7,562 research outputs found
Deep anisotropic dry etching of silicon microstructures by high-density plasmas
This thesis deals with the dry etching of deep anisotropic microstructures in monocrystalline silicon by high-density plasmas. High aspect ratio trenches are necessary in the fabrication of sensitive inertial devices such as accellerometers and gyroscopes. The etching of silicon in fluorine-based plasmas is isotropic. To obtain anisotropy the addition of sidewall passivation is necessary. This is achieved with both oxygen passivation at low temperatures and fluorocarbon passivation at room temperature. A quantitative approach was pursued to explain the etching mechanism. The etch results were analysed using the measured plasma species fluxes and the surface composition. Moreover, the transport of the plasma species in narrow anisotropic structures is a fundamental factor determining the etch rate and the profile evolution. The experimental methods such as the etching equipment, plasma diagnostics, surface analysis and sample preparation are described in chapter 2. Three etching processes were investigated: the cryogenic etching process with oxygen passivation at low temperatures, the Bosch process with fluorocarbon passivation at room temperature and the novel triple pulse process that was developed in our laboratory. The polymer deposition mechanism and the characteristic role of the ions are also explained. The cryogenic etching process is discussed in chapter 3. Fluorine radicals, oxygen radicals and ion bombardment are responsible for the three main sub-processes, that is, etching, sidewall passivation and depassivation of the trench bottom, respectively. Etching experiments with an extremely low ion-to-radical flux ratio were used to reveal the etching mechanism. Crystal orientation dependent etching leading to Si(111) crystal facets is observed in a surface kinetics controlled regime. By varying the plasma conditions it is possible to adjust the etching mechanism from fluorine-limited to ion-limited. Controlled etching is obtained because the etching is tuned from aspect ratio dependent in the fluorine-limited domain to aspect ratio independent in the ion-limited domain. The transport of radicals in high aspect ratio trenches is an important limiting factor and was investigated with special structures. The etch results are described by an analytic model that is based on the surface site balance of fluorine and oxygen radicals. The results are further explained with a Monte Carlo simulation model. The Bosch process is clarified in chapter 4. The anisotropy of the etched structures is controlled by balancing the etching and passivation pulse. However, the maximal obtainable aspect ratio is limited by convergence of the trench sidewalls due to excessive passivation. The maximal obtainable aspect ratio increases if the ion-to-radical flux ratio increases. The transport of ions is an important limiting factor in the depassivation of the bottom of the trench. Divergence of the ion beam leads to a reduction of the ion flux, so that the fluorocarbon passivation is insufficiently removed near the base of the sidewalls. The average ion angle was measured and correlated to the maximal obtainable aspect ratio. The Bosch process was improved at the depassivation side with the triple pulse process and at the passivation side with preferential sidewall deposition. The triple pulse process that is described in chapter 5 has the aim to improve the depassivation in deep trenches. The three main sub-processes are decoupled using a separate depassivation pulse directly after the etching and passivation pulses. The fluorocarbon passivation is efficiently removed with low-pressure, high-density, oxygen-based plasmas. The investigated plasma chemistries include O2, CO2 and SO2. The triple pulse process leads to better profile control with a straight trench bottom. However, the maximal obtainable aspect ratio is comparable to the Bosch process because a larger etch depth and a small lateral etch cancel out. The polymer deposition mechanism is treated in chapter 6 with the aim to understand the fluorocarbon passivation in deep trenches. The deposition on plane surfaces and on special structures was investigated to distinguish between the radical-induced and ion-enhanced components. A simple analytical model, which explains the main deposition characteristics, was developed. Preferential sidewall deposition is obtained for higher ion fluxes and higher bias voltages where sputtering plays an important role. In this case no fluorocarbon passivation has to be removed from the bottom of the trench. The trench profile was optimised in the Bosch process by tuning the bias voltage during etching and passivation independently. It resulted in perfectly anisotropic trenches but the maximal obtainable aspect ratio was still limited by a small lateral etch. The characteristic role of the ions in the etching mechanism is explained in chapter 7. Ion-induced etching of both SiC in a SF6-O2 plasma and Si in a Cl2 plasma were investigated. The impact of the ions on the profile evolution can be examined more explicitly because spontaneous chemical reactions are absent for these plasma-material systems. The etching mechanism varies from fluorine-limited to ion-limited depending on the radical-to-ion flux ratio. Microtrenches are observed for an ion-limited etching mechanism. Fluorine-limited SiC etching is aspect ratio dependent in contrast to ion-limited SiC etching, which is aspect ratio independent. The etching of high aspect ratio SiC structures is limited by the positive sidewall taper. This is presumably caused by insufficient removal of the thin fluorocarbon layer on the surface. Si etching in a Cl2 plasma is always aspect ratio independent in contrast to SiC etching because of the low reaction probability. The conclusions and recommendations of this thesis are given in chapter 8.Applied Science
Eenzaamheid in de wachtkamer van de dood. Een studie naar existentiële eenzaamheid in de terminale levensfase.
