462 research outputs found
Asfalt in de waterbouw
Dit document bevat de vijfde brochure van de Vereniging voor Bitumineuze Werken (VBW) getiteld "Asfalt in de waterbouw". De brochure bevat een achttal artikelen m.b.t. dit onderwerp: - Totstandkoming van de leidraad voor toepassing van asfalt in de waterbouw; voorgeschiedenis, opzet en toekomstig gebruik; door ir. E.H. Ebbens - Overzicht asfalttoepassingen in de waterbouw; door Prof. ir. J.F. Agema - Materiaaltechnologie; door H.J.A.J. Gruis - Ontwerpen van waterbouwkundige asfaltbekledingen; door ir. J.A. van Herpen - Resultaten uit recent onderzoek; door ir. H. Roos - Uitvoering van bitumineuze dijkbekledingen; door ir. G.L.M. Mulders - Bouwen en beheren; door ir. W. Bandsma - Beheer en onderhoud van waterkeringen; door ing. L.A. Philips
Ontwerpen met onervaren ontwerpers: Op zoek naar een methode om de toekomstige gebruiker in de conceptfase van het ontwerpproces te laten participeren
Onze gebouwde omgeving voldoet lang niet altijd aan de gebruikseisen van de verschillende gebruikers. Naast de veranderende geruikers of de veranderende behoeften van de gebruikers, wordt dit veroorzaakt door een gebrek aan kennisoverdracht tussen de architect en de (toekomstige) gebruiker. John Zeisel (1981) noemt dit de ‘user-needs gap’. Er is sprake van een zekere afstand tussen de wereld van de architect en de wereld van de gebruiker. Die afstand wordt in veel projecten bepaald door de tijd. De gebruiker bestaat aan het begin van een project vaak uit een algemene groep. De exacte gebruikers zijn nog niet bekend of het proces is zodanig ingericht dat contact tussen de gebruiker en de architect in eerste instantie niet mogelijk is. Als er al sprake is van overleg met de gebruiker, dan vindt deze pas in een later stadium van het proces plaats, wanneer het voorlopige ontwerp er al ligt en veel van de ontwerpbeslissingen dus al zijn genomen. De focus van dit onderzoek ligt op de afstand tussen de denkwereld van de architect en de denkwereld van de gebruiker. In vijf jaar opleiding leren architecten om anders te denken dan de gebruikers van hun ontwerpen, wat kan leiden tot miscommunicatie tussen beide partijen. Dit uit zich in het bijzonder in de beginfase van het ontwerpproces, wanneer de architect de oplossingsrichting in een (abstract) concept probeert te vatten, terwijl de gebruiker zich over het algemeen beter met concrete zaken in het hier en nu kan identificeren. Om de afstand tussen de architect en de gebruiker te verkleinen, om een brug te slaan tussen deze twee werelden, is in dit onderzoek worden gezocht naar een methode die communicatie tussen beide partijen mogelijk maakt en die ervoor zorgt dat zowel de kennis als de wensen en behoeften van de toekomstige gebruiker in het ontwerp kunnen worden geïntegreerd.Architecture and The Built EnvironmentArchitectural Engineering +TechnologyExplore La
Groningse kades en dijken bij geïnduceerde aardbevingen: Globale analyse van sterkte en benodigde maatregelen
Dit rapport doet verslag van een globale beoordeling van de gevoeligheid van de Groningse zeedijken en boezemkades voor aardbeving door gaswinning. Ongeveer 70 km zeedijken en 700 km boezemkades zijn beschouwd. Het doel van de beoordeling is om een antwoord te geven op de volgende twee vragen: (a) welke locaties hebben bij verbetering prioriteit in relatie tot de voorspelde toekomstige zwaarte van de aardbevingen; (b) welke maatregelen zijn effectief in termen van functionaliteit en risicoreductie. Bij de beoordeling is in principe de huidige veiligheidsnorm voor Groningse keringen gebruikt. Deze is geïnterpreteerd als de maximaal toelaatbare jaarlijkse kans op een overstroming. De huidige norm is 1:4000 per jaar voor de zeedijken en 1:100 per jaar voor de boezemkades. Hoofdstuk 2 geeft een overzicht van de gebruikte basisgegevens, van de geselecteerde keringen, van de laatste toetsing van de zeedijken en van de door KNMI voorspelde kansverdeling voor de aardbevingsbelasting. Voor de geselecteerde keringen zijn waterstandstatistieken afgeleid (hoofdstuk 3) en zijn ondergrondscenario\u92s opgesteld met kans van voorkomen (Bijlage J). Voor de regionale keringen was door de beheerders nog