105,115 research outputs found

    Selecting films for sex research: Gender differences in erotic film preference

    No full text
    The official published version can be obtained from the link below.The aim of this study was to explore gender differences in sexual responsiveness to erotic films that had been selected for their differential appeal for men and women. A secondary objective was to identify variables that influence sexual arousal and explore whether these variables differ for men and women. Fifteen men (M age = 26 yrs) and 17 women (M age = 24 yrs) were presented with 20 film clips depicting heterosexual interactions, half of which were female- and the other half male-selected, and were asked to rate the clips on a number of dimensions. Overall, men found the film clips more sexually arousing than did the women. Gender differences in arousal were negligible for female-selected clips but substantial for male-selected clips. Furthermore, men and women experienced higher levels of sexual arousal to clips selected for individuals of their own gender. Cluster regression analyses, explaining 77% of the variance for male and 65% for female participants, revealed that men's sexual arousal was dependent upon the attractiveness of the female actor, feeling interested, and both imagining oneself as a participant and watching as an observer. For women, with all variables entered, only imagining oneself as a participant contributed to sexual arousal ratings. The findings suggest that how films are selected in sex research is an important variable in predicting levels of sexual arousal reported by men and women

    Megaclavatula laevigata Harzhauser & Landau & Janssen 2022, nov. comb.

    No full text
    Megaclavatula laevigata (Eichwald, 1830) nov. comb. Figs 21E 1 –E 3, F 1 –F 3, 22A 1 –A 3, 3R, 5, 6Published as part of Harzhauser, Mathias, Landau, Bernard & Janssen, Ronald, 2022, The Clavatulidae (Gastropoda, Conoidea) of the Miocene Paratethys Sea with considerations on fossil and extant Clavatulidae genera, pp. 1-172 in Zootaxa 5123 (1) on page 68, DOI: 10.11646/zootaxa.5123.1.1, http://zenodo.org/record/639982

    Perrona rosaliae Harzhauser & Landau & Janssen 2022, nov. comb.

    No full text
    Perrona rosaliae (Hoernes & Auinger, 1891) nov. comb. Figs 38D 1 –D 3, E 1 –E 3, 1F 1 –F 3, 4T, 5, 7Published as part of Harzhauser, Mathias, Landau, Bernard & Janssen, Ronald, 2022, The Clavatulidae (Gastropoda, Conoidea) of the Miocene Paratethys Sea with considerations on fossil and extant Clavatulidae genera, pp. 1-172 in Zootaxa 5123 (1) on page 130, DOI: 10.11646/zootaxa.5123.1.1, http://zenodo.org/record/639982