In onze hedendaagse Westerse maatschappij wordt eenzaamheid als een groot sociaal-maatschappelijk probleem gezien, waarbij de focus op de bestrijding van emotionele en sociale eenzaamheid ligt. Men kan zich echter afvragen of eenzaamheid wel te bestrijden is, want misschien hoort eenzaamheid wel gewoon bij het leven. Te zien is dat de één eenzaamheid als een probleem beoordeelt, terwijl de ander deze als een mogelijkheid tot innerlijke groei beschouwt. Dit onderzoek belicht existentiële eenzaamheid, een zeer ingrijpende en diepe eenzaamheid, en getracht wordt een bijdrage te leveren aan de conceptualisering hiervan en aan hoe het best omgegaan kan worden met existentiële eenzaamheid bij terminaal zieke mensen
Ik krijg nog meer terug dan dat ik geef. Een kwalitatief onderzoek over de betekenis van het doen van vrijwilligerswerk in de palliatieve terminale zorg voor vrijwilligers.
Het doel van het onderzoek is generen van kennis en inzicht over de betekenis van het doen van
vrijwilligerswerk in de palliatieve terminale zorg voor vrijwilligers. Hierdoor kunnen
vrijwilligers en de vereniging VPTZ-Nederland keuzes maken die de zorg aan vrijwilligers en de
zorg aan stervenden en naasten ten goede komen en kunnen zij in samenspraak scholings- en
trainingsprogramma’s op maat ontwikkelen. Geestelijk begeleiders kunnen deze kennis
gebruiken voor de verdere ontwikkeling van hun competenties.
Palliatieve terminale zorg is een patiëntgerichte, holistische zorgverlening waarbij de
stervende en zijn naaste(n) zorg geboden wordt. Uit onderzoek is gebleken dat in deze
benadering een gerichtheid op de zorgverlener als persoon ontbreekt, terwijl wie de zorgverlener
is wél van invloed zou zijn op de kwaliteit van de zorg (Giebner, 2015; Papadatou, 2006).
Bovendien zou de zorgrelatie gekenmerkt worden door wederzijdse beïnvloeding, dat betekent
ondermeer dat er een wisselwerking plaatsvindt waarin de zorggever naast geven ook ontvangt
(Beach & Inui, 2006, p. 1). Daarom is het van belang om de ervaringen en betekenissen van het
doen van vrijwilligerswerk voor vrijwilligers nader te onderzoeken.
De hoofdvraag van het onderzoek is: Wat is de betekenis van het doen van vrijwilligerswerk
in de palliatieve terminale zorg voor vrijwilligers? Het onderzoek bestaat uit een
kwalitatief onderzoek, het onderzoeksmateriaal zijn brieven - honderd in het totaal - van VPTZvrijwilligers
waarin zij delen over hun ervaringen met het doen van vrijwilligerswerk en over de
betekenis van deze ervaringen voor henzelf als zorgverlener en als persoon.
