8,449 research outputs found
I. Kort verslag van een bezoek in 1916 gebracht aan het Panama-kanaal en aan verschillende sluis- en kanaal werken in Noord-Amerika, door den ingenieur van den Rijkswaterstaat jhr. C.E.W. van Panhuys: II. - III. Eenige aanteekeningen van den ingenieurs van den Rijkswaterstaat F.L. Schlingemann en G.J. van den Broek, naar aanleiding van een in 1916 gemaakte reis naar Noord-Amerika ter bezichtiging van werken op waterbouwkundig gebied
Bezoek aan Noord Amerika om informatie te krijgen t.b.v. de bouw van de sluis bij IJmuiden. Op het voorloopig reisprogramma stonden aanvankelijk alleen de werken van het New-York State Barge-kanaal, de kanalisatie van de Ohio en zijrivieren, terwijl was gedacht aan de mogelijkheid een bezoek aan de sluis in de Mississippi te Keokuk en de Amerikaansche sluizen in den scheepvaartweg der groote meren te Sault Ste Marie. Dit reisplan werd later bovendien nog uitgestrekt tot de Canadeesche sluis te Sault Ste Marie en de sluizen in het Welland-kanaal, terwijl ten slotte ook het Chicago Drainage-kanaal werd bezocht. Daarnaast zijn de werken in het Panamakanaal bezocht
Nieuwe Langendijk Delft: Bouwhistorisch en archeologisch onderzoek van de panden 22 t/m 28, deel I, beschrijving van de onderzoeksresultaten
Het voor u liggende in drie deeltjes gebundelde pak papier is het verslag van een bouwhistorisch en archeologisch onderzoeK op de locatie Nieuwe Langendijk 22 t/m 28 - Trompetstraat 31 te Delft. Het onderzochte terrein is eigendom van de Delftse Katholieke Stichting voor Bejaardenzorg (DKSB). Het veldwerk van het onderzoek betrof de periode 10 februari t/m 6 augustus 1982, met uitzondering van de eerste weken van juliArchitectureArchitectur
I. Nota betreffende de bemaling van de Drentsche hoofdvaart, opgemaakt door den ingenieur van den Rijkswaterstaat dr. L.R. Wentholt: II. Nota over het proefheien van houten en ijzeren damwand te Linne, opgemaakt door den ingenieur van den Rijkswaterstaat F. Volker
Eisen waaraan gemalen moeten voldoen, beschrijving van de soorten gemalen, aandrijving, ontwerp en exploitatie. Prototyoe proef met ijzeren en houten damwanden bij de sluis te Linne
Nationaal kader Kust: Naar een veilige, sterke en mooie Noordzeekust
Het Deelprogramma Kust van het Deltaprogramma (verder aangeduid als Deltaprogramma Kust) heeft tot doel te verkennen wat nodig is voor een toekomstbestendige kust, die het aangrenzend binnenland duurzaam en (kosten)efficiënt verdedigt tegen overstroming vanuit zee en die tevens ruimte biedt aan behoud en ontwikkeling van functies in de kust. Het Deltaprogramma Kust doet dit door de lange termijn veiligheidsopgaven voor de kust optimaal te verbinden aan ruimtelijke opgaven. Een breed gedragen streefbeeld van de kust zal richting geven aan de op te stellen beleidstrategieën hoe op lange maar ook op de korte termijn gewerkt gaat worden aan een klimaatbestendige en mooi ingerichte kust. Dit vraagt om een wisselwerking met andere deelprogramma\u92s, met name Waddengebied, Zuidwestelijke Delta en Rijnmond/- Drechtsteden, waar deze raken aan de Noordzeekust. De tijdshorizon van 2100 en verder is daarbij een bijzondere uitdaging. Bij de provinciale en nationale kustvisies zal men moeten omgaan met onzekerheden door uit te gaan van verschillende scenario\u92s voor klimaatverandering en ruimtelijk-economische ontwikkeling (zie paragraaf 2.3). Verschillende klimaatscenario\u92s werken door in de snelheid van zeespiegelstijging, en leiden daarmee tot verschillende veiligheidsopgaven voor de kust. Ruimtelijk-economische scenario\u92s zullen gevolgen hebben voor de mate van ruimtedruk op de kust. Het Nationaal Kader Kust moet hierbij houvast bieden. Er is voor gekozen om hiertoe een aantal bouwstenen voor een Nationale Visie Kust te schetsen (hoofdstuk 2). Deze bouwstenen bevatten een aantal principes om opgaven voor veiligheid en ruimtelijke kwaliteit te vertalen in beleid en uitvoering. Op deze wijze wil dit Nationaal Kader een basis bieden voor de opstelling van integrale lange termijn kustvisies en/of strategische agenda\u92s per provincie en ook daarvoor een inspiratiebron zijn
