1,721,603 research outputs found

    Archeologisch bureauonderzoek: Zonnepark Duistereweg te Oosterwolde. Gemeente Ooststellingwerf.

    No full text
    KSP Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor de realisatie van het Zonnepark Duistereweg bij Oosterwolde (gemeente Ooststellingwerf). Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de ruimtelijke onderbouwing. Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de aanwezigheid van twee welvingen binnen het plangebied en de archeologische vondstlocaties uit de omgeving is aan het westelijke en oostelijke deel een middelhoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum (mogelijk Bronstijd). Na deze periode is het gebied ongeschikt geworden voor bewoning vanwege de uitbreiding van een hoogveenmoeras. Voor nederzettingsresten uit de Bronstijd tot en met de Middeleeuwen geldt dan ook een lage verwachting. Vanaf de Late Middeleeuwen is het veengebied ontgonnen. Binnen het plangebied was sprake van een aantal percelen hooiland en heide. Het historisch kaartmateriaal heeft geen aanwijzingen opgeleverd dat binnen het plangebied een boerderijlocatie aanwezig is geweest. Op basis hiervan is een lage verwachting toegekend voor een vindplaats uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd. De strook in het westen van het plangebied en aan de noordoostkant zijn in het verleden al onderdeel geweest van een archeologisch booronderzoek op basis waarvan een lage verwachting is toegekend. De geplande bodemverstoring als gevolg van de plaatsing van de zonnepanelen op palen, de fundering van het hekwerk op palen en de drie transformatoren en inkoopstation zijn klein van omvang. Hierdoor zal de schade aan het archeologische bodemarchief gering zijn en is daarom geen vervolgonderzoek aanbevolen. Binnen het plangebied zal een netwerk van kabels worden aangelegd. Een gedeelte van de kabelsleuven zal binnen de lage verwachtingszone komen te liggen, maar er zullen ook sleuven in de middelhoge verwachtingszone worden aangelegd. Kabelsleuven vormen langgerekte, smalle ontgravingen (ca. 0,5 m breed) waardoor de kans op het aantreffen van een vindplaats in de middelhoge verwachtingszone relatief klein is. Pas bij een groot netwerk aan kabelsleuven wordt deze kans reëel. Bovendien zal de verstoring van een mogelijke vindplaats klein zijn vanwege de smalle kabelsleuf. De gemeente heeft op basis van de trefkans in de middelhoge verwachtingszone in haar beleidsregels vastgelegd dat onderzoek pas nodig is bij bodemingrepen vanaf 2.500 m2 (en dieper dan 40 cm). Uitgaande van kabelsleuven met een breedte van 0,5 m zou deze oppervlaktegrens pas worden overschreden bij een totale lengte van 5 km aan kabelsleuven. Gezien de omvang van het zonnepark zal de lengte van de kabelsleuven hier ruim onder blijven. Op basis van de geringe aantasting van het archeologische bodemarchief en de beleidsregels van de gemeente is geen vervolgonderzoek geadviseerd. Tot slot zullen er graafwerkzaamheden plaatsvinden langs een bestaande watergang om de ecologische waarden te versterken. De watergang loopt door de lage verwachtingszone en de graafwerkzaamheden die nodig zijn voor realisatie van de ecologische zone vormen daarom geen bedreiging voor het archeologische bodemarchief. Voor deze ingreep is dan ook geen vervolgonderzoek geadviseerd

    Archeologisch bureauonderzoek KRW Zwarte Water 2022. Deelproject Nevengeul Genne Overwater. Gemeente Zwartewaterland.