Terwijl in de literatuur en het publiek debat veel aandacht is voor motieven laat het
onderzoek zien dat de betekenis voor vrijwilligers meer omvat dan alleen motieven die vervuld
worden. De resultaten uit het onderzoek maken duidelijk dat vrijwilligers betekenisvolle en
waardevolle ervaringen opdoen die voor hen van persoonlijk belang en van professioneel belang
zijn. In de praktijk van ‘er zijn’ leren zij ten gunste van een goede zorgverlening. Zij ervaren dat
zij daadwerkelijk bij kunnen dragen aan de opgaven waar palliatieve terminale zorg voor staat en
dat geeft hen positieve gevoelens. Daarnaast leren vrijwilligers ook ten gunste van hun
persoonlijk leven; zij leren zichzelf en het leven beter kennen. De band die vrijwilligers
opbouwen met stervenden en naasten is voor hen betekenisvol. Vrijwilligers ervaren dat zij bij
het team horen en dat ze er toedoen
Onder het topje van de ijsberg
Summary
This research discusses the unconscious renewing learning ability of people in
organizations. Unconscious renewing learning ability consists of two components; the first
element is the ability to examine the influence of the unconsciousness on someone’s
thoughts and behavior. The second component refers to the ability to use the results of the
former to influence and adjust the unconsciousness. In organizational change, the
unconscious renewal learning ability is stimulated by means of meetings between different
people with interaction, dialogues, shared sense-making discussions and shared
processes of reflection. Through the use of the unconscious renewing learning ability,
learning processes and process renewal arise.
Reasons for this research have been the many unsuccessful transformations in
organizational change. Failure is usually caused by the transformation strategy, which is
often rational and systematic, and focuses on consciously influencing and changing the
thoughts and behaviors of human beings and organizations. However, human behavior
largely consists of unconscious and automatic actions. Although the unconscious does
influence the human being itself and the organization where one works, the influence itself
is invisible.
In this exploration it has been examined to what extent the influence of the unconscious
behavior, the unconscious renewing learning ability, has been taken into account in the
transformation strategy of process redesign in three Dutch hospitals. Process redesign
indicates a transformation of hospital care process in care pathways, which are specified
by patient groups. In order to achieve the research objective, a qualitative exploration has
been conducted, consisting of a couple of interviews and reflective meetings with project
designers, project supervisors and project members of each process redesign project.
This research aims to contribute in the development of successful transformation
strategies of process redesign in the hospital care.
As a result of this research, four issues have been identified with respect to unconscious
renewal learning ability and process redesign.
The first issue relates to a priority problem. Medical specialists consider the patient as
their number one priority. Therefore, discussions about possible problems and solutions
considering the process redesign are deferred.
Secondly, specialists usually fail to notice the sense of urgency, which result in a lack of
intrinsic motivation to profoundly examine the problems and solution in the care process.
A third problem refers to the hierarchical structure of the hospital. Just a few people have
formal competence about decisions related to activities and resources. This results in
limited self-organization, with limited possibility for processes of learning and renewal.
The last issue concerns difficultness in meeting the variety and diversity of opinions and
points of views of everybody involved in the redesign process, especially, when taking into
consideration that most specialties are represented by only one person. Especially the
diversity of opinions and point of views stimulates a rich process of learning.Samenvatting
Dit onderzoek gaat over het onbewust vernieuwend leervermogen van mensen in een
organisatie. Het onbewust vernieuwend leervermogen bestaat uit twee elementen. Dat is
allereerst het vermogen van mensen om te onderzoeken welke invloed het onbewuste
heeft op hun gedrag en denken. Daarnaast is dit het vermogen om met dat inzicht het
onbewuste te beïnvloeden en te veranderen. In organisatieveranderingen wordt rekening
gehouden met het onbewust vernieuwend leervermogen van de mensen door
ontmoetingen te creëren tussen medewerkers waarin ruimte is voor interactie, dialoog,
gedeelde betekenisgeving en reflectie. Vernieuwings- en leerprocessen ontstaan als
mensen gebruik maken van hun onbewust vernieuwend leervermogen.
