380 research outputs found
Appropriate Similarity Measures for Author Cocitation Analysis
We provide a number of new insights into the methodological discussion about author cocitation analysis. We first argue that the use of the Pearson correlation for measuring the similarity between authors’ cocitation profiles is not very satisfactory. We then discuss what kind of similarity measures may be used as an alternative to the Pearson correlation. We consider three similarity measures in particular. One is the well-known cosine. The other two similarity measures have not been used before in the bibliometric literature. Finally, we show by means of an example that our findings have a high practical relevance.information science;Pearson correlation;cosine;similarity measure;author cocitation analysis
Collecting large-scale publication data at the level of individual researchers: A practical proposal for author name disambiguation
The disambiguation of author names is an important and challenging task in bibliometrics. We propose an approach that relies on an external source of information for selecting and validating clusters of publications identified through an unsupervised author name disambiguation method. The application of the proposed approach to a random sample of Italian scholars shows encouraging results, with an overall precision, recall, and F-measure of over 96%. The proposed approach can serve as a starting point for large-scale census of publication portfolios for bibliometric analyses at the level of individual researchers.Merit, Expertise and Measuremen
Some Comments on the Question Whether Co-Occurrence Data Should Be Normalized
In a recent article in JASIST, L. Leydesdorff and L. Vaughan (2006) asserted that raw cocitation data should be analyzed directly, without first applying a normalization such as the Pearson correlation. In this communication, it is argued that there is nothing wrong with the widely adopted practice of normalizing cocitation data. One of the arguments put forward by Leydesdorff and Vaughan turns out to depend crucially on incorrect multidimensional scaling maps that are due to an error in the PROXSCAL program in SPSS.multidimensional scaling;PROXSCAL;Pearson correlation;author cocitation analysis;co-occurrence data;normalization
Openbaar vervoer knooppunten in optima forma? Netwerkanalyse van openbaar vervoer knooppunten
Voor een goede werking van het openbaar vervoer is bundeling nodig in tijd, vervoersrelaties en in- en uitstapplaatsen. Door deze bundeling wordt automatisch gekozen voor overstappen. Deze overstap vormt een extra hinder voor de reizigers, er moet naar een andere halte of stallingsplaats worden gelopen, en soms worden gewacht op het volgende transportmiddel. Om de overstap zo comfortabel mogelijk te maken wil men zo min mogelijk afstand afleggen tussen het punt van herkomst ei vertrek. Om dit te kunnen realiseren is er inzicht nodig in de optredende vervoersstromen. Echter hoe meer vormen van transport er samenkomen op een knooppunt, hoe complexer de situatie wordt. Dit leidt tot de volgende probleemstelling en doelstelling; Probleemstelling De inrichting van een openbaar-vervoerknooppunt wordt complexer als het aantal modaliteiten dat gebruik van het knooppunt toeneemt. Het optimaliseren van de reizigersstromen wordt daardoor ondoorzichtig, en het effect van veranderingen in de ruimtelijke indeling van een knooppunt is slecht te voorspellen. Doelstelling Het verkrijgen van inzicht in de rond een knooppunt optredende vervoersstromen, met behulp van een model. Bovendien moet het verschil duidelijk kunnen worden gemaakt tussen verschillende varianten, en moet zichtbaar kunnen worden gemaakt wat de effecten zijn van een verandering in de ruimtelijke configuratie van het netwerk. Modelontwikkeling De modellering is gedaan met behulp van de grafentheorie. Alle belangrijke punten en verbindingen worden vereenvoudigd tot knopen en takken. Indien er tussen twee punten een verbinding is, wordt deze in de graaf weergegeven als een tak. Door gewichten aan de graaf toe te kennen in de vorm van afstand of tijd kan er met deze schematisatie op een overzichtelijke manier met het probleem worden omgegaan. Het ontwikkelde model is gerealiseerd