    No full text
    KSP Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het project KRW Zwarte Water 2022 – deelproject Nevengeul Genne Overwater (gemeente Zwartewaterland). Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorbereiding van het uitvoeringsbesluit MIRT3. Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging binnen de actieve riviervlakte/uiterwaard van het Zwarte Water is aan het plangebied een zeer lage verwachting toegekend voor bewoningssporen uit het Laat-Paleolithicum tot en met de Late Middeleeuwen. Specifiek voor de restgeulen binnen het plangebied en met name de centraal gelegen voormalige vaargeul geldt een verwachting op resten de gerelateerd zijn aan de scheepvaart, waaronder scheepswrakken, maar ook kleinere objecten en houten structuren. Halverwege de 18e eeuw is in het zuidelijke deel van plangebied een constructie aangelegd om het Zwarte Water tijdelijk te kunnen afdammen als onderdeel van de IJssellinie. De constructie is eind 19e eeuw gesloopt en in 1913 zouden de laatste restanten zijn opgeruimd. Mogelijk dat er nog wel diepe funderingsresten in de bodem zijn achtergebleven. Voor deze locatie geldt daarom een hoge verwachting op restanten van deze constructie en bijbehorende dijk/dam. De nevengeul wordt op de locatie van de voormalige vaargeul aangelegd. Hierdoor bestaat het risico dat door de aanleg van de nevengeul archeologische resten worden geschaad. Het gaat hier met name om scheepswrakken en restanten van de constructie om het Zwarte Water in oorlogstijd te kunnen afsluiten. Scheepswrakken zijn puntvondsten met een lage dichtheid die daardoor moeilijk zijn op te sporen door middel van een gangbare steekproef met boringen en/of proefsleuven. De kans dat vondstlocaties niet opgemerkt worden, is groot. Omdat het wel relatief grote objecten zijn, is het advies om geofysisch onderzoek uit te voeren ter plaatse van de voormalige vaargeul. Op die manier worden afwijkingen in de bodem opgespoord die mogelijk kunnen wijzen op de aanwezigheid van een scheepswrak. Het geofysisch onderzoek kan ook aanwijzingen opleveren over de locatie van constructie in het Zwarte Water want die ligt ook in (en op de rand van) de voormalige vaargeul en bestaan uit baksteen. Vervolgens kan op basis van de resultaten van het geofysisch onderzoek een gericht proefsleuvenonderzoek worden uitgevoerd op bepaalde locaties om vast te stellen of daadwerkelijk archeologische resten in de bodem aanwezig zijn en zo ja, wat de aard en omvang daarvan is. De rietzone wordt deels in de voormalige vaargeul en deels binnen het voormalige rietland aangelegd. De voormalige geul is geselecteerd voor vervolgonderzoek (zie vorige alinea) en voor het voormalige rietland geldt een zeer lage archeologische verwachting. Ook voor de locatie van het ooibos dat grotendeels op de hoger gelegen meanderrug wordt aangelegd, geldt een zeer lage archeologische verwachting en wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd

    Kantsingel-Kloosterstraat Oss

    No full text
    KSP Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie op de hoek van de Kantsingel en de Kloosterstraat in Oss (gemeente Oss). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van een bedrijfspand. Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging op een rivierterras dat is afgedekt door dekzand en de archeologische vondstlocaties uit de omgeving is aan het plangebied een lage verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum – Neolithicum en een hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Op basis van de historische gegevens heeft het plangebied binnen het laatmiddeleeuwse landbouwareaal van Oss gelegen, maar zijn er geen aanwijzingen voor een historische boerderijlocatie. Ook worden er geen sporen van de ten oosten gelegen landweer binnen het plangebied verwacht. Op basis hiervan is aan het plangebied een lage verwachting toegekend voor een vindplaats uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat de oorspronkelijke podzolbodem deels is verdwenen door ploegwerkzaamheden, maar dat het potentiële archeologische sporenniveau in de top van de C-horizont nog intact aanwezig is. Op basis hiervan blijft de hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) gehandhaafd. Op basis van de boorresultaten kunnen de archeologische resten vanaf 0,5 m beneden maaiveld worden aangetroffen. De bovenste 35 – 50 cm van de bodem betreft opgebrachte grond, die is geïnterpreteerd als een (sub)recent dek. Gezien het historische landgebruik werd een plaggendek verwacht. Mogelijk is deze afgegraven/verstoord door latere landinrichtingswerkzaamheden. Een andere verklaring is dat de grond pas veel later in gebruik is genomen als landbouwgrond. Mogelijk is de buitenste rand van het landbouwgebied dat langs de landweer lag, gedurende de gebruiksperiode van de landweer braakliggende/woeste grond gebleven. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor zowel vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum tot en met Neolithicum als voor vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. Op basis van de intactheid van de bodem in het plangebied kan een archeologische vindplaats aanwezig zijn. Wanneer de geplande graafwerkzaamheden dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaan. Dit betekent dat het archeologische bodemarchief wordt bedreigd door de graafwerkzaamheden die nodig zijn voor de fundering van de loods. KSP Archeologie heeft vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om vast te stellen of in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, welke waardering hieraan gegeven kan worden

    Bureauonderzoek: Kerkwijkweg 5 te Didam. Gemeente Montferland.