Aanleiding voor dit onderzoek is het feit dat veel veranderingstrajecten mislukken.
Oorzaak hiervan is dat veranderstrategieën vaak bestaan uit een rationele en planmatige
aanpak, waarbij vooral aandacht is voor het bewust beïnvloeden en veranderen van mens
en organisatie. Dit terwijl het gedrag van mensen voor het grootste deel bepaald wordt
door onbewust en automatisch gedrag. Het onbewuste heeft invloed op de mens zelf en
op de organisatie waarin deze zich bevindt, maar die invloed is onzichtbaar.
In dit onderzoek wordt onderzocht hoe drie Nederlandse ziekenhuizen in hun
veranderstrategie voor procesherinrichting rekening houden met de invloed van het
onbewuste van de mensen in de organisatie, in de vorm van het onbewust vernieuwend
leervermogen. Procesherinrichting is een veranderingstraject waarin het zorgproces
georganiseerd wordt in zorgprogramma’s voor patiëntengroepen. In het onderzoek
worden kwalitatieve onderzoeksmethoden gebruikt. Binnen elk PHI-project hebben
interviews en reflectiebijeenkomsten plaatsgevonden met projectleiders,
projectbegeleiders en projectteamleden.
In het onderzoek worden vier dilemma’s zichtbaar waar de drie ziekenhuizen mee te
maken hebben als zij in hun veranderstrategie rekening willen houden met het onbewust
vernieuwend leervermogen van de mensen in de organisatie. Het eerste dilemma is dat
een uitgebreide dialoog over de problemen en oplossingen van de procesherinrichting niet
vanzelfsprekend de volle aandacht krijgt, aangezien de zorgprofessionals de prioriteit
leggen bij de dagelijkse patiëntenzorg. Een tweede dilemma is dat bij zorgprofessionals
soms de sense of urgency ontbreekt, waardoor ze niet intrinsieke motivatie hebben om de
problemen en oplossingen in het zorgproces grondig te onderzoeken en te bespreken.
Daarnaast hebben de ziekenhuizen een hiërarchische organisatiestructuur waarin veel
beslissingen over maatregelen en middelen afhankelijk zijn van een beperkt aantal
mensen. Hierdoor wordt ruimte voor zelforganisatie beperkt wat leren en vernieuwen in de
weg staat. Tenslotte is het lastig om tegemoet te komen aan de diversiteit van
perspectieven en meningen onder de zorgprofessionals, als een hele discipline in de
projectbijeenkomst vertegenwoordigt wordt door één persoon. Juist de diversiteit aan
meningen en perspectieven dragen bij aan een rijker leerproces.
Dit onderzoek biedt handvatten voor het ontwikkelen van een succesvolle
veranderstrategie voor procesherinrichting van ziekenhuizen
Een eigen home?! Ervaringen van bestuursleden van belangenvereniging KBO-Brabant.
Het doel van deze thesis is inzicht verschaffen in de ervaringen van bestuursleden van Afdelingen van KBO-Brabant met een ‘eigen home’. Intern kan KBO-Brabant dit inzicht gericht verder uitwerken. Daarnaast geeft het stof tot nadenken over de toenemende ouderenzorg.
Geprobeerd is antwoord te geven op de volgende hoofdvraag: Hoe wordt het hebben van een ‘eigen home’ gewaardeerd door bestuursleden van KBO-B met en zonder home, en welke doorwerking denken zij dat het ‘eigen home’ heeft?
Dit exploratieve onderzoek is een kwalitatief empirisch zorgethisch onderzoek, gebruik makend van focusgroepen en een breed uitgezette enquête. De resultaten geven een hoofdzakelijk positief beeld weer ten aanzien van de ervaringen omtrent een ‘eigen home’. In dit beeld komen een aantal zaken naar voren waar de belangenvereniging KBO-Brabant bij stil moet staan. De bestuursleden spreken vanuit verschillende situaties, wat de wensen en behoeften per Afdeling beïnvloed. Naast het beeld van de ervaringen worden de onderliggende waarden besproken in het licht van goede zorg. Vrijheid en gelijkheid, aandachtigheid, verantwoordelijkheid en competentie staan hier centraal.
