drs. A. Leusink: Contractors, their changing role Ir. JJ. Enneking: List of contributors CommitteesKWP-collectio

    Monitoring van de effecten van de verruiming 48'/43': MOVE-rapport 8, Deel B: Hoofdrapport

    No full text
    In 1995 kwamen Vlaanderen en Nederland overeen dat de vaargeul naar Antwerpen verruimd zou worden tot 48/43/38 voet. Dit betekent dat schepen met een maximale diepgang van 48 voet (1 voet is circa 0,3 meter) in één getij naar Antwerpen kunnen varen en dat schepen met een maximale diepgang van 43 voet in één getij vanuit Antwerpen de Westerschelde af kunnen varen. Schepen met een diepgang van 38 voet kunnen onafhankelijk van het getij op de Westerschelde varen. Het verruimingsverdrag voorziet naast de verruimingswerkzaamheden ook in wrakkenberging, aanleg van geulwandverdedigingen en een natuurcompensatieprogramma. Tussen juli 1997 en juli 1998 is deze vaarwegverruiming in de Westerschelde (kortweg de verruiming 48\u92/43\u92) uitgevoerd. Dit rapport beschrijft de evaluatie van de effecten van deze verruiming en de bijbehorende bagger-, stort- en zandwinstrategie. Beide evaluaties zijn gebaseerd op meetgegevens die ondermeer in het kader van het project MOVE (Monitoring Verruiming Westerschelde) zijn verzameld. MOVE is in 1996 door de beheerder van de Westerschelde, Rijkswaterstaat Directie Zeeland, opgezet en wordt in 2006 afgerond met een eindevaluatie. De MOVE evaluatierapportage 2003 is een tussenevaluatie en heeft de volgende doelstellingen: 1 Het signaleren van ontwikkelingen in de Westerschelde om daarmee de effecten van de verruiming 48\u92/43\u92 te evalueren. 2 Het evalueren van de effecten van de bagger-, stort- en zandwinstrategie. Hieronder staan de belangrijkste conclusies van de MOVE evaluatie 2003: - Waterstanden in het oostelijk deel zijn veranderd zoals verwacht - Morfologie, van met name platen en ondiep water, is veranderd, maar anders dan verwacht - Het MOVE Fysisch denkmodel lijkt te kloppen m.b.t. waterbeweging, maar niet voor de morfologie - Er zijn (nog) geen effecten t.g.v. verruiming 48'/43' waarneembaar m.b.t. biologie/ecologie - De waterkwaliteit is waarschijnlijk niet beïvloed door de verruiming 48'/43' - Behoud van het meergeulenstelsel bij het huidige vaarwegonderhoud is nog mogelijk - Er is geen relatie gevonden tussen de omvang van het onderhoudsbaggerwerk van de drempel en de omvang van het gestorte materiaal nabij de drempel - De toename van omvang onderhoudsbaggerwerk is vooral een gevolg van vaarwegverbreding - Westerschelde blijkt een zandexporterend systeem te zijn gewordenZeemov

    Numeriek model voor de ontwikkeling van vrije meanders in de Tana-rivier

    No full text
    Vrij meanderende rivieren veroorzaken grote problemen voor de aangrenzende gebieden, vanwege de vaak onvoorspelbare en onverwachte veranderingen in de oeverlijnen in betrekkelijk korte tijd. Een van die rivieren is de Tana-rivier in Kenia, waarvan de benedenloop door z'n sterk meanderende. karakter een bedreiging vormt voor diverse in cultuur gebrachte gebieden. Zo moeten moderne irrigatiegebieden nabij Garissa en Mnazini buiten bedrijf gesteld worden, als niet snel maatregelen worden genomen om de opdringende rivier tot staan te brengen of de rivier te dwingen haar loop te verleggen. Ook de brug nabij Garissa loopt gevaar doordat de rivier hier de landhoofden van de brug en de fundering van de aansluitende wegen bedreigt. Inlaatconstructies voor de (drink)watervoorziening nabij Hola en Bura kunnen door (in)directe gevolgen van het uitmeanderen van de Tana worden beschadigd of buiten bedrijf gesteld worden. Zelfs is het mogelijk, dat een heel dorp (Hola) in de rivier verdwijnt als effectieve maatregelen uitblijven. Effectieve maatregelen kunnen pas genomen worden, als de toekomstige ontwikkeling van de rivier bekend is en zij kunnen bestaan uit het plaatselijk vastleggen van de oevers. Ook dit soort ingrepen in de rivier hebben weer gevolgen voor de ontwikkeling van de rivier direct bovenstrooms en benedenstrooms van de vastgelegde punten. Er is dus grote behoefte aan een model, dat niet alleen de ontwikkeling in de tijd van vrije meanders kan voorspellen, maar bovendien inzicht geeft in.de eventuele gevolgen van bepaalde ingrepen in de rivier.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    De invloed van cylinders in een aanstroomgoot van een Venturi-goot