    No full text
    KSP Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor de locatie aan de Kerkwijkweg 5 te Didam (gemeente Montferland). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de bouw van twee vrijstaande woningen en een twee-onder-één kap woning. Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging in een dekzandvlakte op de overgang van een dekzandrugcomplex in het noorden en de riviervlakte in het zuiden is aan het plangebied een hoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum. Op basis van het bewoningsgebied op het dekzandrugcomplex ten noorden van het plangebied, is aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor off-site sporen uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Op basis van de historische gegevens wordt ter plaatse van het plangebied een huisplaats uit de 18e – 19e eeuw verwacht. De oorsprong van de huisplaats kan terug gaan tot in de Late Middeleeuwen. Op basis van het bureauonderzoek kunnen in het plangebied archeologische resten worden verwacht vanaf ca. 30 cm beneden maaiveld. Waar de kelders zijn uitgegraven, worden geen archeologische resten meer verwacht. De kelders kunnen dan ook zonder archeologisch onderzoek cq. begeleiding worden gesloopt, mits wordt gewerkt binnen de contouren van de bestaande bodemverstoring. Ook bovengronds kan de sloop zonder archeologische randvoorwaarden worden uitgevoerd, omdat het geen historische bebouwing betreft. De toekomstige bouwblokken zijn deels ter plaatse van de kelders geplaatst, maar het merendeel van het bodemarchief is naar verwachting nog (deels) intact

    Inventariserend Veldonderzoek karterende fase: Natuurbegraafplaats ‘De Utrecht’. Gemeente Reusel – De Mierden

    No full text
    KSP Archeologie heeft een archeologisch inventariserend veldonderzoek, karterende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd op terreindelen van de natuurbegraafplaats (gemeente Reusel – De Mierden). Het onderzoek is uitgevoerd voor de uitbreiding van de begravingszones. In eerste instantie is een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Op basis van dit vooronderzoek zijn binnen het plangebied vijf zones aangewezen, waarvoor een middelhoge verwachting geldt voor vindplaatsen uit de vroege prehistorie. Voor vindplaatsen uit de late prehistorie en Middeleeuwen – Nieuwe tijd geldt een lage verwachting. Dit karterende booronderzoek is uitgevoerd om deze verwachting te toetsen. Tijdens het karterende booronderzoek zijn binnen het totaal van 39 boringen overwegend podzolbodems aangetroffen, die geheel intact zijn (2 boorlocaties), intact vanaf de E-horizont (16 boorlocaties) of intact vanaf de B-horizont (10 boorlocaties). In de overige 11 boringen is de podzolbodem geheel omgewerkt en verdwenen. Het sediment van de podzolbodems is gezeefd en nagezocht, maar daarbij zijn geen indicatoren gevonden die kunnen wijzen op de aanwezigheid van een vindplaats. De middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de vroege prehistorie wordt daarom naar laag bijgesteld. Op grond het ontbreken van archeologische indicatoren in het onderzoeksgebied en daarmee lage archeologische verwachting wordt geen archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd

    Kantsingel-Kloosterstraat Oss

    No full text
    KSP Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie op de hoek van de Kantsingel en de Kloosterstraat in Oss (gemeente Oss). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van een bedrijfspand. Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging op een rivierterras dat is afgedekt door dekzand en de archeologische vondstlocaties uit de omgeving is aan het plangebied een lage verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum – Neolithicum en een hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Op basis van de historische gegevens heeft het plangebied binnen het laatmiddeleeuwse landbouwareaal van Oss gelegen, maar zijn er geen aanwijzingen voor een historische boerderijlocatie. Ook worden er geen sporen van de ten oosten gelegen landweer binnen het plangebied verwacht. Op basis hiervan is aan het plangebied een lage verwachting toegekend voor een vindplaats uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat de oorspronkelijke podzolbodem deels is verdwenen door ploegwerkzaamheden, maar dat het potentiële archeologische sporenniveau in de top van de C-horizont nog intact aanwezig is. Op basis hiervan blijft de hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) gehandhaafd. Op basis van de boorresultaten kunnen de archeologische resten vanaf 0,5 m beneden maaiveld worden aangetroffen. De bovenste 35 – 50 cm van de bodem betreft opgebrachte grond, die is geïnterpreteerd als een (sub)recent dek. Gezien het historische landgebruik werd een plaggendek verwacht. Mogelijk is deze afgegraven/verstoord door latere landinrichtingswerkzaamheden. Een andere verklaring is dat de grond pas veel later in gebruik is genomen als landbouwgrond. Mogelijk is de buitenste rand van het landbouwgebied dat langs de landweer lag, gedurende de gebruiksperiode van de landweer braakliggende/woeste grond gebleven. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor zowel vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum tot en met Neolithicum als voor vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. Op basis van de intactheid van de bodem in het plangebied kan een archeologische vindplaats aanwezig zijn. Wanneer de geplande graafwerkzaamheden dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaan. Dit betekent dat het archeologische bodemarchief wordt bedreigd door de graafwerkzaamheden die nodig zijn voor de fundering van de loods. KSP Archeologie heeft vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om vast te stellen of in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, welke waardering hieraan gegeven kan worden

    Inventariserend Veldonderzoek verkennende fase: Blankenburgverbinding – gronddepot Zuidbuurt 38. Gemeente Vlaardingen.