in AutoCAD, met behulp van de taal AutoLISP. Binnen deze omgeving is een programma gemaakt om met behulp van een bestaande ondergrond de graaf op een eenvoudige wijze te tekenen. Aan de hand van de ingevoerde graaf is met behulp van de grafische wisselwerking van het programma AutoCAD, en het gebruik van het algoritme van Dijkstra de mogelijkheid geschapen om een kortste route berekening uit te voeren. Voor het berekenen van de kortste route kan als criterium de tijd die nodig is om van herkomst naar bestemming te komen worden genomen, of de afstand die moet worden afgelegd op een tak. Na invoer van gegevens als herkomst-bestemmingsmatrix, knoopnummers van transferpunten en generatiepunten, en de wachttijden van verschillende overstappen kunnen deze gegevens worden gebruikt om de vervoersstromen over de getekende qraaf te berekenen. Aan de hand van deze berekeningen kunnen dan de tijden en afstanden worden bepaald, die de reizigers gezamenlijk in het netwerk doorbrengen of afleggen. Case Nadat de ontwikkeling van het model is aan de hand van de situatie in Delft een case uitgevoerd. Hiertoe zijn eerst alle gegevens bepaald die nodig waren voor de invoer en is de huidige situatie doorgerekend. Vervolgens zijn er verschillende varianten ontwikkeld. Ook deze varianten zijn doorgerekend en vervolgens zijn er vergelijkingen gemaakt met de huidige situatie. Hieruit bleek dat het model goed werkt. Na de berekening zijn er veel gegevens beschikbaar, waardoor per overstap bepaald kan worden of een variant een verbetering is of juist een verslechtering voor de betreffende overstap. Daarnaast kunnen ook de totale tijden en afstanden in het netwerk: per modaliteit met elkaar worden vergeleken. Uit de case blijkt dat er voldoende mogelijkheden zijn om de situatie in Delft voor de reizigers te verbeteren. Alleen als er echt verbeteringen willen optreden vraagt dit ook om flinke investeringen, in de vorm van een tunnel, een brug of een combinatie daarvan. Conclusies en aanbevelingen Het model dat is ontwikkeld is zeer geschikt voor het vergelijken van aanpassingen aan de ruimtelijke indeling van stations. Tot in detail van de specifieke overstap kan worden gekeken wat de effecten zijn op de tijden en afstanden in het netwerk. De afwegingen welke verbetering gemaakt moet worden is er echter ook altijd één van geld, en is dus ook de kosten-batenverhouding van de varianten van belang. Een koppeling met de financiële effecten per variant zou dus zeer wenselijk zijn. Daarnaast is ook de rekentijd nog voor verbetering vatbaar. Indien de kortste route berekening wordt geprogrammeerd in een compileert Dare computertaal kan het gebruikersgemak worden vergroot. Daarnaast zouden uitbreidingen als knooppuntweerstand en capaciteit het model nog kunnen verbeteren en breder toepasbaar maken. Tenslotte is het model ook toepasbaar voor andere modelleringen dan de nu gebruikte toepassing. Doordat zeer veel parameters door de gebruiker kunnen worden gewijzigd, is het model ook te gebruiken in andere situaties dan een station, waarbij andere modaliteiten samenkomen.Transport & PlanningCivil Engineering and Geoscience
Some Comments on the Question Whether Co-occurrence Data Should Be Normalized
In a recent paper in the Journal of the American Society for Information Science and Technology, Leydesdorff and Vaughan assert that raw cocitation data should be analyzed directly, without first applying a normalization like the Pearson correlation. In this report, it is argued that there is nothing wrong with the widely adopted practice of normalizing cocitation data. One of the arguments put forward by Leydesdorff and Vaughan turns out to depend crucially on incorrect multidimensional scaling maps that are due to an error in the PROXSCAL program in SPSS.Multidimensional scaling;Author cocitation analysis;Co-occurrence data;Normalization;PROXSCAL;Pearson correlation
Buitenverblijven: Een verhandeling over het toekomstig aantal en een beschouwing van de ruimtelijke mogelijkheden