geen volledige toetsing uitgevoerd voor de situatie zonder aardbevingsbelasting. Daarom is voor deze keringen eerst een globale analyse uitgevoerd van deze situatie (paragraaf 5.1 en 6.3). Uit de analyse blijkt dat circa 51 % van de beschouwde lengte van regionale keringen naar verwachting volledig aan de norm voldoet. De kruin van circa 21 % is alleen te laag, de basis van circa 22 % is alleen te smal en circa 6 % is zowel te laag als te smal. Deze verwachting is gebaseerd op de veronderstelling dat de locaties van ongunstige ondergrondscenario\u92s voordien zullen worden ingesloten met hulp van nader grondonderzoek. De strekkingen die niet voldoen zijn vervolgens fictief verbeterd, om daarna de aardbevingsgevoeligheid te kunnen beoordelen. De fictieve verbetering is gebaseerd op het meest ongunstige ondergrondscenario. Vervolgens is de veiligheid bij een combinatie van aardbevingsbelasting en waterbelasting beoordeeld. Dat is gebeurd voor wat betreft macroinstabiliteit (afschuiven van een grondmoot uit de kering) en ontoelaatbare kruindaling. De toegepaste methodiek en \u96modellen worden beschreven in Hoofdstuk 4. De methodiek houdt rekening met de voorgeschreven veiligheidsnorm. De methodiek houdt ook rekening met de lage waarschijnlijkheid dat een extreem hoge waterstand en een extreem grote aardbeving tegelijk zullen optreden. Uit een globale analyse (paragraaf 5.2, 5.3, 6.4 en 6.5) blijkt dat ongeveer 40 km van de zeedijken en ongeveer 45 km van de (fictief verbeterde) regionale keringen naar verwachting niet voldoet. Deze verwachting is weer gebaseerd op de veronderstelling dat de locaties van ongunstige ondergrondscenario\u92s voordien zullen worden ingesloten met hulp van nader grondonderzoek. De klassieke methoden voor verbetering (verhogen en verbreden) en voor risicobeheersing (vastgelegd in een calamiteitenplan) zijn ook effectief in het geval van aardbevingsbelasting. Op mogelijke probleemlocaties kan de aardbevingsgevoeligheid van zandlagen wellicht verder worden gereduceerd door deze lagen te verdichten of door de samenhang op andere wijze te verbeteren. Op grond van de hier gerapporteerde beoordeling bij de huidige norm wordt in hoofdstuk 7 aanbevolen om hoge prioriteit te geven aan nader onderzoek voor de zeedijken. Dat wil zeggen een onderzoek met meer rekenpunten, waarbij rekening wordt gehouden met de locaties van de ongunstige ondergrondscenario\u92s. Bij de regionale keringen heeft nader onderzoek en daarop volgende verbetering eveneens hoge prioriteit voor de volgende strekkingen (en ook in deze volgorde): Eemskanaal (Noord en Zuidzijde), het Schildmeer en Hondhalstermeer en het Winschoterdiep. De te verbeteren lengte van de geprioriteerde regionale strekkingen is in totaal ongeveer 75 km. De keuzes voor de norm en de beoordelingsmethode hebben uiteraard invloed op de daarop gebaseerde versterkingsbehoefte. Daarom wordt tenslotte aanbevolen om eventuele aanpassingen in de norm spoedig vast te stellen, samen met de toe te passen toetsmethode bij combinatie van waterbelasting en aardbevingsbelasting
Openstelling van de Overijsselse Vecht voor recreatievaart
Door toenemende uitbreiding van de Nederlandse recreatievloot wordt de vraag naar nieuwe vaargebieden steeds groter. De Overijsselse Vecht komt hiervoor in aanmerking. Deze rivier is in zijn huidige vorm slechts gedeeltelijk bevaarbaar. Door openstelling van de Vecht creëert men goede tourvaartmogelijkheden door Overijssel en Zuid-Drenthe. Enkele stuwen en te lage, vaste bruggen verhinderen op dit moment de doorvaart. In deze studie zijn de problemen aan de orde gesteld en worden mogelijke oplossingen naar voren gebracht. In de andere studies gaat zijn de onderwerpen: - Schutsluis bij Marienberg - Stuw de HaandrikHydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Analyse van de maatgevende afvoer van de Maas te Borgharen