    Genetics of virulence in potato cyst nematodes

    No full text
    Het centrale thema van het onderzoek was de bestudering van de genetische achtergronden van virulentie en avirulentie van Globoderarostochiensis voor het H 1 resistentiegen in Solanumtuberosum ssp. andigena CPC 1673. Deze monogene resistentie is op dit moment de belangrijkste vorm van resistentie in consumptie- en fabrieksaardappelrassen in West-Europa. Net als bij andere planteparasitaire nematoden werd genetisch onderzoek aan aardappelcysteaaltjes belemmerd door problemen bij het uitvoeren van kruisingsexperimenten. Het genetisch onderzoek dat desondanks werd uitgevoerd kenmerkte zich door tijdrovende experimenten vanwege de diapauze van bijna één jaar, niet goed te controleren massa kruisingen, en het gemis aan populaties met nauwkeurig gedefinieerde niveau's van virulentie. Genetische modellen konden slechts getoetst worden aan de hand van het gedrag van veldpopulaties. Het model van Jones, gebaseerd op het gen-om-gen systeem dat voor het eerst gevonden werd bij de plant/schimmel interactie vlas/roest, beschrijft op een redelijke wijze de virulentie-ontwikkeling van veldpopulaties. In zijn theorie zijn virulente individuen voor het H 1 resistentiegen homozygoot recessief.In de eerste drie hoofdstukken van dit proefschrift zijn de methoden beschreven waarmee binnen een acceptabele tijd genetische experimenten uitgevoerd kunnen worden. Genetische analyses van virulentie in aardappelcysteaaltjes vormen het onderwerp van de laatste twee hoofdstukken.In het eerste hoofdstuk wordt een methode beschreven waarmede achtereenvolgende generaties aardappelcysteaaltjes gekweekt kunnen worden door de diapauze te omzeilen. Hiertoe worden de cysten gekweekt op wortels van aardappelspruiten in Petrischalen met wateragar of in grond en zorgvuldig vochtig gehouden. De larven worden uit de cyst gelokt door de cysten met een scalpel te halveren of voorzichtig door te drukken zonder de eieren te beschadigen ("crushen") en deze vervolgens te incuberen in lokstof. Op deze wijze wordt ongeveer 40% van de cysteinhoud gelokt. Deze behandeling heeft geen nadelige invloeden op de vitaliteit van de larven en de hieruit ontwikkelde mannetjes en vrouwtjes. Dit geldt zowel voor eieren uit cysten gekweekt in Petrischalen als in grond. Op deze wijze is het mogelijk drie tot vijf generaties per jaar in potten te kweken en vijf tot zes generaties in Petrischalen.Een essentieel onderdeel voor het uitvoeren van het genetisch onderzoek was een gestandaardiseerde en nauwkeurige bepaling van de virulentie in populaties (hoofdstuk II). Hiervoor werden cysten in Petrischalen op wortels van aardappelspruiten gekweekt. Optimale resultaten werden verkregen door twee larven per wortelpunt te inoculeren. Het percentage virulente Individuen in diverse populaties werd bepaald door larven op een vatbare en een resistente cultivar te inoculeren en het aantal gevormde vrouwtjes op de resistente cultivar uit te drukken in percentages van het aantal gevormde vrouwtjes op de vatbare cultivar. Deze percentages varieerden aanzienlijk in populaties van pathotypen van zowel G.rostochiensis als G.pallida . Ter bepaling van de nauwkeurigheid van de methode werd een vergelijking gemaakt met de gangbare pathotypetoets op basis van P f /P i bepalingen. De waarden voor de variatiecoëfficient geven duidelijk aan dat de methode In Petrischalen beter geschikt is voor het bepalen van virulentieniveau's dan aan de hand van potexperimenten. Voor verder onderzoek werden de populaties Ro 1 -Mierenbos en Ro 5 -Harmerz uitgekozen met respectievelijk 1 resistentiegen.Het kweken van cysten onder geconditioneerde omstandigheden en de hierboven beschreven techniek maakten het mogelijk om na gecontroleerde enkelvoudige kruisingen virulente en avirulente lijnen voor het H 1 resistentiegen te selecteren (hoofdstuk III). Voor deze kruisingen werden