Onder buitenverblijf worden alle aan een vaste standplaats gebonden verblijfsaccomodaties gerekend, die voor individueel of gezinsgebruik bedoeld zijn. Als voorbeeld kunnen worden genoemd vaste tweede woningen, zomerwoningen, stacaravans, tourcaravans en tenten op een vaste standplaats. Volkstuinhuisjes en woon-, motor- en zeiljacht met verblijfsaccomodatie zijn niet in de beschouwing betrokken. In het eerste deel is een prognose van het aantal buitenverblijven weergegeven. De mogelijkheden voor deze prognose waren beperkt aanwezig zodat de resultaten, 360.000 buitenverblijven in 1985 en 720.000 buitenverblijven in 2000, slechts als indicatief kunnen worden beschouwd. Het eerste deel is afgesloten met de behandeling van een achttal factoren die mogelijk een verklaring kunnen geven van de trek naar buitenverblijven. In het tweede deel zijn de ruimtelijke mogelijkheden voor complexen buitenverblijven beschouwd. Eerst is nagegaan waar buitenverblijven ongewenst zijn. Onder andere natuurgebieden en gebieden rond steden van een zekere omvang zijn uitgesloten van vestiging van complexen buitenverblijven. Daarna i s nagegaan wat de geschiktheid van het gehele beschouwde gebied voor buitenverblijven is. De ligging in een kleinschalig landschap, de situering ten opzichte van recreatiegebieden en de situering ten opzichte van recreatie gebieden of recreatieve elementen vormen het drietal criteria dat gehanteerd is om de geschiktheid van gebieden te bepalen. De geschiktheidskaart en de uitsluitingskaart zijn daarna geïntegreerd, hetgeen resulteerde in de weergave van de ruimtelijke mogelijkheden.Transport & PlanningCivil Engineering and Geoscience
Milieuregulering en planvorming bij de herstrukturering van stedelijke bedrijfsterreinen
Met ruimtelijke ordening en milieubeheer wordt gestreefd naar een zo hoog mogelijke kwaliteit van het fysieke milieu bij een optimaal funktioneren van de samenleving. Bij ruimtelijke ordening heeft dit streven een geografische ingang en ligt het aksent op de planning, inrichting van gebieden en afweging van ruimtelijke claims. Bij milieubeheer ligt het aksent op het beschermen van de kwaliteit van het milieu in het algemeen (bodem, water en lucht). Bij beide beleidsterreinen wordt gebruik gemaakt van het instrument milieuzonering. Milieuzonering wordt gedefinieerd als het aanwijzen van gebieden waarbinnen aan bepaalde aktiviteiten milieuhygiënische voorwaarden worden gesteld. Dit instrument vindt zijn oorsprong in de geografische spreiding van milieugevaarlijke en hinderlijke stoffen en brengt in feite een scheiding aan tussen milieugevoelige en milieubelastende aktiviteiten. Het instrument milieuzonering komt dus het meest in aan merking bij het tegen gaan van hinder als gevolg van stank, gevaar, trilling- , stof- en geluidhinder. De huidige praktijk van het beheer van de milieukwaliteit op lokaal nivo bestaat uit een kombinatie van staten van inrichtingen in de voorschriften van het bestemmingsplan en de milieuvergunning. De staten van inrichtingen, die gebaseerd zijn op het principe van milieuzonering. en bestaan uit lijsten van bedrijven die wel of niet zijn toegestaan in een bepaalde lokatie, staan bloot aan veel kritiek. Met name geven ze onvoldoende aan waarom een bedrijf op een bepaalde plaats is toegestaan. Hierdoor bestaat er een onzekerheid bij de planners over de uitvoering van het plan (komt deze overeen met de intenties van de planner) en bij de ondernemers over de beoordeling van een vergunningaanvraag. Deze inhoudelijke onvolkomenheid is mede de oorzaak van een' gebrekkige afstemming tussen de staten van inrichtingen en de milieuvergunning.Transport & PlanningCivil Engineering and Geoscience
De ontwikkeling en doorrekening van een parkeerterrein binnen het toekomstige Schipholterrein
Schiphol staat binnen Europa op een vierde plaats bij het aantal verwerkte passagiersen vliegbewegingen. Om deze positie in de toekomst te handhaven en tegemoet te komen aan de vervoervraag zijn ontwikkelingsplannen op korte, middellange en lange termijn opgesteld. De plannen op korte en middellange termijn bestaan uit twee soorten plannen. Deze onderscheiden zich in de opzet en verantwoordelijkheid van de betreffende instanties. Het Masterplan 2015 behandelt de uitbreidingen en aanpassingen binnen het luchthaventerrein en is opgesteld door Schiphol. De Planologische Kernbeslissing Schiphol en Omgeving (PKB) omvat de beleidskeuzes van de ruimtelijke inrichting op en rond het luchthaventerrein, de banenstelsels, het