Dit rapport beschrijft de resultaten van het onderzoek naar de maatgevende afvoer van de Maas te Borgharen. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van het randvoorwaardenboek 2001 (rvw2001). De resultaten van een aantal deelonderzoeken zijn afzonderlijk gerapporteerd. Deze deelonderzoeken betreffen de homogenisatie van de afvoerreeks bij Borgharen voor de periode vanaf 1984 tot en met 1992, de statistische analyse van de meetreeks vanaf 1911 tot en met 1998, een analyse naar de representativiteit van de meetreeks vanaf 1911, de analyse van de vorm van de maatgevende afvoergolf en een analyse van mogelijke effecten van klimaatverandering. Dit rapport is een samenvatting van alle deelrapporten, waarin slechts de hoofdlijnen zijn weergegeven. Voor meer gedetailleerde informatie wordt verwezen naar de afzonderlijke deelrapporten. In het onderzoek zijn drie statistische methodes gebruikt om een betrouwbaarheidsinterval te verkrijgen voor de maatgevende afvoer van de Maas te Borgharen. De eerste variant is een herberekening op basis van de methode en de meetreeks zoals vastgesteld in het kader van het Boertien II onderzoek, aangevuld met de beschikbare data tot en met 1998. De 95%-betrouwbaarheidsinterval komt uit op 3140 - 4595 m3/s. Variant twee gebruikt de statistische methodiek van Boertien II, maar heeft een aangepaste meetreeks voor de periode 1984 tot en met 1987. Dit deel van de reeks is gecorrigeerd aan de hand van de nieuwe Q(h)-relatie voor Borgharen die vanaf januari 1993 geldig is. De 95%-betrouwbaarheidsinterval komt uit op 3110 - 4535 m3/s. De derde variant maakt gebruik van dezelfde reeks als variant twee. Ten opzichte van het onderzoek van Boertien II is gebruik gemaakt van een extra verdeling, de Rayleigh verdeling. Daarnaast is Bayesiaanse statistiek toegepast, waarmee het mogelijk is een gewogen gemiddelde 1/1250 afvoer te berekenen. De 95%-betrouwbaarheidsinterval volgens deze variant komt uit op 3170 - 4227 m3/s. Deze waarde ligt een stuk lager dan de andere varianten wat met name ligt aan het feit dat de 1/1250 afvoer volgens de Rayleigh verdeling relatief laag is en deze verdeling volgens de Bayesiaanse analyse een groot gewicht krijgt.randvoorwaardenboek 2001 (rvw2001
Onderzoek golfklappen bij regelmatige golven ten behoeve van de dimensionering van asfaltbekledingen
Dit rapport is geschreven om de zeer beperkt uitgevoerde onderzoeken naar golfklappen specifiek gericht op de problematiek van de belasting van asfalt bek led ing en, waarover verspreid in diverse brieven en notities is gerapporteerd, samen te vatten.TAW/ENW; asfaltbekledinge
Morfologisch onderzoek met 2DH numerieke veldmodellen bij Eierland (Texel)
Het voorliggende afstudeeronderzoek is een vervolgstudie op de hydraulische-morfologische effektstudie van het Waterloopkundig Laboratorium (WL) naar het erosieprobleem van kustvak Eierland (Texel). Bij dit onderzoek is onder andere gebruik gemaakt van 2DH numerieke veldmodellen voor golven, stroming en sedimenttransporten ten einde de morfodynamische ontwikkeling van het gebied (Eierlandse Gat en omgeving) te analyseren. Het afstudeeronderzoek bestaat uit 4 onderdelen, namelijk: \u95 Nagaan van de invloed van een fijnere golfschematisatie op de sedimenttransportprocessen en het netto jaarlijks sedimenttransportpatroon. \u95 Onderzoek naar het effect van het meenemen van windopzet in het cosros-model op de sedimenttransportpatronen. \u95 Onderzoek naar de invloed van het verkleinen van het getijprisma op het sedimenttransport en de debieten door het Eierlandse Gat. \u95 Het maken van morfodynamische berekeningen om de bodemontwikkeling'in de tijd te kunnen simuleren voor de situatie met een dam bij kustraai 30.5. Het golfklimaat is geschematiseerd in 5 richtingen met 3 golfhoogten per golfrichting. Er zijn dus morfologische berekeningen gemaakt voor 15 golf condities en één conditie met alleen getij. Het berekende netto jaarlijks transportpatroon geeft de orde van grootte van de optredende kusterosie bij Eierland goed weer. Voor het kustvak Eierland wordt een kusterosie van 300.000 m3/jaar berekend. Het transport van de buitendelta naar het kustvak Eierland("bron"), dat in de studie van het WL niet met zekerheid kon worden aangetoond, wordt met het jaarlijks transportpatroon niet gevonden. De aanwezigheid van een "bron" is alleen zichtbaar voor de hoge golfcondities uit noordelijke richting en tijdens kentering van het getij. De bijdrage van "bron" aan de totale sedimentbalans van het kustvak Eierland is