Concluderend blijkt het nadenken over een ‘eigen home’ binnen KBO-Brabant complex in elkaar te steken. De ervaringen zijn enigszins divers en vanuit de positie van de bestuursleden verschillend te benaderen. Het ‘eigen home’ is een kwestie van maatwerk
Toekomstspijt, dat is wat ik voel
Met dit kwalitatief fenomenologisch onderzoek is getracht inzicht te verkrijgen in de beleving van mensen die zich in de laatste levensfase bevinden. Systematisch is gezocht naar de essentie van de ervaring, het fenomeen, waar ieder mens in de laatste levensfase mee te maken krijgt. Hierop zijn 40 interviews bestudeerd, die in 2012 en 2013 gepubliceerd stonden in de wekelijkse rubriek “Het laatste Woord” van het NRC dagblad.
De vraag die leidend was in het onderzoek, was de vraag naar de (geleefde) ervaring van mensen die mensen die zich bewust zijn van het naderende levenseinde. Wat is voor hen in essentie van belang, hoe reageren zij hierop, hoe gaan zij om met dit besef dat de dood in zicht is?
Ingaan op die vragen vraagt, naast het doen van het onderzoek zelf, om een verkenning van diverse theorieën die handelen over het proces van dood gaan. In het theoretisch kader komt dit aan bod. Hier gaat het om de emotionele ervaringen die tijdens het proces van afscheid nemen van het leven ondervonden worden, ervaringen van het verwerkingsproces tijdens deze levensfase, rouw- en verlieservaringen. Maar ook theorieën over wat mensen geestelijk op de been houdt, waar ze geluk in ervaren, wat troost biedt.
Vervolgens komen in de resultaten, de bevindingen van het onderzoek naar voren. Hier blijkt dat mensen in de laatste levensfase tegen het licht van de dood een diepe verbondenheid voelen met het leven zelf, met hun naasten, met de natuur. De reacties op deze intens gevoelde verbondenheid en de wijze van omgaan zijn heel verscheiden van aard en variëren van verzet tot overgave.
In de conclusie worden de bevindingen van de resultaten, die de basis vormen van het onderzoek, geconfronteerd met de bestudeerde literatuur. De vraag welke praktische implicaties dit heeft op de zorg is hieruit herleidbaar en komt hier eveneens aan de orde
Zien wat er telt en mee laten tellen. Een kwalitatief onderzoek naar het syndroom van Korsakov en waardigheid
Met dit empirisch kwalitatief en fenomenologisch geïnspireerd onderzoek is getracht meer inzicht te krijgen in de manier waarop familieleden het bevorderen van waardigheid in de zorg voor hun naaste met het syndroom van Korsakov ervaren, ten einde aanwijzingen te vinden deze te waarborgen. Daarnaast beoogt dit onderzoek indirect aandacht te vragen voor het belang van waardigheid en goede zorg voor mensen met het syndroom van Korsakov.
Door middel van drie semigestructureerde interviews zijn de data verzameld. Aan de hand van de ervaringen van familieleden is er inzicht verkregen in een passende uitwerking van waardigheid, en wat dit betekent voor het denken over goede zorg. Vanuit de interviews, analyse, en interpretaties zijn er vier thema’s gevonden: gezien worden, betekenis hebben, zeggenschap hebben en vertrouwdheid voelen. Deze thema’s vormen aandachtsvelden die zorgverleners gevoelig kunnen maken voor het bevorderen en waarborgen van waardigheid in de zorg voor mensen met het syndroom van Korsakov. Daarnaast blijken familieleden van onschatbare waarde. Zij kunnen enerzijds voor zorgverleners een sleutel zijn tot kennis over de patiënt, en anderzijds functioneren als belangenbehartiger van de patiënt
Invloed op het besluitvormingsproces door medisch specialisten en managers
Summary
Organisations in healthcare are subjected to many changes. As a results of these changes, several decision-making procedures take place in which all kinds of decisions are made. Stakeholders influence these procedures in order to manipulate each other and, ultimately, the decision itself. This paper analyses how medical specialists and manager consciously and subconsciously use certain sources of power and factors of influence in decision-making processes. Power in organisations is a social process in which parties influence each other, and in which there is an unequal chance of realising one’s wishes and interests. Having sources of power enables a person to influence these processes. Subconsciously, influence is also realised through body language. In this paper, qualitative research methods have been used. During meetings, observations and tape recordings were used to implement these methods.