Evaluatie ontwerp havendammen Hoek van Holland
Deze studie bestaat uit een vooronderzoek, gevolgd door drie deelonderzoeken. Vooronderzoek (deel I): Van de Noorder- en Zuiderhavendam te Hoek van Holland wordt nagegaan wat de ontwerp- en uitvoeringsfilosofie geweest is. Dit onderzoek richt zich met name on: 1 - de ontwikkeling van het dwarsprofiel. 2 - de dimensionering van de bekledingslaag van betonkubussen. Deelonderzoeken (deel II, III en IV): II Schade-analyse: Teneinde tot een uitspraak te komen over de feitelijke stabiliteit van de gebouwde dammen wordt onderzocht: - of er schade aan de dammen is opgetreden en of deze gerelateerd is aan opgetreden stormen. - welke schademechanismen ten grondslag kunnen liggen aan een eventueel falen yan de dammen (foutenboom). - of de ontwerprandvoorwaarden aanleiding geven tot een reëele schadeverwachting. - of andere benaderingen tot meer inzicht in de stabiliteit leiden. III Toetsing kruinhoogten: Eén der belangrijkste ontwerpvariabelen: de kruinhoogte van de dammen, wordt getoetst aan de functies die de dammen vervullen. Deze variabele bepaalt in belangrijke mate de kosten van de dammen. IV Meten aan de dammen: Om effectief onderhoud te kunnen plegen moet schade waargenomen worden. De mogelijkheden en beperkingen van verschillende meetprincipes worden onderzocht teneinde een geschikt meetprogramma voor de dammen te verkrijgen.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
De betrouwbaarheid van het paaldraagvermogen
Een probabilistische analyse vereist van iedere parameter inzicht in de spreiding van de parameter. Voor de bepaling van de partiële factoren is in de nieuwe TGB 1990 uitgegaan van een geschatte variatiecoëfficiënt voor de belasting (woningbouw), paaldraagvermogen en de negatieve kleef. Resultaten van recente proefbelasting laten hogere variatiecoëfficiënten zien dan die voor de normen zijn gebruikt. Uit dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: 1. Uit de resultaten van de proefbelastingen blijkt dat de gemeten waarden van het paalpuntdraagvermogen, het paalschachtdraagvermogen en de negatieve kleef kleiner zijn dan de berekende waarde. De variatiecoëfficiënten van de modelfactoren berekent uit proebelastingen, zijn groter dan de variatiecoëfficiënten van de modelfactoren waarvan is uitgegaan. 2. Uit de probabilistische analyses met variatiecoëfficiënten van de modelfactoren waar de norm van is uitgegaan, leveren een betrouwbaarheidsindex rond de 3,45 op. Dit betekent dat de vereiste betrouwbaarheidsindex bijna wordt bereikt (veüigheidsklasse 3; p = 3,6; woningbouw). Indien de berekening wordt gemaakt met variatiecoëfficiënten van de modelfactoren berekend uit proefbelastingen, dan blijkt de werkelijke betrouwbaarheidsindex rond de waarde 2,0 te liggen. 3. Voor het toepassen van probabilistische niveau II methoden, is het een voorwaarde dat de stochasten (het paalpuntdraagvermogen, het paalschachtdraagvermogen, de negatieve kleef en de belasting) in de betrouwbaarheidsfunctie onafhankelijk zijn. Voor een aantal stochasten is dit waarschijnhjk niet het geval, hierbij kan worden gedacht aan het paalpuntdraagvermogen en het paalschachtdraagvermogen. Deze worden beide berekend op basis van een deel van het zelfde traject van de sondering. 4. Naar aanleiding van het parameteronderzoek van het model Koppejan blijkt dat de variatiecoëffiënt van de modelfactor van het rekenmodel, van 0,121 teruggebracht kan worden naar 0.079. De parameters voor het model Koppejan worden dan voor de invloed van traject I ; II en III: 0,1; 0,8 en 0,1, overige parameters veranderen niet.Geo-engineeringHydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Het onderhoud van het Oostelijk Banjir Kanaal om Jakarta