mannetjes In grond en vrouwtjes op wortels in Petrischalen gekweekt. Kruisingen werden uitgevoerd door één mannetje te plaatsen op de gelatineuze matrix van het vrouwtje. In een groot aantal F 2 en F 3 lijnen werden de virulentieniveau's bepaald. Uit populatie Ro 1 -Mierenbos en Ro 5 -Harmerz werden respectievelijk een avirulente en een virulente lijn geselecteerd, die gebruikt werden voor een nadere genetische analyse.Reciproke kruisingen tussen individuen van een avirulente en een virulente lijn gaven avirulente nakomelingen (F 1 ). Zelfbevruchting van de F 1 leverde in de F 2 25% virulente en 75% avirulente individuen. Deze 1:3 uitsplitsing betekent dat virulentie recessief (a) is; virulente individuen zijn homozygoot recessief (aa), en avirulente individuen homozygoot dominant (AA) of heterozygoot (Aa). Bovendien is (a)virulentie niet geslachtsgebonden (hoofdstuk IV).Met behulp van de virulente en de avirulente lijn en de heterozygote F 1 in combinatie met een betrouwbare techniek om mannetjes te verzamelen werd het effect van heterozygotie op de vorming van mannetjes en vrouwtjes bestudeerd. Zowel de homozygote (AA) als de heterozygote (Aa) avirulente larven kunnen zich op cultivars met het H 1 gen niet tot vrouwtjes ontwikkelen maar wel tot mannetjes. Heterozygote avirulente mannetjes waren enigszins in het voordeel in vergelijking met homozygote avirulente mannetjes. Dit verschil is echter te klein om effect te kunnen hebben op populatie-genetisch niveau (hoofdstuk V).Deze genetische analyse bewijst dat er een klassieke gen-om-gen relatie bestaat tussen (a)virulentie in G.rostochiensis en het H 1 resistentiegen en opent de weg voor het opsporen van het (a)virulentiegen en mogelijk ook het H 1 resistentiegen. Met behulp van "single copy" DNA probes kunnen RFLP's (Restriction Fragment Length Polymorphism) opgespoord worden die nauw gekoppeld zijn met het (a)virulentiegen. Hiertoe is de F 1 (Aa) van een virulente (aa) en avirulente (AA) teruggekruist met de virulente ouderlijn (aa). De T 1 is vervolgens opnieuw teruggekruist (T 2 ) met de virulente ouder om virulente lijnen te selecteren voor het H 1 resistentiegen in cultivar 'Saturna' (Figuur l). Deze kruising gaf de gewenste 1:1 uitsplitsing te zien. Er worden nu ongeveer 300 T 2 lijnen vermeerderd. Een set discriminerende probes voor de ouderlijnen is in ontwikkeling. In het geval de RFLP's niet zijn gekoppeld met (a)virulentie, zullen in de 300 T 2 lijnen de DNA-banden van beide ouderlijnen aanwezig zijn. Geldt echter koppeling dan wordt alleen het DNA-patroon van de virulente ouderlijn verkregen, tenzij er recombinatie heeft plaatsgevonden. Het percentage recombinanten geeft waardevolle informatie voor het construeren van koppelingskaarten. Ook kan de fysische afstand tussen een aantal RFLP's die nauw gekoppeld zijn met het (a)virulentiegen worden bepaald met behulp van "Pulsed Field Electrophoresis". Dit is een belangrijke stap op weg naar het isoleren en karakteriseren van dit (a)virulentiegen in het aardappelcysteaaltje, wat vervolgens kan leiden tot localisatie van het complementaire resistentiegen in de plant.Tot slot, het hier samengevatte onderzoek betreft een viertal methodieken die ondanks hun eenvoud baanbrekend zijn geweest voor het uitvoeren van genetisch onderzoek aan aardappelcysteaaltjes: (i) het opkweken van vier tot vijf generaties aardappelcysteaaltjes per jaar, (ii) een accurate methode voor het bepalen van het aantal virulente individuen in een populatie, (iii) het kweken van cysten op aardappelwortels in Petrischalen, en (iv) het uitvoeren van gecontroleerde kruisingen tussen één vrouwtje en één mannetje. Dit veredelingswerk resulteerde in de selectie van een avirulente en een virulente lijn met behulp waarvan het genetisch bewijs werd geleverd voor het bestaan van een gen-om-gen relatie tussen (a)virulentie in G.rostochiensis en het H 1 resistentiegen.</p

