15,296 research outputs found
Knowledge, the ‘Moment of Writing’ and the Simulacrum Diaries of Johanna Brandt-Van Warmelo
Diary-writing is usually defined around assumptions about the temporal and
spatial circumstances of writing, which underpin what kind of knowledge
diaries are understood to ‘hold’. The epistemological status of diaries is rooted
in an assumed ontology, concerning the time/space of their writing and the
temporal location of their writer in relation to the ‘entries’ written in them.
This paper explores ‘what happens’ to the knowledge a diary is seen to hold
when its ontological basis is disturbed by its assumed ‘present-ness’ being
shown to be an artful (mis)representation. The case study discussed concerns
the published diary Het Concentratie-Kamp van Irene [The Irene
Concentration Camp] (1905), and also the manuscript diary, and the letters
written concurrently with the preparation of the former for publication, of a
South African woman, Johanna Van Warmelo (her pre-marriage name). The
diary deals with the author’s experiences of six weeks spent as a volunteer
worker in Irene concentration camp during the 1899-1902 South African War.
In the secondary literature, knowledge-claims about the Van Warmelo diary
not only assume referentiality but also the temporal interrelationship of ‘the
moment of writing’ with ‘the scene of what is written about’. In particular, the
assumption is that the time of its writing, narrative time in a diary-entry, and
the temporal location of the writer in relation to the diary-entries, are all ‘of the
moment’. However, important temporal disjunctures exist between the
manuscript and the published diary. Detailed examples of this are examined by
unpacking the ‘moments of writing’ of the manuscript and the published diary,
by reference to family letters written by Brandt-Van Warmelo (her postmarriage
name) over the period the diary was being prepared for publication.
In doing so, we develop the idea of a ‘simulacrum diary’ in thinking about the
relationship between the published and manuscript diaries and the complexities of their moments of writing
I. Kort verslag van een bezoek in 1916 gebracht aan het Panama-kanaal en aan verschillende sluis- en kanaal werken in Noord-Amerika, door den ingenieur van den Rijkswaterstaat jhr. C.E.W. van Panhuys: II. - III. Eenige aanteekeningen van den ingenieurs van den Rijkswaterstaat F.L. Schlingemann en G.J. van den Broek, naar aanleiding van een in 1916 gemaakte reis naar Noord-Amerika ter bezichtiging van werken op waterbouwkundig gebied
Bezoek aan Noord Amerika om informatie te krijgen t.b.v. de bouw van de sluis bij IJmuiden. Op het voorloopig reisprogramma stonden aanvankelijk alleen de werken van het New-York State Barge-kanaal, de kanalisatie van de Ohio en zijrivieren, terwijl was gedacht aan de mogelijkheid een bezoek aan de sluis in de Mississippi te Keokuk en de Amerikaansche sluizen in den scheepvaartweg der groote meren te Sault Ste Marie. Dit reisplan werd later bovendien nog uitgestrekt tot de Canadeesche sluis te Sault Ste Marie en de sluizen in het Welland-kanaal, terwijl ten slotte ook het Chicago Drainage-kanaal werd bezocht. Daarnaast zijn de werken in het Panamakanaal bezocht
A systematic review of evidence of the effect of transport noise interventions on human health
This paper describes a systematic literature review (1980-2014) of evidence of the effects of transport noise interventions on human health. The sources considered are roadways, railways, and air traffic. Health outcomes include sleep disturbance, annoyance, cognitive impairment (of children) and cardiovascular diseases. The interventions incorporate all noise management or control strategies practiced for all sources of transport noise. The categorization and conceptual framework of interventions expands on that described in Brown & van Kamp (Internoise2015). The finding of the systematic review is that the evidence is thinly spread across different sources, outcomes and