    No full text
    KSP Archeologie heeft een archeologisch inventariserend veldonderzoek, verkennende fase uitgevoerd voor de locatie aan de Zuidbuurt 38 binnen het projectgebied van de Blankenburgverbinding (gemeente Vlaardingen). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de realisatie van een gronddepot. In eerste instantie is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (KSP Rapport 18238-1). Op basis van de gegevens die in het bureauonderzoek zijn verzameld, kunnen in het plangebied archeologische sporen uit de Bronstijd – Romeinse tijd en de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd worden verwacht. Dit verkennende booronderzoek is uitgevoerd om deze verwachting te toetsen. Met het booronderzoek is vastgesteld dat het plangebied kansrijk is voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. In het noordwestelijke deel van het plangebied is een kreekloop aanwezig die vermoedelijk actief is geweest in de Vroege IJzertijd. In de ondergrond is een potentieel archeologisch niveau aangetroffen in de vorm van een veraarde veenlaag. De veraarde veenlaag geeft aan dat de locatie gedurende een langere periode hoog en droog heeft gelegen waardoor oxidatie/veraarding van het veen heeft kunnen optreden en daarmee heeft het een geschikte bewoningslocatie gevormd. De veraarde veenlaag dekt de top van de kreek af en is ook verder het aangrenzende veengebied in te volgen. De top van de veraarde veenlaag ligt op ca. 60 tot 80 cm beneden maaiveld (ca. 2,6 – 2,8 m -NAP). De veraarde veenlaag is afgedekt met een jongere komkleiafzetting, die in de Late Middeleeuwen is geplaatst geplaatst. Een mogelijke vindplaats in het plangebied zal daarom waarschijnlijk uit de IJzertijd – Romeinse tijd dateren. Met het booronderzoek is vastgesteld dat binnen het plangebied een potentieel archeologisch niveau aanwezig is vanaf 60 – 80 cm beneden maaiveld. Voor de inrichting van het gronddepot zal de bovengrond worden afgegraven tot 30 cm beneden maaiveld. Met deze afgraving blijft een buffer van 30 tot 50 cm boven het potentiële archeologische niveau over waarmee het potentiële niveau in de bodem behouden kan blijven. Ten behoeve van deze afgraving is dan ook geen vervolgonderzoek noodzakelijk. Met de vrijgekomen grond zullen dammen tot 1,7 m boven huidige maaiveldniveau worden gerealiseerd. Het slib dat in depot wordt gezet, zal vervolgens tot maximaal 1,5 m boven het huidige maaiveldniveau komen. Door het gewicht van de opgebrachte grond kan zetting optreden waardoor onderliggende lagen worden samengedrukt en vervormd kunnen raken. Hierdoor treedt aantasting op van het potentiële archeologische niveau. Met name het zuidoostelijke deel van het plangebied is gevoelig voor zettingsverschijnselen vanwege de slappe veenondergrond. De bodemlagen zullen door het gebruik als gronddepot worden samengedrukt, waardoor archeologische lagen en grondsporen mogelijk minder goed te onderzoeken/interpreteren zijn. Archeologische artefacten zullen echter intact blijven en sterke vervormingen van bodemlagen worden niet verwacht. Op basis hiervan wordt het risico op aantasting van het potentiële archeologische niveau door het gebruik als gronddepot als gering tot matig beoordeeld. Vanwege het geringe tot matige risico adviseert KSP geen archeologisch vervolgonderzoek. De bevoegde overheid (gemeente Vlaardingen) heeft de resultaten van het onderzoek beoordeeld en vindt dat aantasting van het potentiële archeologische niveau wel reëel is omdat dit niveau na afgraven nog maar 30 cm onder maaiveld ligt. Op basis hiervan is een proefsleuvenonderzoek noodzakelijk om vast te stellen of in plangebied behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn

    Inventariserend Veldonderzoek verkennende fase: Uitbreiding natuurbegraafplaats Heidepol. Gemeente Arnhem.