zeer klein. Door het meenemen van een waterstandsverhoging veroorzaakt door harde wind in een morfologische berekening verschuift het transportpatroon kustwaarts. Ten gevolge van de waterstandsverhoging neemt het dwarstransport richting het kustvak Eierland toe. De bijdrage van de "bron" wordt daarom vergroot maar is niet groot genoeg om substantieel bij te dragen aan de totale sedimentbalans van het kustvak Eierland. Het verkleinen van het getijprisma heeft tot gevolg dat de transporten door het Eierlandse Gat tijdens de ebfase sterker afnemen dan tijdens de vloedfase. Dit resulteert in een vergroting van het transport door het Eierlandse Gat richting de Waddenzee. De buitendelta en het kustvak Eierland eroderen ten gevolge van de getijprismaverkleining. In de geulen Robbengat en Engelsmangat treedt sedimentatie op. De morfodynamische bodemsimulatie voor de situatie met golven uit westelijke richting, getij en dam laat de ontwikkeling van een geul vanaf de rand van de buitendelta langs de kop naar het Robbengat zien. Het Engelsmangat ontwikkelt zich richting de rand van de buitendelta en verbreedt sterk op de buitendelta. De ontwikkeling van het Robbengat op de buitendelta wordt gestopt. Voor de situatie met dam en alleen getij ontstaat er geen geul voor de kop van de dam maar een ontgrondingskuil.MorfologieHydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Integratie van campus en stad: Samuel van Embden en de Technische Hogescholen in Delft en Eindhoven
In oktober 1970 bracht het tijdschrift Plan een themanummer uit over het wetenschappelijk onderwijs en het bouwen van universiteiten in Nederland. In het redactioneel, getiteld ‘ideologie of pragmatisme’, werden de dilemma’s geschetst waar de politiek en de ontwerpers voor staan. Om de groeiende studentenaantallen op te vangen zijn grote investeringen nodig, maar er ontbreekt een duidelijk visie op waar het met het wetenschappelijke onderwijs naartoe moet. Kunnen de bestaande universiteiten nog groeien of moeten er nieuwe universiteiten worden gesticht? Moeten bestaande universiteiten buiten de stad uitbreiden of juist in kleinere clusters in de stad blijven? Wat is de ideale grootte van een universiteit? Waar zouden nieuwe universiteiten moeten komen en wat te denken van de introductie van het Anglo-Amerikaanse campusmodel? Is de idee van de ‘universitas’, de vermeende eenheid van de wetenschap, nog wel actueel? Zijn er nog universiteitsgebouwen nodig als straks colleges via de televisie uitgezonden kunnen worden?In October 1970 the Dutch journal Plan published a thematic issue on university education and the construction of universities in the Netherlands. The editorial, entitled ‘Ideology or pragmatism’, outlined the dilemmas facing politicians and designers. Major investment was needed to cope with the growing numbers of students, but there was no clear picture of how education and research should develop. Could the existing universities continue to grow, or should new ones be founded? Should existing universities expand outside cities, or remain in small clusters within them? What was the ideal size of a university? Where should new universities be developed, and what about introducing the Anglo-American campus model? Was the idea of universitas, the supposed unity of arts and science, still relevant? Would university buildings even be needed if lectures could be broadcast on television screens?OLD Complex Project
Servicekosten bij winkelcentra in Nederland
In dit onderzoek zijn de servicekosten bij planmatig ontwikkelde winkelcentra onderzocht. Hierbij zijn de problemen die optreden in de markt geanalyseerd en zijn voor deze problemen door middel van literatuur- en empirisch onderzoek oplossingen en aanbevelingen gedefinieerd. Deze kunnen worden gebruikt bij het maken van (nieuwe) duidelijke afspraken tussen de verschillende stakeholders die met dit proces te maken krijgen danwel voor het opstellen van een verbeterde Leidraad voor Servicekosten bij winkelcentra.Real Estate ManagementReal Estate & HousingArchitecture and The Built Environmen
Schoonhoven: De ruimtelijke ontwikkeling van een kleine stad in het rivierengebied gedurende de Middeleeuwen
Architectur
- …