intervention types. While meta-analysis of the association between changes in level and changes in outcome was not possible, the evidence from the individual studies was that transport noise interventions change the health outcomes reported by those who experience the intervention - statistical evidence is reported in 58% of the studies, or is observable from tables, plots or data in a further 29% of studies. The minimum magnitude of the changes in annoyance outcomes as a result of interventions can be predicted using relevant exposure-response functions, and many studies also exhibit a change effect - an excess response additional to the effect predicted using an ERF.Full Tex
Nationaal kader Kust: Naar een veilige, sterke en mooie Noordzeekust
Het Deelprogramma Kust van het Deltaprogramma (verder aangeduid als Deltaprogramma Kust) heeft tot doel te verkennen wat nodig is voor een toekomstbestendige kust, die het aangrenzend binnenland duurzaam en (kosten)efficiënt verdedigt tegen overstroming vanuit zee en die tevens ruimte biedt aan behoud en ontwikkeling van functies in de kust. Het Deltaprogramma Kust doet dit door de lange termijn veiligheidsopgaven voor de kust optimaal te verbinden aan ruimtelijke opgaven. Een breed gedragen streefbeeld van de kust zal richting geven aan de op te stellen beleidstrategieën hoe op lange maar ook op de korte termijn gewerkt gaat worden aan een klimaatbestendige en mooi ingerichte kust. Dit vraagt om een wisselwerking met andere deelprogramma\u92s, met name Waddengebied, Zuidwestelijke Delta en Rijnmond/- Drechtsteden, waar deze raken aan de Noordzeekust. De tijdshorizon van 2100 en verder is daarbij een bijzondere uitdaging. Bij de provinciale en nationale kustvisies zal men moeten omgaan met onzekerheden door uit te gaan van verschillende scenario\u92s voor klimaatverandering en ruimtelijk-economische ontwikkeling (zie paragraaf 2.3). Verschillende klimaatscenario\u92s werken door in de snelheid van zeespiegelstijging, en leiden daarmee tot verschillende veiligheidsopgaven voor de kust. Ruimtelijk-economische scenario\u92s zullen gevolgen hebben voor de mate van ruimtedruk op de kust. Het Nationaal Kader Kust moet hierbij houvast bieden. Er is voor gekozen om hiertoe een aantal bouwstenen voor een Nationale Visie Kust te schetsen (hoofdstuk 2). Deze bouwstenen bevatten een aantal principes om opgaven voor veiligheid en ruimtelijke kwaliteit te vertalen in beleid en uitvoering. Op deze wijze wil dit Nationaal Kader een basis bieden voor de opstelling van integrale lange termijn kustvisies en/of strategische agenda\u92s per provincie en ook daarvoor een inspiratiebron zijn
I. Nota betreffende de bemaling van de Drentsche hoofdvaart, opgemaakt door den ingenieur van den Rijkswaterstaat dr. L.R. Wentholt: II. Nota over het proefheien van houten en ijzeren damwand te Linne, opgemaakt door den ingenieur van den Rijkswaterstaat F. Volker
Eisen waaraan gemalen moeten voldoen, beschrijving van de soorten gemalen, aandrijving, ontwerp en exploitatie. Prototyoe proef met ijzeren en houten damwanden bij de sluis te Linne
RECIPES AND IDENTITIES IN WISTERIA LANE. THE CULINARY UNIVERSE OF BREE VAN DE KAMP
Según Carole Counihan, «la comida es un prisma que absorbe y refleja un ejército de fenómenos
culturales». Utilizando como eje central un personaje de la conocida serie televisiva Mujeres
desesperadas, Bree Van de Kamp, examino en este ensayo como identidades y comidas se crean y se
recrean, se funden y se confunden en el variopinto vecindario de Wisteria Lane dando como resultado
una mezcla de culturas en un intento por subvertir/cuestionar lo establecido, lo heredado y abrazar
una diversidad de difícil digestión ya que la sociedad estadounidense incongruentemente ha absorbido,
digerido y aceptado como propios los platos típicos de diferentes culturas y al mismo tiempo todavía
hoy encuentra indigesto más de un plato foráneo.According to Carole Counihan, «food is a prism that absorbs and reflects a host of cultural phenomena».