    No full text
    Dit laboratoriumonderzoek is één van de opdrachten in het laatste jaar van het ingenieursexamen aan de afdeling Weg- en Waterbouwkunde. Het omvat enerzijds een onderzoek naar de invloed van cylinders op een waterstroom in een goot. Anderzijds is een onderzoek gedaan naar de invloed van cylinders op de stuwhoogtemeting, cq. afvoer voor een Venturi-goot als deze cyclinders van verschillende diameters in de aanvoergoot staan. Sinds het in werking treden van de Wet op de Verontreiniging van Oppervlaktewateren, worden aan veel afvalwaterstromen hoeveelheidsmetingen gedaan om in verband met de heffingen op het lozen van afvalwater de totale hoeveelheid per jaar te bepalen. Om de graad van verontreiniging te weten te komen worden er van deze afvalwaterstromen monsters genomen, die verder geanalyseerd worden. Dit onderzoek beperkt zich ten aan van het meten van afvalwaterstromen tot de meetputten met meetschaften en open meetgoten en ten aanzien van de bemonstering tot het bemonsteringsapparaat van het type "Fleebalt". Uit de discussiegroep "Meet- en bemonsteringsapparatuur" is de vraag naar voren gekomen: wat is de plaats voor dit bemonsteringsapparaat in meetputten of meetgoten zodat, ten aanzien van de hoeveelheidsmeting en de proportionaliteit van de grootte van het monster t.o.v. de afvoer op het moment van monstername, de afwijkingen minimaal zijn met betrekking tot de werkelijkheid. Om hier een antwoord op te krijgen is het bemonsteringsapparaat vervangen door een serie cylinders met verschillende diameters om langs deze weg de invloed te bepalen van de verhouding tussen de diameter van het apparaat en de breedte van de goot, waarin deze geplaatst zal worden, op de stuwhoogtemeting van de Venturi. Uit de proeven is gebleken dat het verval, uitgedrukt in procenten van de waterhoogte voor de cylinder, tussen de twee plaatsen, die respectievelijk voor en achter de cylinders genomen zijn, groter wordt naarmate de verhouding tussen de diameter van de cylinder en de breedte van de goot groter wordt evenals bij een toename van het Froude-getal. Vervolgens zijn op diverse afstanden voor de versmalling in de aanvoergoot van een Venturi-goot de vijf cyclinders geplaatst om bij een aantal stuwhoogten de invloed van de cylinders op deze stuwhoogten na te gaan. Dit om een indruk te krijgen hoe groot de afwijking in de afvoer, behorende volgens de Q-h kromme van de Venturi-goot bij de gemeten stuwhoogte, ten opzichte van de werkelijkheid is. Hieruit is gebleken dat de fout in de afvoer, afgeleid van de gemeten stuwhoogte t.o.v. de werkelijke afvoer, minimaal is als aan de eis voor Venturi-goten voldaan wordt, namelijk dat tot op een afstand van 10 maal de breedte van de goot vanaf de versmalling in de aanvoergoot geen verstoringen aanwezig zijn. Tevens is gebleken dat het verschil in waterhoogten tussen die aan het begin van de aanvoergoot voor het bemonsteringsapparaat en die voor de versmalling van de Venturi-goot minimaal is als het bemonsteringapparaat eveneens op een afstand van 10 x de breedte van de goot voor de versmalling geplaatst wordt.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    Onderzoek naar de mogelijkheden van 2-baksduwvaart op de Gelderse IJssel: De bocht bij Gorssel

    No full text
    In dit rapport zal worden gekeken naar de mogelijkheden van 2-baksduwvaart op de Gelderse IJssel, waar op het ogenblik alléén éénbaksduwvaart plaatsvindt. Waar in lit. [1]slechts een beschouwing plaatsvond over duwvaart op de Gelderse IJssel tussen Westervoort en Zutphen zal hier worden gekeken naar een onderdeel van het traject Zutphen-Zwolle, waar verschillende knelpunten een belemmering zullen vormen voor de vaart met twee bakken. Aangezien in het kader van dit afstudeerproject de mogelijkheden qua tijd en geld beperkt zijn kunnen niet alle aspecten die bij dit onderwerp een rol spelen de aandacht krijgen. Daarom diende een afbakening van het onderwerp plaats te vinden resulterende in een aantal beperkende randvoorwaarden waarbinnen het probleem benaderd werd. Om de lezer van dit rapport direct kort en bondig duidelijk te maken wat voor eventueel bruikbare informatie aan dit rapport te ontlenen valt volgt hier allereerst een opsomming van resp. doelstelling, randvoorwaarden en uitgangspunten en probleemstelling.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    Plan van afsluiting en droogmaking der Zuiderzee

    No full text
    Poster gemaakt als promotie van de afsluiting van de Zuiderzee.Zuiderze
    corecore