This research shows that medical specialists use the law source, the information source and the knowledge source to influence the decision-making process, because their hierarchical position, their knowledge and skills allows them to. Medical specialists use these methods specifically by using conscious factors of influence as ‘rational influencing’, ‘legitimizing’ and ‘pressuring’. However, according to this research, managers mainly use the information source. The chairman of the meetings often uses the law source. Managers influence the decision-making process mainly through the use of ‘rational influencing’.
Additionally, this paper analyses the use of subconscious factors of influence by medical specialists. A number of changes take place whenever medical specialists influence the decision-making process. According to this research, medical specialists sit upright and more often make eye-contact whenever important subjects are discussed in the meetings. Using these body positions makes them more powerful and capable of influencing the decision-making process more thoroughly. In addition to this, the volume of their voice increases and the speed of their speech drops. Also, the pitch of their voice changes to a more varied variant.
A third finding of this research is that there is a relationship between a number of factors of influence and sources of power. The factor of influence ‘rational influencing’ is often used whenever the knowledge source or the information source is applied. Another relationship that can be drawn on the basis of this research is that the use of factors of influence ‘legitimize’ and ‘pressuring’ is often coupled with the use of the law source.
This paper shows how medical specialists and managers influence each other in the decision-making process. Additionally, this paper shows the subconscious behavioural patterns in the way to medical specialists influence the process.Samenvatting
In de gezondheidszorg zijn organisaties onderhevig aan allerlei veranderingen. Hierdoor vinden verschillende besluitvormingsprocessen plaats waarin allerlei beslissingen genomen worden. Belangengroepen beïnvloeden deze besluitvormingsprocessen zodat zij elkaar en de uitkomsten van het proces proberen te beïnvloeden. In dit onderzoek is onderzocht hoe machtsbronnen en invloedfactoren bewust en onbewust door medisch specialisten en managers worden gebruikt in besluitvormingsprocessen. Macht in organisaties is een sociaal proces waarin partijen elkaar beïnvloeden. Ook bestaat er een ongelijke kans op het realiseren van wensen en belangen. Door het bezit van machtsbronnen kan invloed uitgeoefend worden op deze processen. Onbewust vindt ook beïnvloeding plaats door middel van de lichaamstaal. In het onderzoek is gebruik gemaakt van kwalitatieve onderzoeksmethoden. Tijdens bijeenkomsten is door middel van observaties en geluidsopnamen invulling gegeven aan de onderzoeksmethoden.
In dit onderzoek wordt duidelijk dat medisch specialisten de rechtsbron, informatiebron en deskundigheidsbron aanwenden vanwege hun positie, kennis en vaardigheden. Personen kunnen doordat zij beschikken over machtsbronnen invloed uitoefenen. Medisch specialisten doen dit door gebruik te maken van de bewuste invloedfactoren ‘rationeel overtuigen,’ ‘legitimeren’ en ‘druk uitoefenen.’ Managers daarentegen wenden volgens het onderzoek vooral de informatiebron aan. De rechtsbron wordt meestal door de voorzitter gebruikt. Zij oefenen op het besluitvormingsproces invloed uit door gebruik te maken van ‘rationeel overtuigen.’