    No full text
    Er is een archeologisch inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de Harderwijkerweg te Arnhem. Het onderzoek is uitgevoerd voor de uitbreiding van natuurbegraafplaats Heidepol. In eerste instantie is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (KSP Rapport 19413). Op basis van de gegevens die in het bureauonderzoek zijn verzameld, kunnen binnen het plangebied archeologische resten aanwezig zijn. Dit verkennende booronderzoek is uitgevoerd om deze hoge verwachting te toetsen. Uit het booronderzoek is gebleken dat de oorspronkelijke podzolbodem in de bosstroken grotendeels intact is, maar op het perceel grasland geheel is omgewerkt. Het potentiële archeologische sporenniveau in de top van de C-horizont is verspreid over het grasland nog (deels) intact aanwezig, maar is voor driekwart verstoord. Naar schatting is 10 tot 20 cm van het archeologische niveau verdwenen. Ondiepe grondsporen zullen hierdoor zijn verdwenen. Alleen van diepe grondsporen zullen restanten bewaard zijn gebleven. Daar komt bij dat het terrein een minder geschikte nederzettingslocatie is, dan op voorhand gedacht, omdat een afdekkende laag zand ontbreekt. Op basis van de aangetroffen grofzandige smeltwaterafzettingen en bodemverstoringen is het terrein aangemerkt als kansarm voor een intacte archeologische vindplaats (grafveld, nederzetting, infrastructuur/karrensporen). De bosstroken rondom het perceel grasland waar intacte bodemprofielen aanwezig zijn, zullen bij de inrichting van de natuurbegraafplaats behouden blijven. De begraafplaats zelf en bijbehorende bodemingrepen zullen op het perceel grasland plaatsvinden. Op basis van de aangetroffen bodem-verstoringen en bodemopbouw is dit perceel aangemerkt als kansarm voor een intacte archeologische vindplaats. De voorgenomen ontwikkeling van een natuurbegraafplaats vormt dan ook geen bedreiging voor het archeologische bodemarchief. Op basis hiervan adviseert KSP Archeologie geen archeologisch vervolgonderzoek

    Archeologisch bureauonderzoek: MIRT-verkenning Oeffelt. Gemeente Boxmeer

    No full text
    KSP Archeologie heeft in het kader van de MIRT-verkenning voor het project Oeffelt een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Op basis van de resultaten van dit bureauonderzoek is een archeologische verwachtingskaart voor het plangebied gemaakt. Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke eenheden die binnen het plangebied voorkomen, is onderscheid gemaakt tussen lage, gematigde en hoge verwachtingszones voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum – Neolithicum en vindplaatsen uit het Neolithicum – Romeinse tijd. Op basis van de historische gegevens wordt in het noorden van het plangebied ter plaatse van het veerhuis een vindplaats uit de Middeleeuwen - Nieuwe tijd verwacht. Voor de rest van het plangebied geldt een lage verwachting voor deze periode. In de tweede helft van de 20e eeuw zijn grote delen van het plangebied afgegraven ten behoeve van de kleiwinning. Tijdens deze ontgrondingen zijn een aantal archeologische vindplaatsen aangetroffen. Ter plaatse van deze ontgronde percelen worden geen vindplaatsen meer verwacht. Binnen het plangebied is een voormalige spoordijk aanwezig van een spoorlijn uit het eind van de 19e eeuw. Van deze spoorlijn resteren verder nog vier brugpijlers en een brughoofd van de oorspronkelijke brug over de Maas. De brug heeft een belangrijke rol gespeeld in de Tweede Wereldoorlog als verbinding tussen de Maasoevers. Een overblijfsel uit deze periode zijn twee ruïnes van kazematten aan weerzijden van de brug. Rondom de brug en de kazematten kunnen sporen aanwezig zijn van de verdediging en van de strijd die daar heeft plaatsgevonden. Aan het einde van de oorlog is de brug opgeblazen. Ter hoogte van het veer kunnen sporen aanwezig zijn van een tijdelijke pontonbrug die daar direct na de oorlog is aangelegd en in gebruik is geweest totdat er weer een nieuwe brug over de Maas is gebouwd. Op basis van de archeologische verwachting zijn de volgende aanbevelingen gegeven: - Plan de benodigde graafwerkzaamheden zoveel mogelijk in de lage verwachtingszone en op de percelen waar in het verleden al ontgrondingen hebben plaatsgevonden, waar geen archeologisch onderzoek nodig is; - Wanneer graafwerkzaamheden worden gepland in de specifieke verwachtingszone voor vind¬plaatsen in natte context, gematigde en/of hoge verwachtingszone, zal archeologisch onder¬zoek noodzakelijk zijn; - Bij werkzaamheden rondom de burg over de Maas rekening moeten worden gehouden met vondsten uit de Tweede Wereldoorlog. Het advies is om de ruïnes van de twee kazematten die zijn aangemerkt als waardevolle bouwhistorische resten uit deze periode te behouden