    Simple models and concepts as tools for the study of sustained soil productivity in long-term experiments. I. New soil organic matter and residual effect of P from fertilizers and farmyard manure in Kabete, Kenya

    No full text
    The rough outcomes of a long-term experiment in Kenya were (re-)interpreted using simple models to find causes of success or failure with regard to sustained soil productivity. A two- pools model calculated the development of soil organic matter, and a practical equation estimated the residual effect of fertilizer P. Relative mineralization rate was 4 and 8% y(-1) for original and newly formed soil organic carbon (SOC). Maize yielded 0.25 and 1.1 t ha(-1) per g kg(-1) of original and new SOC, respectively. Yields of fertilized maize increased initially as a result of increasing residual effects of applied P, but decreased later presumably because SOC declined to below a critical level of 16 g kg(-1). To maintain SOC above this level, about 10 tons of farmyard manure (dry matter) must be applied annually. Agronomic nutrient use efficiencies for fertilizer N and P were low, but the residual effect of P was high. The simple model outlined half a century ago adequately calculated build-up of new soil organic matter. The estimated residual effect of fertilizer P explained increasing crop responses to repeated P applications. The absence of data on nutrient uptake by the crop strongly limited the understanding of the experimental results

    FIG. 1 in An update of the revision of Cyathea subgen. Alsophila sect. Gymnosphaera (Cyatheaceae) in Madagascar and the Comoros including a discussion of putative hybridization events

    No full text
    FIG. 1. — Photographic documentation of field characters: habit (A-E), and shoot apex (A'-E') are shown for each species; A, A', Cyathea andohahelensis (Tardieu) Rakotondr.; B, B', C. boiviniiformis Rakotondr.& Janssen s.l.; C, C', C. poolii (C.Chr.) Domin; D, D', C. impolita Rakotondr. & Janssen; E, E', C. rouhaniana Rakotondr. & Janssen; F, C. alticola (Tardieu) Rakotondr., habit; G, trunk surfaces in sect. Gymnosphaera are more or less uniform and typically covered by persistent petiole bases like in C. boiviniiformis (left) and C. impolita with the petiole bases partly removed (right). A, A', Rakotondrainibe et al. 4185; B, Janssen et al. 2844; B', Rakotondrainibe et al. 2061; C, Janssen et al. 2846; C', uncollected; D, D', Janssen et al. 2592; E, E', uncollected; F, Rakotondrainibe et al. 3686; G, left, uncollected; right, Janssen et al. 2596. Vouchers at P. Scale bars: A-F, 1 m; A'-E', G, 10 cm. Photos D, D', E, G (right) by G. Rouhan, MNHN.Published as part of Janssen, Thomas & Rakotondrainibe, France, 2007, An update of the revision of Cyathea subgen. Alsophila sect. Gymnosphaera (Cyatheaceae) in Madagascar and the Comoros including a discussion of putative hybridization events, pp. 195-213 in Adansonia (3) 29 (2) on page 199, DOI: 10.5281/zenodo.518740

    Speckle spectro-polarimetry of magnetic structures

    No full text
    Two-dimensional spectrograms were obtained with the Vacuum Tower Telescope, Tenerife, in order to study small-scale structures and faculae on the Sun. Using the-speckle reconstruction method, we obtain high-resolution images and wavelength scans. Magnetic fields can be studied from Stokes V profiles, and velocity maps are gained by the Doppler shift of the center of gravity of Stokes I. Here some results about small-scale structures and their magnetic fields are shown

    Speckle spectro-polarimetry of magnetic structures

    No full text
    High spatial resolution images with spectral and polarimetric information were obtained with the Vacuum Tower Telescope (VTT), Tenerife, in order to study dynamic small scale structures on the Sun. With the Gottingen Fabry-Perot interferometer (FPI) we observed faculae at different cos theta positions on the Sun. Simultaneously with these narrow-band images, 150 broad-band images were taken from which high resolution images are calculated with the spectral ratio and the speckle masking methods. With the aid of the transfer functions, gained with the speckle recontruction, the narrow-band FPI images can be reconstructed as well. Here our first results are presented

    Draadloos HiFi audio systeem

    No full text
    Deze thesis gaat over het ontwerpen van antennes voor een draadloos audiosysteem. De zender van het audiosysteem beschikt over een IFA (inverted-F antenne) en de ontvanger over twee MIFA’s (meandered inverted-F antenne). Door de antennes te meten zijn waarden voor het compensatienetwerk ontworpen die het bereik van het audiosysteem moeten verhogen. Dit is uiteindelijk niet gelukt. De oorzaak kan aan het PCB ontwerp liggen of aan de manier van compenseren.TelecommunicationsElectrical Engineering, Mathematics and Computer Scienc
    corecore