Tevens zijn de onbewuste invloedfactoren van de medisch specialisten in dit onderzoek geanalyseerd. Een aantal veranderingen vinden plaats wanneer medisch specialisten invloed uitoefenen op het proces. Een van de aspecten die uit de analyse naar voren is gekomen, is dat medisch specialisten rechtop gaan zitten en vaker oogcontact maken wanneer belangrijke onderwerpen in de bijeenkomsten worden besproken. Door deze lichaamshouding aan te nemen zijn ze machtiger en oefenen daardoor onbewust invloed uit op het besluitvormingsproces. Ook gaat het volume van de stem omhoog en de snelheid van de stem wordt langzamer. De toonhoogte verandert naar een variërende hoogte.
Een derde uitkomst van het onderzoek is dat een relatie is gelegd tussen een aantal invloedfactoren en machtsbronnen. Zo is naar voren gekomen dat de invloedfactor ‘rationeel overtuigen’ vaak wordt gebruikt bij het aanwenden van de deskundigheidsbron en informatiebron. Een andere relatie die gevonden is, is het gebruik van invloedfactoren ‘legitimeren’ en ‘druk uitoefenen’ bij het aanwenden van de rechtsbron.
Dit onderzoek bevat verschillende inzichten in de manier waarop medisch specialisten en managers elkaar beïnvloeden. Ook zijn ten aanzien van de medisch specialisten bepaalde inzichten in de onbewuste gedragingen gevonden
Samenspraak
Introduction; Consultancy is the core of the physician-patient relationship, and therefore the
communication between physician and patient. Good skills are essential within consultancy. The quality of
communication and the physician-patient relationship are nowadays under pressure. This survey aims to
analyze in more depth the communication between physicians and patients.
Theoretical framework; It is not possible to make operational the term quality in one definition.
Donabedian (1988), distinguish quality of health care in structure, process and outcome. This survey is
about the quality of the process, and especially about the relational quality between physician and patient.
To make operational the relational quality, this quality is divided into three characteristics of
communication (information, emotions, and shared decision making).
Methods; Data is collected by recording, on audiotape, the consults between physicians and their
patients. Four physicians and 32 (cancer) patients from MCRZ are included within this survey.
Background variables of both physicians and patients are reported. Consults are analyzed by using the
RIAS instrument, the Global Affect Rating and the Proficiency Checklist. Crosstabs are made to perform
some tests.
Results (RIAS); Physicians use more instrumental communication than affective communication. A lot of
information is provided during the consults and many closed ended questions are asked. Open ended
questions, instructions, facilitation, and giving directions, counseling, emotional expressions and social
talk appears less. Often a positive talk appears during the consult. There is a correlation ship between the
diagnosis of the patient and the amount of information and facilitation by the physician. Also difference
between the physicians appears by questioning, providing information, and emotional expressions.
Patients. It becomes clear that patients have fewer utterances than physicians. Patients provide often
information and closed ended questions are often asked. Emotional expressions and social talk occurred
less. The amount of closed ended questions and social talk of patients differs between physicians.
Results (Global Affect); During the consults physicians are not often irritated, nervous, or anxiety; they are
friendless and interested. However, the amount of nervousness differs among the physicians. The range
upon the affect rating differs among patients. The affect rating of the physicians will influence the use of
affective and instrumental communication of both the physicians and patients. It also appears that the
affect rating of patients influences the communication of physicians and patients. Results (Proficiency
Checklist); By analyzing the Proficiency Checklist it becomes clear that physicians do not provide all the
information towards the patient.
Conclusion and discussion; Patients receive a lot of information, which cannot be remembered. Emotions
of patients and shared decision making are not often treated within each consult. The relationship
between physician and patient is too paternalistic, it should be more mutual. So, there is a friction
between the existing and the expected communication. Limitations of this survey are the absence of
norms, a relative small population and selection of patients.