Deel I: Gegeven is het Oostelijk Banjir Kanaal zoals beschreven in "Explanatory note on the design of the Eastern Banjir Cahal", (P.B.J.R., 1974). Gevraagd wordt: Door berekening de sedimentatie in het Oostelijk Banjir Kanaal te schatten naar grootte en naar plaats. Uitgaande van deze schatting moet gezocht worden naar de meest economische onderhoudsmethode voor het kanaal. De verwachting is, dat de grote hoeveelheden fijn sediment die door de riviertjes in het kanaal gebracht zullen worden problemen gaan opleveren. Daarom moet getracht worden om, uitgaande van bestaande rekenprogramma's, te komen tot een beschrijving van het gedrag van het fijnere sediment, dat niet momentaan op verandering van de hydraulische omstandigheden reageert. Deel II ontbreekt. Deel III: Het rapport is het Hydrologisch Deelontwerp dat "Het verkrijgen van een aantal hoogwatergolven en hun herhalingstijden waarmee één moessonperiode geschematiseerd beschreven kan worden'. Om dit doel te bereiken zijn er een aantal oplossingsmethoden die gevolgd kunnen worden. Echter uit oogpunt van bewerkelijkheid of door ontbreken van de nodige gegevens was het niet mogel ijk de bestaande methoden toe te passen met uitzondering van de methode van het looptijdsbeginsel die in beperkte mate bruikbaar is gebleken. Om deze redenen is er een andere methode omtwikkeld, die gebruik maakt van de aanwezige (sumiere) gegevens. Het uitwerken van deze methode beslaat een groot gedeelte van dit deel van het verslag. Hierdoor heeft er een accent-verschuiving plaats gevonden van het vinden van een duidel ijke oplossing voor het probleem naar het beschrijven van een oplossingsmethode.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Systematisch onderzoek naar de werking van duinvoetverdedigingen: Een eerste analyse van relevante processen op basis van reeds uitgevoerd modelonderzoek
In de leidraad worden de duinvakken die verdedigd zijn met harde konstrukties, zoals duinvoetverdedigingen, voorlopig beoordeeld door de verdediging afwezig te veronderstellen. Het is echter te verwachten dat een goede duinvoetverdediging een reducerende werking heeft op de hoeveelheid duinafslag tijdens superstormvloed. Dat een duinvoetverdediging een reducerende werking kan hebben op de hoeveelheid duinafslag is reeds gekonstateerd tijdens modelonderzoek voor het Noorderstrand op Schouwen en voor de Golflinks en Vijgeter op Walcheren. Gezien deze lacune in de leidraad wordt het nodig geacht algemene richtlijnen op te stellen voor de beoordeling van de veiligheid van duinen met duinvoetverdediging. In de eerste fase van het systematische onderzoek naar de werking van duinvoetverdedigingen zijn op basis van de resultaten van reeds uitgevoerd modelonderzoek, methoden aangegeven voor het opstellen van een deterministisch rekenmodel voor de bepaling van de erosie aan de voet van de duinvoetverdediging en de afslagreducerende werking van de duinvoetverdediging. Tijdens deze eerste fase van het onderzoek dienden de lacunes in de huidige kennis te worden aangegeven, ter invulling in een latere fase van het onderzoek.TAW/EN
Modellering van de aanpassing van het vertrektijdstip