substitutievervoer en de bereikbaarheid van de luchthaven. De PKB is uitgewerkt binnen de grenzen van ruimtelijke kwaliteit en milieu, waarbinnen Schiphol zich mag ontwildcelen. Het is opgesteld door de Tweede Kamer. De ontwildielingsplannen op lange termijn hangen samen met het bereiken van de mainportstatus. De overheid en Schiphol hebben gekozen voor het 'uitbreiden op de huidige lokatie'-scenario. Om de inhoud van de plannen te kunnen beoordelen is kennis omtrent de inrichting van luchthavens in het algemeen en van Schiphol in het bijzonder noodzakelijk. De componenten, die raakvlakken hebben met de inrichting zijn in dit licht bestudeerd. Binnen het project is gekozen voor inrichting van een extern terminalterrein binnen het 'uitbreiden op de huidige lokatie'-scenario, omdat uitwerking van het scenario ontbreekt. Het externe terminalterrein ligt binnen het luchthaventerrein en is bedoeld voor verwerking van chartervluchten. Hierbinnen wordt ingezoomd op het toegangsproces via de parkeerterreinen. De reden is dat dit tot één van de belangrijkste processen birmen het luchthaventerrein behoort. Vertragingen ter plaatse van dit proces werken door in het voorgaande proces op de snelweg en in het vervolgproces richting het vliegtuig.Transport & PlanningCivil Engineering and Geoscience
Een systeem dynamische verkenning van interregionale mobiliteit: Ruimtelijke ontwikkeling van veertig Nederlandse Corop-gebieden
De samenleving waarin wij leven kan worden beschouwd als een complex sociaal-economisch systeem, waarvan infrastructuur deel uitmaakt. De sociaal-economische ontwikkeling –welke wordt beïnvloed door tal van relaties tussen inwoners, woningen, bedrijven en infrastructuur bepaalt in grote mate de ruimtelijke ontwikkeling van een gebied. Aangezien de effecten van ruimtelijke ingrepen zich vaak pas najaren openbaren, is ten aanzien van ruimtelijke afwegingen en beleidsbeslissingen inzicht in de complexe dynamiek van de samenleving essentieel. Een model is een zinvol hulpmiddel om de ruimtelijke ontwikkeling en de achterliggende oorzaken te verkennen. Met een model is inzicht verworven in het Nederlandse ruimtegebruik door de relevante sociaaleconomische ontwikkelingen in modellering te brengen. Aangezien in de praktijk verschillende Nederlandse markten, zoals de woning- en de arbeidsmarkt, uit een consilomeraat van deelmarkten bestaan, zijn meerdere regio's in beeld gebracht. Uiteindelijk zijn voor de 40 Nederlandse Corop-gebieden 6 'subsystemen' op geaggregeerde wijze benaderd, zodat een raamwerk ontstaat voor de analyse van sociaal-economische dynamiek. Dit betreft de regionale ontwikkeling van (1) de bevolking. (2) de woningmarkt. (3) het aantal bedrijfsvestigingen. (4) de bedrijfsruimtemarkt. (5) de arbeidsmarkt en (6) het grondgebruik. Interregionale mobiliteit zorgt voor interactie tussen de Corop-gebieden. welke bestaat uit (a) residentiële migratie van de bevolking, (b) arbeidsmigratie van de bevolking, (c) pendel en (d) bedrijfsmigratie.Transport & PlanningCivil Engineering and Geoscience
Ophoogzandvoorziening van Noord-Holland
Gedeputeerde Staten van Noord Holland voeren een terughoudend beleid t.a.v. winningen in bestaande plassen en meren op het vasteland van Noord-Holland. In de toekomst zal naar verwachting dan ook vrijwel alleen zand gewonnen kunnen worden in IJmeer, Markermeer, IJsselmeer ter hoogte van Medemblik, Waddenzee en Noordzee. De grootste behoefte aan zand ligt in het Noordzeekanaalgebied. Omdat Noordzeezand relatief duur is, ontstaat een grote druk op het IJmeer. Zo'n omvangrijke zandwinning in het IJmeer geeft grote milieuproblemen, verder is de kans op verstoring van de zandvoorziening door bezwaarschriften-procedures groot. Het slechts beperken van de IJmeer zandwinning doet echter prijsstijgingen ontstaan, waarvan de zandproducenten zouden kunnen profiteren. De overheid dient dan ook aanvullende beleidsmaatregelen te nemen. Hierbij kan gedacht worden aan - subsidie van Noordzeezand - het leggen van dusdanige heffingen op IJmeer- (e.a. goedkoop) zand dat de vraag niet groter wordt dan wenselijk. Deze heffingen worden dan gebruikt om zand uit relatief dure winplaatsen (Noordzee) te subsidiëren.Transport & PlanningCivil Engineering and Geoscience
- …