Recommendations; Define norms, combine such survey with a patient satisfaction research. Create
training programs to develop emotional awareness and shared decision making.Inleiding; Consultvoering vormt de kern van een arts-patiëntrelatie en daarmee de communicatie tussen
arts en patiënt. Goede vaardigheden in consultvoering zijn essentieel. De kwaliteit van communicatie en
de arts-patiëntrelatie staan momenteel erg onder druk. In dit onderzoek is dieper ingegaan op de
communicatie tussen arts en patiënt. Hiervoor zijn consulten tussen 32 patiënten en 4 oncologen van het
MCRZ geanalyseerd. Theoretisch kader; Kwaliteit is niet op één manier te definiëren. Donabedian (1988)
onderscheid kwaliteit van de gezondheidszorg in structuur, proces en uitkomst. In dit onderzoek is
ingegaan op de kwaliteit van het proces en met name de relationele kwaliteit tussen arts en patiënt. Om
de relationele kwaliteit te operationaliseren is dit onderscheiden in drie kenmerken van communicatie
(Informatie, Emoties en Besluitvorming). Methoden; De onderzoeksdata is verzameld d.m.v. het opnemen
van consulten tussen oncologen en hun patiënten op audiotape. De consulten zijn met behulp van het
RIAS, de Global Affect schaal en de Proficiency Checklist geanalyseerd. Vervolgens zijn er verschillende
toetsen uitgevoerd. Resultaten (RIAS); Oncologen gebruiken meer instrumentele communicatie dan
affectieve communicatie. Tijdens de consulten wordt veel informatie gegeven en worden veel gesloten
vragen gesteld. Het stellen van open vragen, het uitspreken van verwachtingen en het faciliteren en
sturen en counselen van de patiënt komen relatief weinig voor. Emotionele uitingen en een sociaal praatje
komen eveneens weinig voor. Positieve uitingen komen wel geregeld voor tijdens een consult. Er is een
samenhang geconstateerd tussen de diagnose enerzijds en de hoeveelheid gekregen informatie en het
aantal malen dat een patiënt wordt gefaciliteerd door de arts anderzijds. Tussen de artsen onderling zijn
verschillen geconstateerd op het gebied van vragen stellen, informatie verstrekken en zich emotioneel
uiten. Patiënten blijken maar weinig aan het woord te zijn tijdens het consult. Er wordt geregeld informatie
gegeven en een gesloten vraag gesteld door patiënten. Open vragen worden minder vaak gesteld.
Emotionele en sociale uitingen komen maar weinig aan de orde. Het blijkt dat het per oncoloog
afhankelijk is hoeveel gesloten vragen patiënten stellen en of patiënten een sociaal praatje maken.
Resultaten (Global Affectschaal); De oncologen zijn nauwelijks geïrriteerd, nerveus of angstig geweest
tijdens de consulten. Ze waren vriendelijk en geïnteresseerd. Bij de patiënten was de range over de
stemmingen meer verspreid. Tussen de oncologen onderling is een verschil in nervositeit tijdens de
consulten geconstateerd. Een aantal stemmingen van de oncologen bleek van invloed te zijn op het
gebruik van de affectieve en instrumentele communicatie van de oncologen en de patiënten. Dit bleek
ook voor patiënten te gelden. De stemming van de patiënt was op sommige aspecten eveneens van
invloed op de communicatie van arts en patiënt. Resultaten (Proficiency Checklist); Vanuit de Proficiency
Checklist kan worden verklaard dat de oncologen van het MCRZ niet alle punten van informatie vertellen
aan hun patiënten. Conclusie en discussie; De patiënt krijgt erg veel informatie, die waarschijnlijk niet
allemaal kan worden onthouden. Emoties van de patiënt komen niet elk consult evenveel aan bod. Ook
gezamenlijke besluitvorming komt niet altijd voor tijdens een consult. De arts-patiëntrelatie is nog te
paternalistisch. De relatie moet meer richting wederkerigheid gaan. Er bestaat dus nog een frictie tussen
werkelijke en wenselijke communicatie. Beperkingen zijn: de afwezigheid van normen, relatief kleine
populatie en selectie van patiënten. Aanbevelingen; Om communicatie te beoordelen is het opstellen van
normen voor de meetinstrumenten van belang of dient onderzoek te worden gekoppeld aan een
tevredenheidsonderzoek. Tevens verdient het aanbeveling een onderwijsprogramma voor artsen te
ontwikkelen om bewustzijn van emoties en gezamenlijke besluitvorming te creëren
- …