Around a core character of Desperate Housewives, Bree Van de Kamp, this essay explores how identities
and meals are born and re-born but fused and confused are turning out into a melting pot of cultures
within the suburban area of Wisteria Lane. There is an attempt to question whatever is old-established
and inherited whilst coping with a diversity of hard digestion in as much as the U.S.A. society has
shockingly absorbed, digested and accepted as its own a pool of typical dishes from variegated sources,
and even now none other than a foreign dish might still be found undigestibl
Verfverwijdering door inslag van één staaldeeltje
Gritstralen is een verfverwijderingstechniek, die gebaseerd is op de inslagen van kleine, hoekige deeltjes op een verfoppervlak. Om een efficiënter gebruik van straalmiddel mogelijk te maken, moet fundamenteel onderzoek worden gedaan naar het verfverwijderingsmechanisme. I n deze studie is gekeken welke invloed deeltjesvorm, massa, snelheid en inslaghoek op het verfverwijderingsproces hebben. Staaldeeltjes met verschillende vormen zijn op hun mate van verfverwijdering bekeken. Daarna zijn met stukjes afgeknipt staaldraad inslagexperimenten uitgevoerd door het deeltje onder verschillende hoeken af te schieten op een verflaag. Hierbij zijn de massa's gevarieerd van 10.5 mg tot 35.7 mg en de snelheden zijn gevarieerd tot 50 m/s. Ook de verflaagdikte is gevarieerd van 168 tot 324 fim. Na analyse van de inslagkraters onder de microscoop zijn de kraters onderzocht met behulp van een micro focus sensor. Door de sensor wordt de hele krater in beeld gebracht. Hierdoor is het mogelijk het wandoppervlak van de krater en zijn volume te berekenen. Er is bekeken of er een verband bestaat tussen wandoppervlak of volume van de krater en de ingeslagen kinetische energie. Het blijkt dat er een lineair verband bestaat tussen het verbroken oppervlak en de ingeslagen kinetische energie. De optimale hoek voor het verbreken van oppervlak ligt rond de 40°. Het verband tussen het verbroken oppervlak en de kinetische energie van het deeltje komt goed overeen met de dimensieanalyse, als de bindingsenergie per oppervlakte-eenheid de relevante stofeigenschap van de verf is.Kramers Laboratorium voor Fysische TechnologieApplied Science
Nieuwe Langendijk Delft: Bouwhistorisch en archeologisch onderzoek van de panden 22 t/m 28, deel I, beschrijving van de onderzoeksresultaten
Het voor u liggende in drie deeltjes gebundelde pak papier is het verslag van een bouwhistorisch en archeologisch onderzoeK op de locatie Nieuwe Langendijk 22 t/m 28 - Trompetstraat 31 te Delft. Het onderzochte terrein is eigendom van de Delftse Katholieke Stichting voor Bejaardenzorg (DKSB). Het veldwerk van het onderzoek betrof de periode 10 februari t/m 6 augustus 1982, met uitzondering van de eerste weken van juliArchitectureArchitectur
A. Norman Jeffares and Peter van de Kamp, eds : Irish Literature, The Nineteenth Century, An Annotated Anthology, vol. I-III
Fierobe Claude. A. Norman Jeffares and Peter van de Kamp, eds : Irish Literature, The Nineteenth Century, An Annotated Anthology, vol. I-III. In: Études irlandaises, n°33 n°2, 2008. Théâtres de France et d'Irlande : influences et interactions, sous la direction de Martine Pelletier et Alexandra Poulain. pp. 159-162
De betrouwbaarheid van het paaldraagvermogen
Een probabilistische analyse vereist van iedere parameter inzicht in de spreiding van de parameter. Voor de bepaling van de partiële factoren is in de nieuwe TGB 1990 uitgegaan van een geschatte variatiecoëfficiënt voor de belasting (woningbouw), paaldraagvermogen en de negatieve kleef. Resultaten van recente proefbelasting laten hogere variatiecoëfficiënten zien dan die voor de normen zijn gebruikt. Uit dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: 1. Uit de resultaten van de proefbelastingen blijkt dat de gemeten waarden van het paalpuntdraagvermogen, het paalschachtdraagvermogen en de negatieve kleef kleiner zijn dan de berekende waarde. De variatiecoëfficiënten van de modelfactoren berekent uit proebelastingen, zijn groter dan de variatiecoëfficiënten van de modelfactoren waarvan is uitgegaan. 2. Uit de probabilistische analyses met variatiecoëfficiënten van de modelfactoren waar de norm van is uitgegaan, leveren een betrouwbaarheidsindex rond de 3,45 op. Dit betekent dat de vereiste betrouwbaarheidsindex bijna wordt bereikt (veüigheidsklasse 3; p = 3,6; woningbouw). Indien de berekening wordt gemaakt met variatiecoëfficiënten van de modelfactoren berekend uit proefbelastingen, dan blijkt de werkelijke betrouwbaarheidsindex rond de waarde 2,0 te liggen. 3. Voor het toepassen van probabilistische niveau II methoden, is het een voorwaarde dat de stochasten (het paalpuntdraagvermogen, het paalschachtdraagvermogen, de negatieve kleef en de belasting) in de betrouwbaarheidsfunctie onafhankelijk zijn. Voor een aantal stochasten is dit waarschijnhjk niet het geval, hierbij kan worden gedacht aan het paalpuntdraagvermogen en het paalschachtdraagvermogen. Deze worden beide berekend op basis van een deel van het zelfde traject van de sondering. 4. Naar aanleiding van het parameteronderzoek van het model Koppejan blijkt dat de variatiecoëffiënt van de modelfactor van het rekenmodel, van 0,121 teruggebracht kan worden naar 0.079. De parameters voor het model Koppejan worden dan voor de invloed van traject I ; II en III: 0,1; 0,8 en 0,1, overige parameters veranderen niet.Geo-engineeringHydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
- …