    Inventariserend Veldonderzoek verkennende fase: Blankenburgverbinding – gronddepot Zuidbuurt 38. Gemeente Vlaardingen.: VLAK-code 07.118

    No full text
    KSP Archeologie heeft een archeologisch inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de Zuidbuurt 38 binnen het projectgebied van de Blankenburgverbinding (gemeente Vlaardingen). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de realisatie van een gronddepot. In eerste instantie is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (KSP Rapport KSP Rapport 18238-1). Op basis van de gegevens die in het bureauonderzoek zijn verzameld, kunnen in het plangebied archeologische sporen uit de Bronstijd – Romeinse tijd en de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd worden verwacht. Dit verkennende booronderzoek is uitgevoerd om deze verwachting te toetsen. Met het booronderzoek is vastgesteld dat het plangebied kansrijk is voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. In het noordwestelijke deel van het plangebied is een kreekloop aanwezig die vermoedelijk actief is geweest in de Vroege IJzertijd. In de ondergrond is een potentieel archeologisch niveau aangetroffen in de vorm van een veraarde veenlaag. De veraarde veenlaag geeft aan dat de locatie gedurende een langere periode hoog en droog heeft gelegen waardoor oxidatie/veraarding van het veen heeft kunnen optreden en daarmee heeft het een geschikte bewoningslocatie gevormd. De veraarde veenlaag dekt de top van de kreek af en is ook verder het aangrenzende veengebied in te volgen. De top van de veraarde veenlaag ligt op ca. 60 tot 80 cm beneden maaiveld (ca. 2,6 – 2,8 m -NAP). De veraarde veenlaag is afgedekt met een jongere komkleiafzetting, die in de Late Middeleeuwen is geplaatst geplaatst. Een mogelijke vindplaats in het plangebied zal daarom waarschijnlijk uit de IJzertijd – Romeinse tijd dateren. Met het booronderzoek is vastgesteld dat binnen het plangebied een potentieel archeologisch niveau aanwezig is vanaf 60 – 80 cm beneden maaiveld. Voor de inrichting van het gronddepot zal de bovengrond worden afgegraven tot 30 cm beneden maaiveld. Met deze afgraving blijft een buffer van 30 tot 50 cm boven het potentiële archeologische niveau over waarmee het potentiële niveau in de bodem behouden kan blijven. Ten behoeve van deze afgraving is dan ook geen vervolgonderzoek noodzakelijk. Met de vrijgekomen grond zullen dammen tot 1,7 m boven huidige maaiveldniveau worden gerealiseerd. Het slib dat in depot wordt gezet, zal vervolgens tot maximaal 1,5 m boven het huidige maaiveldniveau komen. Door het gewicht van de opgebrachte grond kan zetting optreden waardoor onderliggende lagen worden samengedrukt en vervormd kunnen raken. Hierdoor treedt aantasting op van het potentiële archeologische niveau. Met name het zuidoostelijke deel van het plangebied is gevoelig voor zettingsverschijnselen vanwege de slappe veenondergrond. De bodemlagen zullen door het gebruik als gronddepot worden samengedrukt, waardoor archeologische lagen en grondsporen mogelijk minder goed te onderzoeken/interpreteren zijn. Archeologische artefacten zullen echter intact blijven en sterke vervormingen van bodemlagen worden niet verwacht. Op basis hiervan wordt het risico op aantasting van het potentiële archeologische niveau door het gebruik als gronddepot als gering tot matig beoordeeld. Vanwege het geringe tot matige risico wordt geen archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd. De bevoegde overheid (gemeente Vlaardingen) heeft de resultaten van het onderzoek beoordeeld en vindt dat aantasting van het potentiële archeologische niveau wel reëel is omdat dit niveau na afgraven nog maar 30 cm onder maaiveld ligt. Op basis hiervan is een proefsleuvenonderzoek noodzakelijk om vast te stellen of in plangebied behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn
    corecore