Spitsverbreding is een term die veel Nederlanders kennen. In de praktijk betekent het dat er over een steeds langere tijdsduur congestievorming plaatsvindt op het wegennet. Waar men tien jaar geleden nog om 7:00 uur kon vertrekken om ongehinderd het werk te bereiken, dient men nu al om 6:30 uur te vertrekken om dezelfde verkeerssituatie te ondervinden (bij een gelijkblijvende bestemmingskeuze). Als reactie op de gestegen reistijd (als gevolg van een gestegen verkeersintensiteit) t.o.v. tien jaar geleden, heeft een gedeelte van het aantal reizigers in de afgelopen tien jaar een andere vertrektijdstipkeuze gemaakt dan tien jaar geleden. De invoering van flexibelere werktijden heeft hier ook voor gezorgd. Verkeersmodellen worden toegepast om de effecten, van een gewijzigde verkeerssituatie, te onderzoeken op het keuzegedrag van een totale groep reizigers. Een toename van het aantal reizigers resulteert tot meer verkeer op de weg in dezelfde tijdsperiode met als gevolg een stijging van de ervaren reistijd. Modelmatig wordt de vervoersvraag per herkomst - bestemmingsrelatie (HB-relatie) per tijdsperiode (wat in werkelijkheid overeenkomt met een vertrektijdstipperiode) opgenomen in een HB-matrix. In de huidige verkeersmodellen blijft het aantal reizigers per HB-relatie per tijdsperiode gelijk indien de reistijd voor een bepaalde tijdsperiode stijgt. Mijn doelstelling is om een model te ontwikkelen waarbij er verschuivingen optreden van een gedeelte van het aantal reizigers vanuit tijdsperiode naar de tijdsperioden of als reactie op gewijzigde reisweerstand per tijdsperiode. Spitsverbreding toont aan dat deze verschuiving in de wekelijkheid ook optreedt. Voor de modellering van de aanpassing van de vertrektijdstipkeuze dienen de normale of huidige situatie en een gewijzigde of prognosesituatie te worden bepaald. Inzicht in het keuzegedrag van de groep reizigers is verkregen door gebruik te maken van een Revealed Preference databon (beschrijving van het huidige keuzegedrag) in de vorm van het Onderzoek VerplaatsingsGedrag (in opdracht van het Centraal Bureau van Statistiek). Voor de modellering is een vertrektijdstipkeuzemodel, en een verschuivingsmodel geformuleerd. Het innovatieve gedeelte is dat voor het geformuleerde verschuivingsmodel geen Stated Preference databron (wat is de keuze in de hypothetische situatie) is toegepast omdat het extra geld en tijd kost. In plaats daarvan is alleen een RP databron toegepast waarbij de aanpassingen van de vertrektijdstipkeuze zijn berekend als gevolg van een relatieve wijziging van de reisweerstanden per tijdsperiode. Gekozen is voor de groep reizigers die vertrekken tussen 06:00-10:00 uur ’s ochtends en de woning als herkomstlocatie hebben. Deze totale tijdsperiode is opgesplitst in tijdsperioden van 30 minuten wat betekent dat alleen aanpassingen van 30 minuten of meer gemodelleerd kunnen worden. Theoretisch en praktisch gezien zijn ook verschuivingen met kleinere tijdsperioden te modelleren, maar deze voor zijn voor mijn casestudie (A13 in Delft) van ondergeschikt belang. Met behulp van een zelf opgesteld logitmodel is elke tijdsperiode vervolgens gedefinieerd als een keuze-alternatief. De vertrektijdstipkeuze is modelmatig vertaald als een kansberekening. Door definiëring van verschillende verkeerssituaties zijn de zogenaamde waarderingsfactoren voor bv. een verhoging van de reistijd met 1 minuut bepaald. Het opgestelde verschuivingsmodel betreft een incremental model, wat betekent dat de nieuwe vertrektijdstipkeuze wordt berekend voor een groep reizigers, als gevolg van een relatieve toename van bv. de reistijd t.o.v. een bekend veronderstelde basissituatie. Voor het onderzoek is niet alleen de reistijd als variabele toegepast maar ook o.a de ritafstand en een te vroege en te late aankomst. De kwalitatieve modelresultaten zijn consistent aan de geformuleerde verschuivingstheorie (een verhoging van bv. de reistijd resulteert tot een afname van het reizigersaandeel in deze vertrektijdstipperiode).Transport & PlanningCivil Engineering and Geoscience
Het creëren van stedelijk water: Het effect van watersystemen op de flexibiliteit in het stedenbouwkundig ontwerp binnen de Masterplan fase
Het effect van watersystemen op de flexibiliteit in het stedenbouwkundig ontwerp binnen de masterplan faseDuaal afstuderenReal Estate & Housing AND UrbansimArchitectur
- …
